De Cock en de wurger op zondag
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #2
- Год: 1975
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-2452-5
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de wurger op zondag». Краткое содержание книги:
De Cock beet op zijn onderlip. ‘Dat klinkt mij wat tegenstrijdig in de oren,’ zei hij na een poosje.
Vader Mattias schudde het hoofd. ‘Het zijn openbaringen voor hen die naar verborgenheden zoeken,’ zei hij plechtig.
De Cock knikte vaag en liet zijn blik lange tijd op de grijsaard rusten. De rimpels in zijn voorhoofd trokken zich samen en om zijn mond verscheen een smartelijke trek. ‘Zo is het,’ zuchtte hij. ‘Openbaringen-voor-hen-die-naar-verborgenheden-zoeken. Zo is het. U bent een wijs man, Vader Mattias. Het is alleen jammer dat zelfs wijze mannen soms horende doof en ziende blind zijn.’
De oude grijsaard keek hem onderzoekend aan.
‘Ik weet het niet,’ zei hij wat aarzelend, ‘maar ik heb zo’n vaag gevoel dat u mij iets wilt openbaren; dat u bezig bent mij iets duidelijk te maken.’ Hij schoof onrustig op zijn stoel heen en weer. ‘Uw bijbelkennis is lang niet zo verzonken als u mij hebt willen doen geloven.’
‘Nee,’ zuchtte De Cock, ‘ik heb u misleid.’
De oude keek hem verwonderd aan. Hij scheen pijnlijk getroffen. ‘Waarom rechercheur,’ vroeg hij, ‘zou u een oude man misleiden?’
De Cock slikte. ‘Ja,’ zei hij loom, ‘waarom?’ Hij streek met zijn hand langs zijn gezicht. ‘We zouden… we zouden elkaar in deze wereld onomwonden de waarheid kunnen zeggen. We zouden onze medemensen openhartig en zonder achterdocht kunnen benaderen, wanneer onze wereld goed was. Ik bedoeclass="underline" beter dan nu. Maar…’ Hij maakte zijn zin niet af en kwam langzaam uit zijn stoel overeind.
‘Dit is een moeilijk onderhoud voor mij,’ ging hij ernstig verder. ‘U moet dat geloven. Het behoort tot mijn beroep mensen te verhoren. Het is mijn vak. Ik heb nooit minachting gevoeld voor mijn tegenstanders, maar er zijn er maar weinigen geweest die ik bewonder. U, Vader Mattias, bewonder ik. Ik bewonder u om uw moed. Ik heb altijd bewondering gehad voor mensen die voor hun overtuiging durven uitkomen en trachten volgens die overtuiging te leven en te handelen. Daar… daar is moed voor nodig. Daarom zou ik ook graag…’ De Cock zweeg abrupt. Hij keek naar het fijnbesneden gezicht van de oude man en ontdekte de mildheid die uit zijn grijze ogen straalde. De ontdekking deed hem pijn. Ineens overspoelde hem een gevoel van medeleven, van medelijden. Hij liep van achter zijn bureau naar het raam, staarde naar buiten, maar zag niets. Er hing een waas voor zijn ogen en zijn handen trilden. Een tijdlang bleef hij zwijgend staan. Eerst toen hij zich weer volkomen in bedwang had, draaide hij zich om en keek de oude man vertederd aan.
‘Mensen zoals u, Vader Mattias,’ zei hij met trillende stem, ‘worden vaak wat zonderling geacht.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat is niet zo erg, want dat is meestal een kwestie van onbegrip.’ Hij zuchtte. ‘Maar ze zijn soms ook wat wereldvreemd. En dat is wel erg, want met die wereld hebben zij te maken. Ook u, Vader Mattias. U behoeft het kwaad van de wereld niet ver te zoeken. Het is niet nodig dat u daarvoor naar de Walletjes trekt. Het komt vanzelf bij u.’ Hij liep langzaam op de grijsaard toe en legde een hand op zijn magere schouder. ‘Wat moet ik u nog meer zeggen?’ zei hij treurig. ‘Ga naar huis. Vanmiddag komen wij bij u om de diefstal van het geld te onderzoeken.’ De grijsaard kwam moeizaam overeind en strompelde naar de deur. Halverwege draaide hij zich om. ‘U spreekt in raadselen,’ zei hij. Het was een laatste poging om in onwetendheid te vluchten.
De Cock schonk hem een droeve grijns. ‘Ik dacht zo,’ zei hij, ‘dat ik duidelijk genoeg was geweest.’
De oude man keek hem nog enige ogenblikken verstrooid aan. Toen draaide hij zich weer om en liep verder.
De Cock keek hem na. ‘Tot ziens, Vader Mattias,’ fluisterde hij. De oude hoorde hem niet.
Vledder kwam uit de hoek van de kamer vandaan. Hij had daar al die tijd al gestaan. Tijdens het gehele onderhoud met Vader Mattias had hij zich niet verroerd en geen woord gezegd. Hij had geluisterd en getracht ergens een lijn te vinden. Hij had de spanning van het gesprek gevoeld en begrepen dat er meer was gezegd dan een oppervlakkige beschouwing van de gesproken woorden deed vermoeden. Het leek alsof hij dwaalde in een doolhof, een doolhof van gedachten. Hoe hij ook peinsde, steeds botste hij tegen een muur die zijn gedachtegang onderbrak. Maar ergens moest een uitweg zijn, een kronkelend pad dat naar de oplossing voerde.
Hij keek naar het gezicht van De Cock, die kennelijk in gedachten verzonken midden in de kamer stond. Vledder had zo’n vaag vermoeden dat De Cock het al wist, dat achter het gerimpeld voorhoofd de weg reeds was uitgestippeld. Hij trachtte iets van het gezicht te lezen, maar het gelaat van De Cock was een effen masker zonder uitdrukking.
‘Heeft rechercheur Bierens je verteld dat Vader Mattias voor een diefstal kwam?’
De Cock, gestoord in zijn overpeinzingen, kneep zijn ogen even dicht. ‘Hoezo?’ vroeg hij.
‘Ik heb er Vader Mattias niet over gehoord.’
De Cock keek hem verward aan. ‘Heeft de oude man het niet gezegd?’
‘Nee, absoluut niet. Hij heeft met geen woord over een diefstal gesproken.’
De Cock schudde langzaam het hoofd. ‘Ik wist het ook niet van Bierens,’ zei hij.
‘Niet… van Bierens?’
‘Nee,’ zuchtte De Cock, ‘niet van Bierens.’
Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Maar…’ stamelde hij, ‘als noch Bierens, noch Vader Mattias je het hebben verteld, hoe wist je het dan?’
De Cock grijnsde. ‘Dat zal ik je later nog wel eens uitleggen.’
Hij keek naar het beteuterde gezicht van zijn jonge collega en lachte. ‘Gun een oude man een geheimpje,’ zei hij, ‘en schenk nog eens een kop koffie in.’
Vledder deed wat er van hem verlangd werd. Hij liep naar het morsige gaskomfoortje en vulde de koppen. Het zat hem dwars dat De Cock hem niet in vertrouwen nam. Sinds hij met hem op pad was, had hij steeds het gevoel dat hij er niet bij hoorde, dat hij buiten het eigenlijke onderzoek stond. De Cock deed geen achterbakse dingen. Hij mocht overal bij zijn. Hij mocht de verhoren beluisteren en aantekeningen maken. Als hij wilde, kon hij er alleen op uit trekken. De Cock verbood hem niets. Integendeel, hij was joviaal, vriendelijk en liet hem volkomen vrij. Maar hij maakte hem geen deelgenoot van zijn gedachten. En dat verdroot hem. Hij wilde graag iets leren van de grote man, over wie in recherchekringen de wonderlijkste verhalen de ronde deden. Maar hij leerde niets, althans, hij begreep het niet. En dat ergerde hem. Hij pakte de beide koppen op en zette ze met een nors gezicht op het bureau.
De Cock keek hem onderzoekend aan. ‘Wat is er, m’n jongen?’ zei hij vriendelijk. ‘Zint het je niet?’
Vledder ging tegenover hem zitten. De norse trek op zijn gezicht was nog niet verdwenen. ‘Nee,’ zei hij nukkig, ‘het zint mij niet. O, geloof me, ik vind het een voorrecht om met je samen te werken en je verhoren bij te wonen, maar omdat ik jouw gedachtegang niet ken, ontgaat mij de zin. Ik kan het niet volgen.’
‘En? Is dat mijn schuld?’
‘Ja… ik… eh…’
De Cock boog zich naar hem toe. ‘Luister eens, vriend Vledder,’ zei hij ernstig, ‘als ik jou precies zou vertellen hoe je moet denken, hoe je bepaalde voorvallen en uitdrukkingen moet interpreteren, dan bestaat er een grote kans dat je geestelijk tegen mij aan gaat leunen. En dat wil ik niet. Ik wil geen marionet van je maken. Ik wil dat je zelfstandig denkt, dat je je eigen gedachten ontwikkelt. Ook denken is een kwestie van oefening. Je weet van deze moorden net zoveel als ik. Je hebt dezelfde dingen gezien en gehoord. Als jij vermoedt dat ik dichter bij de oplossing ben dan jij, is dat voor jou een reden te meer om je in te spannen. Denk, m’n jong. Probeer de stukjes van de legpuzzel inéén te passen. Pijnig je arme hersentjes maar af.’
Vledder zuchtte. ‘Je vertelt me dus niets?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Nu niet,’ zei hij. ‘Nu niet. Misschien later, als… als we de dader hebben ontmaskerd.’