De Cock en de wurger op zondag
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #2
- Год: 1975
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-2452-5
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de wurger op zondag». Краткое содержание книги:
De commissaris was humeurig. Hij liep rond met een nors gezicht. Hij had al een paar maal naar De Cock gevraagd en Vledder had met vage uitvluchten getracht z’n afwezigheid te verklaren. De ouwe had de uitvluchten doorzien. Zijn humeur was er niet beter op geworden. De Cock had de vorige dag, zonder enige verontschuldiging, de door hem gearrangeerde bespreking genegeerd. Hij was eenvoudig niet verschenen. Dat zat de commissaris hoog.
Iedereen wist dat De Cock een eigenwijze kerel was, een buitenbeentje, die simpeltjes weigerde aan de leiband van zijn superieuren te wandelen. Dat was algemeen bekend. Wanneer De Cock niet zo dikwijls blijk had gegeven van zijn uitzonderlijke gaven, dan was zijn loopbaan bij de recherche alleen al omwille van dat gebrek aan discipline vroegtijdig beëindigd. Maar men durfde de oude rot niet erg best aan. Men liet hem in de regel maar zijn eigen gang gaan. Dat was het beste. Toch had de commissaris steeds weer moeite om het vrijbuitersgedrag van De Cock te accepteren. Het tastte zijn waardigheid aan. Het ellendige was dat De Cock later altijd een grondige reden had voor zijn gedrag. Dat maakte zijn superieuren wat huiverig en onzeker. Er waren er al velen geweest die zijn vrijheidsdrang hadden willen beteugelen. Het lukte altijd, maar duurde nooit lang. Wanneer men hem op zijn gebrek aan discipline wees, toonde De Cock zich steeds bijzonder berouwvol en onderdanig en deed vanaf dat moment geen stap meer zonder bevel of opdracht. Het gevolg was dat hij geen enkel initiatief meer ontplooide en de zaak geen steek verder kwam. In arren moede gaf men hem dan maar weer de vrije hand. Het liefst zette men hem op een dood spoor en liet hem kleine, onbeduidende diefstalletjes opknappen. De Cock had daar geen bezwaar tegen. Hij wist toch dat men hem weer van stal zou halen, wanneer men in de knoei zat. En men zat in de knoei. Daarom permitteerde De Cock zich de vrijheid niet op het bureau te verschijnen. Het was maandag en dat vond hij een geschikte dag om met zijn hond te gaan wandelen.
Hij dronk eerst koffie met zijn vrouw en babbelde met haar over een huwelijkscadeau voor nicht Clara, die rijkelijk laat, toch nog onverwacht aan de man was gekomen en nu het onderwerp vormde van bijna alle gesprekken binnen de clan van ‘De Cocksen’…
Toen dat onderwerp was afgedaan, belde hij het Bevolkingsregister en vroeg inlichtingen omtrent de familiebetrekkingen van een man, zich noemende Vader Mattias, en van een vrouw, die luisterde naar de naam Barbara. Hij noteerde de verkregen inlichtingen in zijn notitieboekje en zette zich breed achter zijn derde kopje koffie.
‘Wie is Barbara?’ vroeg zijn vrouw nieuwsgierig.
De Cock glimlachte. ‘Een lief hoertje,’ antwoordde hij gnuivend.
Zijn vrouw trok haar wenkbrauwen op. ‘Lieve hoertjes,’ zei ze met een zweem van achterdocht, ‘zijn die er dan?’
De Cock knikte heftig. ‘Barbara is er één van. Het kind hoort eigenlijk helemaal niet op de Walletjes thuis. Ze zou volgens mij een lief huisvrouwtje moeten zijn met een stel kindertjes en een man. Liefst een ruwe, wat onbehouwen klant, maar met een goed hart.’
‘Een man zoals jij.’
De Cock keek op. ‘Gek,’ grinnikte hij, ‘dat was precies wat zij zei.’
Zijn vrouw monsterde de uitdrukking op zijn gezicht. ‘Ken je haar goed?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Wat heet goed? Ik weet dat ze uit een klein stadje komt. Ze heeft daar een vijfjarige hbs doorlopen en kwam na haar schooltijd op een kantoor terecht. Ze knoopte een liefdesverhouding aan met een van haar chefs, een wat oudere, getrouwde man, die zelf al dochters had van haar leeftijd. Toen de zaak na een jaar of twee uitlekte, kwam ze in opspraak. De man ging terug naar zijn eigen vrouw en vroeg vergiffenis voor zijn “onbedachtzaamheid”. Hij werd weer in liefde opgenomen.’
‘En Barbara?’
De Cock roerde in zijn koffie. ‘De mensen,’ zei hij peinzend, ‘zijn soms erg wreed en onrechtvaardig. Barbara kreeg de schuld van alles. Ze had de zo keurig bekendstaande huisvader natuurlijk verleid. Het was een schande. Het nette stadje was er ondersteboven van. Men schold haar uit voor slet en wees haar na op straat. Barbara kon die smaad op het laatst niet meer verkroppen en verhuisde naar Amsterdam om de beschuldigingen waar te maken. Zo kwam ze in de prostitutie.’
‘Had ze schuld?’
Hij maakte een gebaartje. ‘Och,’ zei hij, ‘wie praat er hier van schuld? Zulke dingen gebeuren. In een grote stad valt zoiets nauwelijks op, maar in een kleine, bekrompen gemeenschap heeft het voor de betrokkenen in de regel verstrekkende gevolgen. Barbara was niet beter of slechter dan andere meisjes van haar leeftijd.’ Hij zuchtte. ‘Het was alleen jammer dat ze haar liefde richtte op een wat oudere man, die bovendien nog getrouwd was. Anders was er waarschijnlijk niets gebeurd. Dan zat ze nu in een proper nieuwbouwhuisje met witte gordijntjes, waste luiers en gruwde van het woord prostitutie.’
Zijn vrouw keek hem glimlachend aan. ‘Haar interesse,’ zei ze fijntjes, ‘schijnt wel uit te gaan naar wat oudere mannen.’
De Cock wreef met zijn hand over zijn gezicht. Hij kende iedere intonatie van haar stem en proefde de lichte toespeling op zijn leeftijd. ‘Zo oud ben ik nu ook weer niet,’ antwoordde hij wat nukkig. ‘Bovendien… bovendien heeft het niets te betekenen. Ik ben misschien de enige fatsoenlijke kerel die nog wel eens in haar kamertje komt. En dan…’ Hij grijnsde wat voor zich uit. ‘Welke vrouw ziet er nu iets in mijn goedaardige hondenkop?’ Zij kwam lachend naar hem toe. ‘Ik,’ zei ze, ‘dat weet je toch?’ Hij keek haar aan. ‘Och,’ zei hij wat weemoedig, ‘je went tenslotte aan alles.’
Hij stond loom op, kuste zijn vrouw op haar voorhoofd en pakte de hondenriem. Flip stond al naast hem met opgeheven kop. De Cock klopte hem zachtjes tegen de flanken en deed hem de riem om.
‘Kom makker,’ zei hij, ‘we gaan wandelen.’
Voor hij wegging stopte hij zijn notitieboekje in zijn zak.
6
De begrafenis was een demonstratie van droefheid.
Bij de poort, wat schuchtertjes aan de rand van de oprijlaan, stonden ze in rouw bijeen; de bonkige souteneurs, wat houterig in hun dure pakken, de vettige bordeelhoudsters, omhangen met veel goud, en de bonte vrouwtjes van de vlakte. Ze staarden met somber gezicht naar de keurig onderhouden gazons en naar de kraaien, die in hun zwarte uniform met hoge hoed bedrijvig heen en weer liepen. Het was druk op de begraafplaats. Stoeten van zwarte, glimmende wagens reden af en aan. De dood is een bedrijf zonder malaise.
De Cock had zich in een donker kostuum gewurmd. Zijn geliefkoosde dracht was een broek zonder vouw en een jasje van goede tweed. Maar voor de begrafenis van Bleke Gonny had hij zijn donker kostuum uit de mottenballen gehaald. Hij beschouwde de kwelling die de te strakke broeksband hem bezorgde, als een persoonlijk eerbetoon aan het slachtoffer. Maar zijn oude vilten hoed had hij toch niet willen prijsgeven. Ondanks protesten van zijn vrouw had hij zijn trouwe hoofddeksel niet thuisgelaten. Er waren grenzen, meende hij.
De uitdrukking op het gezicht van de jonge Vledder was één en al verbazing, toen hij De Cock zo vreemd uitgedost over het grind van de begraafplaats zag stappen. Hij ging hem tegemoet.
‘Wat zie je er deftig uit,’ zei hij glimlachend.
De Cock keek hem aan. ‘Je hebt er niets aan gedaan.’
‘Wat bedoel je?’
‘Je bent net zo gekleed als anders.’
Vledder grijnsde. ‘Wat wil je?’ zei hij laatdunkend. ‘Dat ik rouw om een hoertje?’ Hij haalde nonchalant zijn schouders op. ‘Dit is dienst. Je hebt gezegd dat ik nooit de begrafenis van een slachtoffer mocht overslaan. Nou, ik ben er. Wat wil je meer?’