De Cock en de wurger op zondag
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #2
- Год: 1975
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-2452-5
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de wurger op zondag». Краткое содержание книги:
Vledder kwam naast hem staan. ‘Een mooie kar,’ zei hij bewonderend.
Samen bleven ze kijken hoe Moos behendig uit de Heintje Hoeksteeg manoeuvreerde. Wat verderop klopte opoe haar stofdoek uit. Toen Moos met zijn kar uit het gezicht was verdwenen, keek Vledder De Cock lang en nadrukkelijk aan. Om zijn lippen speelde een flauwe glimlach. ‘Hoe kom je aan die krab op je gezicht?’ vroeg hij.
‘Die krab…’ zei De Cock ontwijkend, ‘o… ik denk dat ik die bij het scheren heb opgelopen.’
Vledder grijnsde. ‘Scheer jij je zo dicht langs je ogen?’ De Cock liep naar de spiegel boven het fonteintje.
‘Zit ie dan zo hoog?’ vroeg hij quasi verwonderd.
Vledder liep hem na. De Cock zag zijn grijnzende snuit naast zijn eigen spiegelbeeld.
‘Nogal hoog, hè? Ik bedoel, om je bij het scheren te snijden.’
De Cock draaide zich grinnikend om. ‘Je wordt nog eens een goed rechercheur,’ zei hij. ‘Nog een paar jaartjes met mij op pad en ik kan met een gerust hart met pensioen gaan.’
Vledder liet zich niet van de wijs brengen. ‘Zonder dollen,’ zei hij, ‘is dat van dat juffie?’
‘Welk juffie?’
‘Nou, dat mooie juffie, dat je na de begrafenis mee uit rijden hebt genomen.’
De Cock keek hem secondenlang aan. ‘Ja,’ zei hij gelaten, ‘die krab is van dat juffie. Overigens, haar naam is Barbara. Ze is een hoertje uit de buurt.’ Hij zweeg even. ‘En voordat je je malle dingen in je hoofd haalt: ik heb haar teruggebracht naar haar ouders omdat ik bang ben dat zij het volgende slachtoffer zal zijn. Uit dankbaarheid sloeg ze me op mijn gezicht.’
Vledder gebaarde. ‘De barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.’
De Cock keek hem verwonderd aan. ‘Waar slaat dat op?’
‘Weet ik niet,’ antwoordde Vledder. ‘Ik heb het eens ergens gehoord. Ik weet echt niet meer waar.’
De Cock zuchtte. ‘Misschien gisteren bij de dominee?’
‘Het was geen dominee. Het was een priester.’
‘Wat zei hij?’
Vledder haalde zijn schouders op. ‘Hij zou het nakijken. Zo gauw als hij het wist zou hij je bellen. Ik gaf hem je telefoonnummer.’
Vledder snoof. ‘Je moet me in het vervolg niet meer van die rare opdrachten geven,’ zei hij verwijtend. ‘Die pastoor keek me zo gek aan. Hij begreep er geen draad van.’
‘En jij?’
‘Wat bedoel je?’
‘Begrijp jij het?’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘Is het voor een kruiswoordpuzzel?’
De Cock keek zijn jongere collega een tijdlang peinzend aan. ‘Ik geloof toch,’ zuchtte hij, ‘dat ik nog niet met pensioen kan.’
Vledder bloosde.
De Cock schonk zich een kop koffie in en ging lui op zijn stoel achter zijn bureau zitten. Zijn gedachten verwijlden bij Barbara, die hij woedend in het huis van haar ouders had achtergelaten. Hij vroeg zich af hoe lang ze het zou uithouden; hoe lang het zou duren voor ze weer op de Walletjes zou verschijnen. Hij hoopte dat ze hem de tijd zou geven. Tijd genoeg om de sluipende wurger te ontmaskeren.
Vledder onderbrak zijn overpeinzingen. ‘Weet je dat Vader Mattias in het gebouw is?’
De Cock sprong op. ‘Wat?’ Vledder knikte.
‘Ik zag hem zitten bij rechercheur Bierens.’
‘Wat kwam hij doen?’
Vledder haalde zijn schouders op. ‘Aangifte doen of zoiets.’
Hoewel het niet zijn gewoonte was vloekte De Cock. Hij rende de kamer uit en stormde bij Bierens binnen. Tot zijn opluchting zag hij Vader Mattias nog rustig bij het bureau zitten. Hij wachtte even tot zijn ademhaling weer op orde was en liep toen vriendelijk glimlachend op Vader Mattias toe. ‘Wat een verrassing,’ riep hij opgewekt. ‘Wie ik ook op het politiebureau verwachtte aan te treffen… u niet, Vader Mattias.’
De grijsaard stond aarzelend op. ‘Ik… ik geloof niet dat ik u al eens eerder heb ontmoet,’ sprak hij weifelend.
De Cock lachte breed. ‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zei hij verontschuldigend. ‘Ik ben De Cock. Ik heb gisteren in de aula met grote belangstelling naar u geluisterd. Ik moet zeggen: u weet de mensen te boeien. We waren allen zeer onder de indruk.’
Vader Mattias knikte wat afwezig.
De Cock trok zorgelijke plooien in zijn gezicht. ‘U hebt toch geen moeilijkheden, hoop ik?’
‘Toch wel,’ zuchtte de oude, ‘toch wel.’
De Cock pakte hem zachtjes bij de arm en leidde hem naar de deur van zijn eigen kamer. Bierens kwam met een ruk uit zijn stoel overeind. Zijn mond open van verbazing. ‘Maar…’ riep hij onthutst, ‘ik was…’
Met een stevige por in zijn zijde legde De Cock hem het zwijgen op. ‘Vader Mattias heeft recht op een prima behandeling,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik zal mij zijn moeilijkheden persoonlijk ter harte nemen.’
Het gezicht van Bierens zag rood van woede. Maar een kleine flikkering in de ogen van De Cock weerhield hem om van die woede, in het bijzijn van Vader Mattias, luidruchtig melding te maken. Hij zakte terug in zijn stoel en rukte onbeheerst een half afgemaakt proces-verbaal uit zijn schrijfmachine.
De Cock troonde Vader Mattias mee. Hij bood hem een stoel aan in zijn eigen kamer. ‘Gaat u zitten,’ zei hij hoffelijk, ‘en vertel mij van uw moeilijkheden.’ Hij zette zich breed achter zijn bureau. ‘Ik kom aangifte doen,’ zei de oude.
De Cock knikte. ‘Tenslotte…’ zei hij aarzelend, ‘tenslotte draagt de overheid het zwaard niet tevergeefs.’
Vader Mattias keek op. ‘Bent u godsdienstig?’
De Cock glimlachte. ‘U zou mij een verloren zoon kunnen noemen,’ sprak hij op een wat verontschuldigende toon. ‘Ik ben door de jaren heen wat afgedwaald.’
‘Dat is jammer,’ zei Vader Mattias. ‘Mensen in uw beroep zouden Gods hulp best kunnen gebruiken.’
De Cock knikte. ‘U hebt gelijk,’ zei hij ernstig. ‘Rechercheurs zouden zich meer in de godsdienst moeten verdiepen.’ Hij gebaarde met een zucht. ‘Vroeger was ik een redelijk goed bijbelkenner. In mijn jeugd las ik graag in Gods Woord. Maar zoals ik al zei: ik ben wat afgedwaald.’ Zijn gezicht kreeg een peinzende uitdrukking. ‘Van de week werd ik mij dat pijnlijk bewust. Er schoten mij namelijk de eerste woorden van een tekst binnen. Eh… het begint zo…: zij-is-gevallen, zij-is gevallen…’ Hij grinnikte wat verlegen en haalde zijn schouders op. ‘Verder… verder weet ik het niet.’
Vader Mattias glimlachte. ’Zij is gevallen, zij is gevallen… Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gekrenkt.’ Zijn sonore stem galmde door de kamer.
Het gezicht van De Cock klaarde op. ‘Dat is het!’ riep hij opgewekt. ‘Daar heb ik nu de hele week over lopen denken. Ik heb er zelfs mijn oude bijbel voor opgeslagen, maar ik kon het nergens vinden.’
Vader Mattias keek hem vriendelijk aan. Zijn lichtgrijze ogen namen hem scherp op en om zijn dunne lippen speelde een geheimzinnig lachje. ‘Openbaringen,’ zei hij geamuseerd. ‘Openbaringen veertien, vers acht.’
De Cock knikte vaag. ‘Openbaringen,’ herhaalde hij peinzend. Vader Mattias schoof zijn stoel wat dichterbij. Hij genoot kennelijk van De Cocks onwetendheid.
‘Het is het laatste boek van het Nieuwe Testament,’ legde hij uit. ‘Een vreemd boek.’ Hij stak waarschuwend een vinger omhoog. ‘Ik zou u niet aanraden om u daarin te veel te verdiepen.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Waarom niet, Vader Mattias?’
‘Het boek Openbaringen bevat vele verborgenheden. Het heeft al dikwijls aanleiding gegeven tot vreemde speculaties. De meeste schriftonderzoekers weten er geen raad mee. Openbaringen is een duister boek.’