De Cock en de wurger op zondag
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #2
- Год: 1975
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-2452-5
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de wurger op zondag». Краткое содержание книги:
De ogen van De Cock flikkerden boosaardig. Hij keek even om zich heen of niemand op hen lette en pootte toen zijn grote hand in de borst van Vledder. Het overhemd kraakte onder zijn vingers. Hij had iets willen zeggen over leven en sterven, over dood en eeuwigheid. Maar omdat hij niet wist hoe hij de gedachten en gevoelens die hij over dat onderwerp had, onder woorden moest brengen, liet hij hem los en zweeg. Hij had alweer spijt van zijn uitbarsting en trachtte met zijn grove vingers de kreukels uit het overhemd te strijken. ‘Sorry, m’n jong,’ zei hij hees en slenterde weg.
De aula stroomde langzaam vol. Zachte orgelmuziek begeleidde de schuifelende voetstappen. In het midden stond de baar, overdekt met bloemen en kransen. De Cock stond wat achteraf, zijn hoed verfrommeld in zijn hand. Zijn blik dwaalde langs de pijpen van het orgel, de muurschilderingen en de sombere gezichten van de belangstellenden.
Toen de orgelmuziek zweeg, stapte Vader Mattias naar voren. Hij had voor deze gelegenheid zijn haren gekamd en zijn jas geborsteld. Zijn stem weerkaatste tegen de wanden. Hij sprak weer over Gods toorn en over Sodom en Gomorra. Zijn rede leek een kopie van zijn toespraak in het cafeetje van Smalle Lowietje.
De Cock hoorde gespannen toe. Hij liet de woorden niet zweven, maar nam ze in zich op, beluisterde de intonatie en kreeg opnieuw het gevoel dat ze iets te betekenen hadden. Hij keek naar de grijsaard, naar de uitdrukking op zijn gezicht en naar zijn pezige handen.
Het einde van vader Mattias’ toespraak was mild. Hij sprak van Christus, die juist de zondaars zo lief had; Christus, die veel had geleden, waardoor vergeving mogelijk was van alle zonden. Zijn stem trilde in tederheid en uit de rijen klonk een zacht gesnik.
Het orgel begon weer te spelen en de deuren gingen open. Zwijgende kraaien stelden zich naast de baar op. Er volgde een gefluisterd commando. De kraaien hieven de baar op hun schouders en droegen haar weg. De belangstellenden volgden. Ze schuifelden uit de sombere aula het zonlicht tegemoet.
De Cock liep eenzaam achteraan. Op een zijpad zag hij Vledder onopvallend langs de graven scharrelen.
De stoet volgde een lange weg over het grind tussen een woud van grafstenen; Hier rust, duizendmaal herhaald. De levenden hadden het met grote stelligheid in steen laten beitelen. Hier rust. De Cock mijmerde. Hij was er nog niet zo zeker van.
Plotseling ontdekte hij schuin voor zich de gestalte van een jonge vrouw, keurig gekleed in een zwart mantelpakje en een hoedje met een voile. Aanvankelijk viel hem alleen de zelfbewuste houding op, de soepele lijn en de gratie waarmee zij zich voortbewoog. Hij keek met kritische blik langs de slanke benen omhoog en ontdekte achter de voile het gezicht van Barbara. Het verraste hem. Het was niet zozeer het feit van haar aanwezigheid dat hem aangenaam trof, maar meer de volledige transformatie. Zo kende hij haar niet. De andere vrouwen bleven ondanks hun pogingen dit te verbergen, in hun kleding het stempel dragen van hun beroep. Barbara niet. Zoals zij daar liep zou niemand in haar de prostituee hebben herkend. Ze had zich ook niet bij de anderen gevoegd. Ze liep daar alleen, als een vreemdelinge. De Cock versnelde zijn pas en ging naast haar lopen. Ze keek naar hem op en glimlachte vaag. De Cock boog zich naar haar toe. ‘Wacht op me,’ fluisterde hij, ‘na afloop bij de ingang.’
Ze knikte nauwelijks merkbaar.
De stoet was inmiddels bij de groeve aangekomen. Er vormde zich een wijde kring. De Cock liep bij Barbara vandaan en schuifelde langs de achterste rij. Hij bleef staan, toen hij een paar ruggen verder Vader Mattias ontdekte. Naast Vader Mattias stond een man die hij aan zijn houding herkende. De Cock wrong zich wat dichterbij, zodat hij de beide ruggen direct voor zich had.
‘U hebt mooi gesproken, vader,’ zei de man.
Vader Mattias schudde zijn hoofd. ‘Niet ik, Tobias,’ zei hij licht bestraffend, ‘maar God. Ik was slechts een werktuig in Zijn hand.’
De man knikte. ‘Wat denkt u, vader,’ ging hij verder, ‘zou God haar in genade hebben aangenomen?’
Vader Mattias legde zijn hand op de arm van de man. ‘Gods genade,’ fluisterde hij, ‘is groot.’
De kraaien ontblootten het hoofd en lieten de kist zakken.
Toen de belangstellenden vertrokken waren, bleef De Cock eenzaam bij het graf achter. Hij keek, zoals zijn plicht was, in de kuil en zag dat de verzegeling van de kist nog intact was. De stalen banden waren duidelijk te onderscheiden. Nog even bleef hij staan en prevelde een paar woorden ten afscheid. Toen draaide hij zich bruusk om, zette zijn oude hoed op en schoof een zijpad in, waar Vledder op hem wachtte. ‘Hoe is het, m’n jong,’ zei hij, ‘heb je nog iets bijzonders gezien?’
Vledder schudde glimlachend het hoofd. ‘Geen stiekeme toeschouwers,’ zei hij. ‘Er bleef wel een jonge weduwe om mij heen draaien.’
De Cock grijnsde. ‘Pas maar op,’ zei hij, ‘het zou niet de eerste keer zijn dat er een romance opbloeit aan het graf van een jong gestorven echtgenoot.’
Vledder lachte.
‘Het lijkt mij nu niet bepaald een ideale plek voor een eerste kennismaking.’
‘Je vergist je, m’n jong,’ zei De Cock. ‘Juist op begraafplaatsen worden heel veel contacten gelegd voor toekomstige huwelijken. Treurende grafbezoekers komen gemakkelijk tot elkaar.’
Vledder keek hem wantrouwend aan. ‘Meen je het?’
De Cock knikte. ‘Ik denk niet,’ zei hij, ‘dat er statistieken van zijn, maar je zou je over het aantal verbazen.’
‘Het lijkt mij toch niet.’
Ze slenterden naar de uitgang. De Cock liep met zijn handen in zijn zakken. Hij had zijn knellende broeksband losgemaakt en ademde weer vrij. In de aula, tijdens de toespraak, had die knellende band hem bijzonder gehinderd. Ergens ver weg, op de bodem van zijn denken, was er een gedachtevonkje geweest. Een kleine opflikkering, het begin van een idee. De Cock had het willen koesteren tot het vonkje het raderwerk van zijn hersenen op gang had gebracht, maar die knellende band had zijn denken verstoord. Het vonkje was uitgedoofd en niet meer teruggekomen. Plotseling bleef hij staan en keek de jonge Vledder verstrooid aan. ‘Heb je dominees onder je kennissen?’ vroeg hij. Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘Dominees?’ vroeg hij verbaasd.
De Cock knikte. ‘Dominees of priesters.’
Vledder haalde zijn schouders op. ‘Ik… ik ben niet godsdienstig,’ stamelde hij.
‘Dat vraag ik je ook niet,’ antwoordde De Cock een beetje geprikkeld. Ze liepen zwijgend verder. Kort voor de ingang bleef De Cock opnieuw staan. Zijn gezicht had een peinzende uitdrukking.
Vledder keek hem onderzoekend aan.
‘Wat heb je toch? Je bent zo verstrooid. Er is toch niets met je aan de hand?’
De Cock antwoordde niet. Hij keek langs Vledder heen naar Barbara, die bij het hek op hem stond te wachten. Opnieuw realiseerde hij zich hoe mooi ze was, hoe aantrekkelijk. Het blonde haar, dat vanonder haar hoedje golfde, glansde in de zon. Een paar kraaien wierpen haar in het voorbijgaan bewonderende blikken toe.
‘Hee,’ riep Vledder, ‘ik praat tegen je.’
De Cock keek hem verward aan. ‘O ja,’ zei hij aarzelend, ‘ik had een opdracht voor je. Je moet vanmiddag eens op bezoek gaan bij een dominee of een priester. Je zoekt er maar eentje uit. Het kan mij niet schelen welke.’
Vledder grinnikte. ‘Wat moet ik daar in godsnaam doen? Je bent toch niet van plan om mij te laten bekeren?’
De Cock schoof zijn hoed iets naar achteren.
‘Dat is een zaak die jou persoonlijk aangaat,’ zei hij plotseling ernstig. ‘Ik wil alleen maar dat je vraagt welke stad er na Sodom en Gomorra om haar zedelijk verderf werd verwoest. Dominees en priesters, weet je, behoren dat te weten.’