De Cock en moord op de Bloedberg
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #25
- Год: 1989
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0236-3
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en moord op de Bloedberg». Краткое содержание книги:
‘Heeft ze namen genoemd?’
De Smalle schudde zijn hoofd.
‘Ik weet dat ze een paar jongens heeft gevraagd om haar bij te staan.’
‘Voor een eventuele strafexpeditie?’
Lowietje grinnikte.
‘Noem het gerechtigheid.’
De Cock keek de caféhouder onderzoekend aan.
‘Heeft ze enig idee in welke richting ze moet zoeken?’
Lowietje trok een scheef smoeltje.
‘Dat denk ik,’ sprak hij voorzichtig. ‘Antwerpen is een stad met een levendige handel in diamanten en Rickie was in die handel erg actief.’
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. Hij kon de gedachtegang van Apache Alie wel volgen.
‘Kwam Rickie veel in Antwerpen?’
‘Zeker éénmaal in de week. Hij heeft ook voor mij wel eens een paar steentjes meegenomen.’
De Cock glimlachte.
‘Ik wist niet dat jij ook in diamanten handelde.’
De Smalle grijnsde vriendelijk.
‘Ik handel overal in… als het maar geld oplevert.’
De Cock geeuwde en keek op zijn horloge. Het was bijna middernacht. Hij dronk zijn glas leeg en liet zich langzaam van zijn kruk glijden.
‘Ajuus,’ zwaaide hij vermoeid. ‘Ik zoek nog een paar uur mijn bed op.’
Lowietje stak zijn hand omhoog.
‘Wacht even. Voor ik het vergeet.’ Hij draaide zich om en pakte tussen een paar flessen een langwerpige folder uit, waarop dwarrelende herfstbladeren in glanzend geel en rood. De tekst was in stijlvolle gotische letters. ‘Dit heeft Apache Alie in de woning van Rickie gevonden. Als je De Cock ziet, geef het hem, vroeg ze me.’
De grijze speurder nam de folder mee. De vermoeide expressie van zijn gelaat veranderde plotseling in een strak masker.
‘Kom tot ons.’ las hij hardop. ‘Wij verzorgen uw dood tot aan uw begrafenis.’
Rechts onder die tekst stond in potlood met grillige hanenpoten in een ovaal kringetje het woordje Ik met een vraagteken.
De Cock wees ernaar en Smalle Lowietje knikte.
‘Het handschrift van Rickie.’
9
De nieuwe dag begon met een schuchter zonnetje, dat vanachter het Centraal Station opdook en de rijp aan de bomen van de gracht omtoverde tot miljoenen oogverblindend glinsterende diamantjes.
De Cock keek ernaar en genoot. Hij hield van zijn stad. Het was een mateloze liefde, die zijn ziel klemvast in haar greep had. Amsterdam was in zijn ogen uniek en onvergelijkbaar. Volgens hem was er geen stad ter wereld die met haar kon wedijveren. Welke city kon bogen op zoveel schoonheid, zo’n opstandige en kosmopolitische bevolking en… zoveel misdaad?
Hij keek nog eens om zich heen en grinnikte. De eerlijkheid gebood hem te bekennen, dat hij buiten Amsterdam maar weinig steden kende. Reisdrift was hem vreemd. Het was een hartstocht die niet zo sterk in hem leefde. Het liefst was hij thuis, genoot van de culinaire hoogstandjes van zijn vrouw of slenterde door de oude binnenstad waar hij iedere stoep en iedere steen kende.
Hij blikte opzij naar Vledder, aan het stuur. De jonge rechercheur zag er bleek en vermoeid uit.
‘Slecht geslapen?’ vroeg De Cock bezorgd.
‘Ja, erg slecht. Ik werd steeds wakker.’
‘Waarom?’
Vledder reageerde nijdig.
‘Waarom?’ snauwde hij. ‘Waarom? Omdat jij de wonderlijke gave bezit om een mens steeds opnieuw in de problemen te brengen.’
De Cock keek zijn collega verwonderd aan.
‘Ik?’ riep hij verontwaardigd. ‘Ik bezorg jou geen problemen… ik leg jou geen raadseltjes voor… dat doen anderen.’
De jonge rechercheur snoof.
‘Waarom was jij gisterenavond zo verrukt toen Smalle Lowietje jou dat foldertje gaf?’
De Cock grinnikte smalend.
‘Was ik zo verrukt?’ vroeg hij ongelovig.
Vledder knikte heftig.
‘Ik ken je toch? Hoelang trek ik al met je op? Je was zo opgetogen, zo gefascineerd, dat het leek alsof je goud in je handen had.’
De Cock gebaarde achteloos.
‘Ik heb niet eens verder gekeken. De tekst op de omslag sprak mij aan. Kom tot ons. Wij verzorgen uw dood tot aan uw begrafenis.’ Hij keek schuin omhoog. ‘Intrigeert die tekst jou niet?’ Vledder schudde traag zijn hoofd.
‘Waarom?’ vroeg hij afwijzend. ‘Ik heb de folder gisterenavond voor ik naar bed ging nog eens uitgebreid bekeken. Ik kan er niets bijzonders aan ontdekken. Het is een uitgave van het HVS.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Het HVS?’
Vledder knikte.
‘Het Heilig Verbond van de Stervenden.’
De grijze speurder liet zijn mondhoeken zakken tot een droeve grijns. ‘Bestaat die?’
Vledder knikte opnieuw.
‘Zeker, die bestaat. Omdat jij blijkbaar waarde aan die folder hechtte, heb ik vanmorgen, nog voordat jij aan het bureau kwam, wat navraag gedaan.’
‘En?’
‘Het HVS is een soort sekte, een afgescheiden geloofsgemeenschap. Onafhankelijk. Middels dat foldertje tracht men leden te werven.’
‘Om te sterven?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Om te leven naar de dood toe.’
‘Dat begrijp ik niet.’
De jonge rechercheur zuchtte omstandig.
‘Het is helemaal niet zo moeilijk. Ik heb het mij laten uitleggen door die man.’
‘Welke man?’
‘De man, die ik aan de telefoon kreeg, toen ik het telefoonnummer draaide dat in het foldertje stond. Hij had liever een persoonlijk gesprek, maar toen ik aandrong, vertelde hij mij dat het HVS zich ten doel stelt om mensen de gelegenheid te bieden om zich onbekommerd, bevrijd van wereldse zorgen, voor te bereiden op de dood. Volgens mijn zegsman is de dood te onverbiddelijk, komt voor vele mensen te snel, te onverwachts, waardoor zij onvoldoende tijd hebben om met God en zichzelf in het reine te komen.’
‘Een edel streven,’ sprak De Cock bewonderend.’ Een streven dat steun verdient.’ Hij blikte opzij. ‘En waar is dat nobele genootschap gevestigd?’
Vledder antwoordde niet. Hij staarde onafgebroken op de weg. Star, ontoegankelijk.
‘Waar is dat genootschap gevestigd?’ herhaalde De Cock dwingend. De jonge rechercheur klemde zijn beide handen vaster om het stuur. Om zijn mond lag een onwillige trek.
‘Antwerpen.’
Vledder parkeerde de oude politie-Volkswagen tegen het hek van de begraafplaats. De beide rechercheurs stapten uit en slenterden over het brede toegangspad in de richting van de aula.
Het was beduidend minder koud dan tijdens hun vorige bezoek. Het was bijna windstil en de ontdooiende rijp kletterde van de bomen op het grind.
De Cock wurmde zijn sjaal wat losser. Toen ze de aula hadden bereikt, keek hij spiedend om zich heen. Onwennig, kennelijk in een geleende zwarte jas, ontwaarde hij Smalle Lowietje tussen een kluitje bekende penozekornuiten. Wat verderop herkende De Cock een paar belegen prostituees. Oude vakgenoten van Apache Alie. Er was ook een kleine vertegenwoordiging van het Leger des Heils. Hun sobere uniformen pasten in het decor. Dezelfde bejaarde begrafenisondernemer met hoge hoed en grijze handschoenen slofte met zijn pen en condoleanceregister langs de wachtenden.
De Cock stootte Vledder van opzij aan.
‘Ga vragen of je het na afloop mag lenen.’
Vledder reageerde nukkig.
‘Ik voel er feitelijk niet zoveel voor,’ sprak hij afwijzend. ‘Het geeft alleen maar moeilijkheden en veel werk.’
De grijze speurder keek hem van terzijde aan en stapte toen resoluut van hem weg. De jonge rechercheur hield hem glimlachend tegen. ‘Kalm aan,’ sprak hij spottend. ‘Ik wacht even tot zijn hoed afwaait.’
De Cock siste tussen zijn tanden.
‘Het is windstil.’
Vledder lachte om de reactie.
‘Ik begrijp overigens niet goed,’ sprak hij schouderophalend, ‘wat jij met dat register wil.’