De Cock en moord op de Bloedberg
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #25
- Год: 1989
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0236-3
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en moord op de Bloedberg». Краткое содержание книги:
De Cock reageerde niet direct. Na enige tijd knikte hij traag voor zich uit. ‘Ik ben het met je eens!’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan. ‘Waarmee?’
‘We moeten naar Antwerpen.’
Toen de beide rechercheurs de hal van het politiebureau aan de Warmoesstraat binnenstapten, brulde Meindert Post hen naderbij. De uit Urk afkomstige wachtcommandant brulde altijd. Hij had een stem als een gebarsten misthoorn. Wanneer hij zijn keel openzette, trilde het gebouw op zijn fundamenten.
De Cock liep gedwee op hem toe.
‘Is er wat, Meindert?’ vroeg hij liefjes.
De wachtcommandant stak een machtige arm omhoog.
‘Boven zit iemand op je te wachten.’
‘Wie?’
‘Een héér.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Een héér… in de Warmoesstraat?’
In zijn stem trilde ongeloof.
Meindert Post knikte overtuigend.
‘Zo ziet hij eruit. Ik bedoel, ik meen dat een heer er zo uit moet zien.’
‘Heb je zijn naam gevraagd?’
De wachtcommandant greep naar een kladje op zijn bureau.
‘Van Ravenswoud… Robert Antoine van Ravenswoud.’
De Cock grinnikte.
‘Zo’n naam verplicht een mens bijna om heer te zijn.’
Hij liep van Meindert en de balie weg en stormde de trap op. Vledder volgde in zijn kielzog.
Op de tweede etage, op de houten bank voor de recherchekamer, zat een man. De Cock keek vanuit de hoogte op hem neer en bekeek hem aandachtig. Meindert Post, zo concludeerde hij, had gelijk. De man had inderdaad het voorkomen van een heer. Hij toonde het beeld van een goed geconserveerde vijftiger in een onberispelijk grijs kostuum met een kleine rode, met zacht groen omkranste roos in het knoopsgat van zijn rechter revers. De grijze speurder herkende hem onmiddellijk als de statige heer met charmant grijs aan de slapen, die op de begraafplaats Zorgvlied zo teder en zorgzaam de zwartgesluierde vrouw had begeleid.
Wijdbeens bleef hij voor hem staan. ‘Meneer Van Ravenswoud?’ De man kwam onmiddellijk overeind.
‘Dat… eh, dat ben ik,’ reageerde hij verward. Even leek het alsof hij was geschrokken, maar hij had zich direct weer in bedwang. ‘En u bent de grote rechercheur De Cock?’
De grijze speurder grinnikte.
‘U mag “grote” best weglaten.’
De heer Van Ravenswoud liet zijn donkerbruine ogen glanzen. Onder zijn kleine snor danste een glimlach.
‘U wordt om uw schranderheid alom geprezen.’
De Cock wuifde de lof weg en besloot voor de heer Van Ravenswoud bijzonder op zijn hoede te zijn. Na een lichte buiging ging hij hem voor naar de recherchekamer en liet hem op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen.
‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’
Van Ravenswoud draaide zich naar hem toe. Zijn gebruind gelaat kreeg een ernstige expressie.
‘Ik kom namens Evelien. Ik bedoel, mevrouw de weduwe Van Assumburg. Ik behartig haar zaken.’
‘U bent advocaat?’
Van Ravenswoud schudde zijn hoofd.
‘Nee, nee, zeker niet. Ik ben hoofd van een paar ondernemingen. Maar Evelien, ik bedoel de weduwe Van Assumburg, heeft mij verzocht haar bij te staan. Het is voor een jonge vrouw in deze droevige omstandigheden uiteraard moeilijk om…’ Hij schraapte even zijn keel en ging verder. ‘De heer Van Assumburg was een vermogend man. Hij bezat een prachtig pand aan de Herengracht en een kapitale villa in het Gooi, waar het echtpaar overigens vrijwel nooit vertoefde. Bovendien had hij een zeewaardig jacht en een fors tegoed bij de IJsselsteinse Bank.’
De Cock luisterde aandachtig.
‘En?’ vroeg hij.
Van Ravenswoud trok een droevig gezicht.
‘Er is niets meer.’
‘Niets?’
‘Nee. Het jacht is weg en op beide huizen rust een zware hypotheek. Zo zwaar, dat Evelien niet in staat zal zijn om haar verplichtingen aan rente en aflossingen te voldoen. Bovendien is het banktegoed verdwenen.’
De Cock wuifde voor zich uit.
‘Misschien is Van Assumburg de laatste tijd wat wild met zijn financiën omgesprongen.’
Van Ravenswoud schudde krachtig zijn hoofd.
‘Ik ken Hendrik-Jan al jaren. Nog voor hij met Evelien in het huwelijk trad. Hij was geen man van vreemde sprongen. Integendeel. Hendrik-Jan ging altijd uiterst zorgvuldig te werk en nam… zeker op het financiële vlak… nooit onnodige risico’s.’
‘Waren de heer en mevrouw Van Assumburg in gemeenschap van goederen getrouwd?’
‘Zeker. Evelien wilde dat zo.’
‘En rustte er voordien geen hypotheek op het onroerend goed?’ Van Ravenswoud knikte.
‘Ik begrijp wat u zeggen wilt. Evelien moet van die hypotheken op de hoogte zijn geweest. Ze herinnert zich ook dat Hendrik-Jan haar ongeveer veertien dagen voor zijn dood een paar gewichtig uitziende documenten heeft laten ondertekenen.’ Hij maakte een wanhopig gebaar. ‘U weet hoe vrouwen soms zijn… niet terzake kundig, gemakzuchtig, onzorgvuldig. Ze weet bij God niet meer wat voor bescheiden het waren.’ Hij zuchtte diep. ‘Formeel zal het ook wel kloppen. Hypotheekbanken gaan in de regel niet over één nacht ijs. Ik vraag mij alleen af waar al dat geld is gebleven. Alleen de villa in het Gooi is al voor meer dan een miljoen belast.’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Op begraafplaats Zorgvlied,’ sprak hij bedachtzaam, ‘in de aula, maakte de dominee een paar opmerkingen die mij de indruk gaven dat de heer Van Assumburg een… eh, nogal bewogen leven heeft geleid. Zou het mogelijk zijn dat hij… zijn dood naderbij voelende… besloot om al zijn aardse bezittingen aan charitatieve instellingen te schenken?’
Robert Antoine van Ravenswoud grijnsde. Een vreemde, valse grijns, die aan zijn knap uiterlijk een bijna duivelse expressie gaf. ‘Hendrik-Jan en liefdadigheid?’ riep hij ongelovig. ‘Beste rechercheur De Cock, een grotere tegenstelling is niet denkbaar.’
De grijze speurder produceerde een flauwe glimlach. ‘U zegt dat u de heer Van Assumburg al jaren kent,’ ging hij onverdroten verder, ‘hebt u enig idee waarvoor hij dat vele geld nodig had?’
‘Misschien werd hij gechanteerd.’
‘Door wie?’
‘Zijn moordenaar.’
De Cock knikte traag voor zich uit.
‘Is mevrouw Van Assumburg inzake de dood van haar man al door de Belgische autoriteiten verhoord?’
Van Ravenswoud schudde zijn hoofd.
‘Nog niet. Ze is daartoe wel vriendelijk uitgenodigd. Morgen reizen we naar Antwerpen.’ Hij tastte in de binnenzak van zijn colbert en overhandigde De Cock een brief. ‘Mevrouw Van Assumburg heeft mij gemachtigd om namens haar nu reeds aangifte te doen terzake valsheid in geschrifte.’
De Cock keek hem wat schuins aan. ‘Valsheid in geschrifte?’ De heer Van Ravenswoud knikte. ‘Valsheid in geschrifte,’ herhaalde hij, ‘in samenhang met oplichting. Al het banktegoed van de heer Van Assumburg werd opgenomen… een dag ná zijn dood.’
8
Toen de deftig geklede heer Van Ravenswoud uit de recherchekamer was vertrokken, wees Vledder naar de uitgewerkte aangifte op het bureau van De Cock.
‘Wat doen we daarmee?’
De grijze speurder reageerde snel.
‘Onderzoeken en behandelen.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Waarom? We kunnen die aangifte toch gewoon naar de politie in Antwerpen sturen. Zij hebben de moord op Van Assumburg in behandeling.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het geld is hier in Nederland van een Nederlandse bank gehaald. Die oplichting c.q. valsheid in geschrifte is een puur Nederlandse zaak.’
Vledder reageerde heftig.
‘Het is toch alles een uitvloeisel van die moord,’ sprak hij opgewonden. ‘Zonder die moord was er van valsheid in geschrifte geen sprake. De moordenaar zal zich geld, bankbescheiden en andere documenten van zijn slachtoffer eigen hebben gemaakt. Daarop kwam ongetwijfeld de handtekening van Hendrik-Jan van Assumburg voor. Hij behoefde maar even op die handtekening te oefenen. De rest was kinderspel.’