De Cock en moord op de Bloedberg
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #25
- Год: 1989
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0236-3
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en moord op de Bloedberg». Краткое содержание книги:
Dominee Sijbertsma vouwde zijn handen voor zijn borst.
‘U hebt gelijk,’ sprak hij traag en bedachtzaam, ‘als u opmerkt dat mijn toespraak in de aula afweek van hetgeen bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk is. Maar ik deed dat op verzoek.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Op verzoek?’ reageerde hij ongelovig.
‘Ja.’
‘Van wie?’
‘De heer Van Assumburg.’
‘Wat?’
Dominee Sijbertsma spreidde zijn beide handen en hield zijn hoofd iets schuin.
‘Exact veertien dagen voor zijn dood kwam hij hier naar de pastorie. Hij zat daar in diezelfde fauteuil waarin u nu zit en vroeg mij of ik bereid was om zijn begrafenis wat op te luisteren.’
De mond van De Cock viel half open.
‘Op-te-luisteren?’
Dominee Sijbertsma knikte onbewogen.
‘Dat woord gebruikte hij.’
7
De Cock keek de eerwaarde heer Sijbertsma secondenlang aan. De gelaatstrekken van de oude rechercheur tekenden verwondering. ‘Hoe… hoe reageerde u?’ vroeg hij stamelend. ‘Het was toch op z’n minst een… een hoogst ongebruikelijk verzoek.’
De dominee leunde iets achterover en knikte.
‘Dat was het. Ik reageerde dan ook tamelijk verward en vroeg hem of hij mij wilde gebruiken voor een of andere practical joke, een misplaatste grap. Maar de heer Van Assumburg verzekerde mij plechtig, dat zijn woordkeus wellicht twijfels opriep, maar dat zijn verzoek beslist ernstig was gemeend.’
De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.
‘En dat motiveerde hij?’
‘Ja. Naar mijn mening afdoende. Anders was ik niet op zijn verzoek ingegaan.’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Hoeveel geld gaf hij u?’
Dominee Sijbertsma werd furieus.
‘Dat is een ongepaste opmerking,’ riep hij fel verontwaardigd.
‘Ik ben niet te koop.’
De Cock kneep zijn lippen opeen.
‘Hoeveel geld gaf hij u?’ herhaalde hij scherp.
Dominee Sijbertsma boog zich iets voorover.
‘Het gaat niet zo best met onze gemeente,’ sprak hij somber. ‘Overal, ook bij ons, neemt de ontkerkelijking toe. Dat betekent vermindering van inkomsten.’ Hij zuchtte. ‘De heer Van Assumburg heeft mij inderdaad een bedrag aan geld toegezegd.’ Zijn toon veranderde en werd emotioneler. ‘Maar dat was per se niet de reden dat ik op zijn verzoek inging.’
‘Wat was de reden?’
Dominee Sijbertsma maakte een weids gebaar.
‘Zoals ik al zei, zijn motivering. Hij bekende mij berouwvol dat hij niet steeds een vlekkeloos leven had geleid. In tegendeel.
Zijn bewogen levensverhaal kende vele zwarte bladzijden. Hij had, zo vertelde hij, zijn medemensen belogen en bedrogen en hen met valse schijn veel geld afhandig gemaakt.’
‘Een ordinaire oplichter.’
‘Ik ken uw terminologie niet.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Hoe deed hij dat? Ik bedoel, welke praktijken hield hij erop na?’ Dominee Sijbertsma trok zijn schouders op.
‘Ik ben niet op bijzonderheden ingegaan.’
‘Waarom niet?’
‘Dat interesseerde mij niet.’
De Cock grijnsde.
‘Zijn vele slachtoffers lieten u dus onberoerd.’
Sijbertsma liet zijn hoofd iets zakken.
‘Ik moet u eerlijk bekennen dat ik op dat moment niet aan mogelijke slachtoffers heb gedacht. Ik had alleen maar een open oor en oog voor iemand die zijn zonden wilde belijden.’
‘En dat wilde Van Assumburg?’
Sijbertsma knikte nadrukkelijk.
‘Beslist. Ik bespeurde bij hem een duidelijke behoefte aan boetedoening. “Voor een wereldse rechter,” zei hij, “is het te laat. Zoveel tijd heb ik niet meer. Wat mij nog rest is een beroep op God.”’
‘Zijn barmhartigheid.’
‘Inderdaad.’
De Cock wuifde voor zich uit.
‘En hij koos u tot bemiddelaar.’
‘Zo zou men het kunnen noemen.’
De grijze speurder zweeg even en streek met zijn pink over de rug van zijn neus.
‘Hoe wist Hendrik-Jan van Assumburg dat hij “niet zoveel tijd” meer had?’
‘Dat heb ik hem gevraagd.’
‘En.’
‘Hij zei dat hij over aanwijzingen beschikte, dat zijn leven spoedig zou worden beëindigd.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen.
‘Kende hij zijn moordenaar?’
Dominee Sijbertsma schudde zijn hoofd.
‘Hij kende het uur van zijn dood.’
‘Heeft hij u dat uur genoemd?’
Dominee Sijbertsma antwoordde niet direct. Hij zag ineens lijkbleek en zijn handen trilden.
‘Dat niet,’ sprak hij hees. ‘Maar Van Assumburg bepaalde wel exact de dag van zijn begrafenis.’
De beide rechercheurs reden van de pastorie terug naar de Warmoesstraat. De woorden van dominee Sijbertsma dreunden na en verlamden voor lange tijd hun gedachten. Het was te fantastisch, te absurd en ontoegankelijk voor een verstandelijke benadering. Vledder verbrak het zwijgen. Het gezicht van de jonge rechercheur had een gespannen expressie.
‘Welke man,’ riep hij opgewonden, ‘bestelt “ter opluistering” een dominee voor zijn eigen begrafenis?’
De Cock grinnikte.
‘Dat heb je gehoord,’ sprak hij gelaten. ‘Ene Hendrik-Jan van Assumburg.’
Vledder blikte opzij.
‘Zou het aanvankelijke vermoeden van de dominee juist zijn… dat het toch een grap was?’
De Cock bromde.
‘Je kunt moord moeilijk een grap noemen.’
Vledder liet het stuur van de Volkswagen even los en zwaaide met zijn beide armen.
‘Maar als je weet dat je zult worden vermoord… zelfs het tijdstip kent… dan neem je toch maatregelen? Je waarschuwt de politie… vertrekt naar een ander land… doet iets.’
De Cock trok zijn schouders op.
Misschien heeft Van Assumburg wel in zijn lot berust… achtte hij zijn dood onafwendbaar.’
Vledder schudde geërgerd zijn hoofd.
‘Daar geloof ik niet in,’ sprak hij verbeten. ‘leder mens hangt aan het leven… klemt zich tot het laatst daaraan vast. En waarom zou Van Assumburg daarop een uitzondering vormen?’
De Cock liet zich wat onderuit zakken.
‘Wat weten we van die man?’ reageerde hij bedaard. ‘We kennen de omstandigheden waaronder hij leefde niet. Misschien hadden de vele slachtoffers van zijn zwendelpraktijken wel het doodvonnis over hem uitgesproken en kende hij hun oordeel.’
Vledder grijnsde met een scheve mond.
‘En ging hij als een schaap ter slachtbank?’
Het klonk spottend.
De Cock onderging de spot gelaten.
‘Misschien was hij wel levensmoe,’ filosofeerde hij verder. ‘Manisch depressief. Wie weet, leed hij aan een ongeneeslijke ziekte en beschouwde hij zijn dood als een verlossing.’
Ineens veerde Vledder op.
‘Dat is het,’ riep hij enthousiast.
‘Wat?’
De jonge rechercheur sloeg met zijn vuist op het stuur.
‘De dood als verlossing. Dat is het juiste antwoord, De Cock. Dat verklaart alles. Het was geen moord, maar zelfmoord. Begrijp je, bij zelfmoord had Hendrik-Jan van Assumburg alles zelf in de hand. Hij was dan inderdaad in staat om exact het tijdstip van zijn overlijden… en van zijn begraven te bepalen.’
De Cock keek naar zijn jonge collega op.
‘Dat is knap,’ sprak hij bewonderend, ‘heel knap. Zelfmoord geeft inderdaad het antwoord op vele vragen. Het kan ook de boetedoeningsdrang verklaren, die dominee Sijbertsma zo vertederde.’ Hij zweeg even. Zijn gezicht versomberde. ‘Het is alleen vreemd dat de Belgische politie van moord spreekt en ons daarom naar Zorgvlied dirigeerde.’
‘Misschien waren de omstandigheden, waaronder zij het lichaam van Van Assumburg aantroffen, niet zo duidelijk en heeft men het zekere voor het onzekere genomen en als uitgangspunt moord gekozen?’