De Cock en moord op de Bloedberg
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #25
- Год: 1989
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0236-3
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en moord op de Bloedberg». Краткое содержание книги:
De Cock pakte het telexbericht.
‘Verzoeke morgen,’ las hij hardop, ‘woensdag te 11.00 uur in Amsterdam op de begraafplaats Zorgvlied de teraardebestelling bij te wonen van de alhier in het water van het Bonapartedok bij de St.-Aldegondiskaai vermoord aangetroffen Richard Strijdbaar. Zich eventueel voordoende bijzonderheden te melden aan H.J.M. Opdenbroecke, hoofdcommissaris van de Gerechtelijke Politie in Antwerpen.’ Hij schoof het bericht in een lade van zijn bureau. ‘Ondertekend J.A.E.M. Mannekes, Procureur des Konings.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Wie is Richard Strijdbaar?’
De Cock glimlachte.
‘Richard Strijdbaar…. de zondagse naam van Rickie van Apache Alie.’
Met veel moeite manoeuvreerde Vledder de politiewagen vanuit de Oudebrugsteeg het Damrak op. Het was bijzonder druk in de stad. Op het Rokin, kort voor het Muntplein, raakten ze in een file. Een lossende vrachtwagen bij het warenhuis van Vroom & Dreesmann legde het verkeer volkomen lam.
De Cock wreef de kilte uit zijn handen en draaide de knop van de verwarming iets verder open.
‘Wat denk je, zal de elfstedentocht nog doorgaan?’
Vledder drukte een paar maal geagiteerd op de hoorn. Het staan in een file maakte hem kriegel.
‘Weet ik veel,’ snauwde hij. ‘Het kan vriezen en het kan dooien.’ Hij blikte wat wild opzij. ‘Waarom wil je naar die dominee?’
De Cock gebaarde achteloos.
‘Om zijn toespraak.’
‘Je bedoelt op Zorgvlied in de aula, bij de begrafenis van Hendrik-Jan van Assumburg?’
De Cock knikte instemmend.
‘De mortuis nil nisi bene,’ sprak hij in erbarmelijk Latijn. ‘Over de doden niets dan goeds. Zie je, het was niet zozeer wát hij zei dat mij trof, maar de intentie die ik in zijn woorden meende te beluisteren. Ik kon mij niet aan het idee onttrekken dat hij iets duidelijk wilde maken.’
Vledder schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Je wilt je dus toch met die Belgische moord gaan bemoeien?’
De Cock keek verrast naar zijn jonge collega op.
‘Zeker. Jij toch ook? Jij wilde er zelfs voor naar Antwerpen.’
Vledder kneep zijn lippen op elkaar.
‘Voor Ronald Kruisberg… omdat ik waarachtig wel eens wil weten of die vent nu leeft of niet. Die Hendrik-Jan van Assumburg laat mij Siberisch.’ De jonge rechercheur wond zich zichtbaar op. ‘Zo zal ik ook met de pest in mijn lijf naar de begrafenis van die Strijdbaar gaan. Laten de Belgen hun eigen sores opknappen. Dat kunnen ze best. Hercule Poirot was toch ook een Belg?’
De Cock lachte hartelijk.
‘Die was zelfs beter dan ik.’
De achterdeuren van de vrachtwagen werden dichtgeklapt en even later zette de file zich langzaam in beweging. Met een zucht van verlichting drukte Vledder de Volkswagen in zijn eerste versnelling. Via de Reguliersbreestraat, het Rembrandtsplein en de Utrechtsestraat reden ze naar Amsterdam-Zuid. In de Kribbestraat stopten ze en stapten uit. Over het brede trottoir slenterden de rechercheurs naar een bruingelakte deur met ruitjes van geel geribbeld glas en een bescheiden wit emaille bord met zwarte letters.
‘Pastorie,’ las De Cock, ‘van de Nederlandse Hervormde Kerk,’ en drukte op de bel.
In de deuropening, in een verschoten spijkerbroek met grauwe slobbertrui, zag de eerwaarde er veel minder eerbiedwaardig uit, dan in een stemmig zwart pak achter het kathedertje in de aula.
Wat verstoord, met opgetrokken wenkbrauwen, keek de man van De Cock naar Vledder en terug.
‘Waarmee kan ik de heren van dienst zijn?’
Zijn stem klonk onzeker.
De grijze speurder glimlachte.
‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij beminnelijk, ‘met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie.’
‘Politie?’
De Cock knikte overtuigend.
‘Wij wilden eens met u praten over de vele facetten van het vak van dominee.’
De onzekerheid viel van de man af. Zichtbaar. Hij rechtte zijn rug en trok zijn kin iets op.
‘Dominee zijn is geen vak,’ sprak hij strak en berispend. ‘Het is een roeping. Dominees worden door een gemeente be-roe-pen.’ Hij zweeg even en keek de beide rechercheurs schattend aan.
‘U komt bij mij om geestelijk gesticht te worden?’
Het klonk als een grap.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik vrees,’ sprak hij droevig, ‘dat uw stichtende woorden bij ons geen vrucht zouden dragen. Ziet u, wij zijn pure satanskinderen.’ De dominee gniffelde.
‘Is het zo erg?’
De Cock maakte een triest gebaartje.
‘Op het moment dat een man in politiedienst treedt, verpacht hij zijn ziel aan de duivel.’
De dominee toonde verbazing.
‘Ik dacht dat de politie ervoor was om te zorgen dat Gods geboden worden geëerbiedigd.’
De Cock knikte.
‘En juist daarin schuilt de moeilijkheid,’ sprak hij somber. ‘Als de satan de mensen niet zo nu en dan op slechte paden dreef, hadden wij geen werk.’ Hij gebaarde verontschuldigend. ‘Het is een trieste constatering, maar wij danken ons bestaan aan de duivel.’
Vledder grinnikte.
‘En wiens brood men eet, diens woord men spreekt.’
De ogen van de dominee lichtten vrolijk op. Hij toonde duidelijk waardering voor de opmerking van de jonge rechercheur en lachte hartelijk.
‘Onze standpunten zijn dus bepaald,’ reageerde hij opgewekt.
‘Ik spreek namens God en u beiden namens de duivel.’ Hij deed een stap opzij en maakte een lichte buiging. ‘Al haalt men de duivel niet graag in huis… komt u binnen.’
De dominee ging de rechercheurs voor naar een gezellig studeervertrek met een klassiek cilinderbureau, wanden met boeken en vier brede empire fauteuils. Hij wuifde er uitnodigend naar.
Nadat de Cock en Vledder hadden plaatsgenomen, ging hij tegenover hen zitten.
‘Ik heb mij nog niet aan u voorgesteld,’ begon hij vriendelijk. ‘Mijn naam is Wiebe Sijbertsma, maar ik neem aan dat u dat al wist voordat u kwam. Ik neem ook aan, dat uw bezoek… in tegenstelling tot onze… eh, schalkse schermutselingen aan de deur… toch een zakelijk karakter draagt.’ Hij kneep zijn wenkbrauwen iets samen. ‘Als ik mij goed herinner, dan heb ik de beide heren op begraafplaats Zorgvlied bij de teraardebestelling van de heer Van Assumburg van hun belangstelling blijk zien geven.’
De Cock knikte instemmend.
‘Dat is juist. De politie in Antwerpen had ons verzocht om de begrafenis van de aldaar vermoorde Hendrik-Jan van Assumburg bij te wonen. Zuiver een routinekwestie. We hadden ook niet verwacht dat er zich bijzonderheden zouden voordoen.’
‘Deden die zich voor?’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Ik zag aan de groeve een man, van wie ik aannam, dat hij al twee jaar dood was.’
‘Merkwaardig.’
‘Zeker.’
De dominee tuitte zijn lippen.
‘U zorgde wel voor enige opschudding toen u stampend achter hem aan ging.’
De Cock boog zijn hoofd.
‘Daarvoor mijn verontschuldiging,’ reageerde hij nederig. ‘Het lag niet in mijn bedoeling om de plechtigheid te verstoren.’ Hij keek op. Zijn scherpe blik hield de gelaatstrekken van de dominee gevangen. ‘Maar meer nog dan die plotselinge confrontatie met een levende dode, was ik daarvoor getroffen door uw toespraak in de aula.’
‘Hoezo?’
‘Tot mijn verbazing liet u de aanwezigen duidelijk blijken, dat de levenswandel van de verstorvene wel… hoe zal ik dat zeggen… enige vraagtekens opriep.’
‘Dat klopt.’
De Cock glimlachte.
‘Ik neem aan dat u uw woorden zorgvuldig hebt overwogen. Ik wil er niet van uitgaan dat u boosaardig het leven en handelen van de heer Van Assumburg in een kwaad daglicht wilde stellen.’