De Cock en de wurger op zondag
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #2
- Год: 1975
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-2452-5
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de wurger op zondag». Краткое содержание книги:
Met zijn rug nog steeds naar de jongen gekeerd vroeg hij: ‘Waarom ging je naar de vrouwtjes, m’n jong? Heb je geen verkering?’
‘Ik ben verloofd.’
‘Verloofd?’
‘Ja, meneer.’
‘Ik vermoed dat het een bijzonder net meisje is.’ De jongen knikte heftig.
‘Ja, meneer, heel erg netjes.’
De Cock snoof. ‘Zo netjes, dat je met haar over die dingen niet durft praten.’
‘Nee, meneer.’
De Cock draaide zich om en liep langzaam op hem toe. ‘Je zou geen meneer meer zeggen,’ zei hij vriendelijk.
‘Nee, eh…’
‘Mooi,’ zei De Cock en legde een hand op zijn schouder, ‘dan ga je vanmiddag naar je nette verloofde en biecht haar alles op.’
De jongen keek hem verward aan. ‘Alles?’
De Cock knikte met een ernstig gezicht.
‘Alles. Misschien weet zij een oplossing voor je problemen. Stiekeme uitstapjes naar prostituees zijn geen oplossing. Het schenkt geen bevrediging. Het is allemaal maar beschamend en het resultaat?’ De Cock haalde zijn schouders op. ‘Een leeg gevoel van binnen. Meer niet. Bovendien heeft het met echte seksualiteit niets te maken. Het is alleen maar smerig.’
Hij pakte de jongen aan de revers van zijn jasje en hees hem langzaam uit zijn stoel. ‘Praat met haar,’ zei hij vaderlijk.
‘Ja, meneer.’
De Cock knikte. ‘Goed, m’n jong. Ga dan maar naar beneden en vraag aan de wachtcommandant of hij je met een auto naar huis laat brengen.’
‘Ja, meneer.’
De ogen van De Cock begonnen kwaadaardig te flikkeren. ‘En…’ siste hij met opgeheven vinger, ‘als meneer jou nog één keer op de Walletjes ziet, dan breekt meneer persoonlijk je beide benen.’
De jongen keek hem verschrikt aan. ‘Ja… ja, me… meneer,’ stamelde hij en vluchtte haastig de kamer uit.
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Het valt niet mee,’ zuchtte hij, ‘om volwassen te worden.’
Vledder glimlachte. ‘Hebt u seksuele problemen,’ spotte hij, ‘ga naar de Warmoesstraat. De Cock geeft uitkomst.’
‘Barst,’ zei De Cock. Hij wreef met beide handen langs zijn ogen. Het was een loom gebaar. Hij zag er moe en afgetobd uit.
De groeven in zijn gezicht leken nog dieper dan normaal.
‘En,’ vroeg Vledder, ‘wat doen we verder?’
‘Slapen,’ antwoordde De Cock, ‘heel lang slapen. Ik ben zo moe als een hond en zo leeg als een uitgeknepen citroen.’
‘Wat denk je van die jongen?’
‘Als dader? ’
‘Ja.’
‘Niks, helemaal niks. Maar trek voor alle zekerheid zijn alibi na voor de moord op Dikke Sonja.’
Vledder knikte. ‘Kan ik vannacht nog iets doen?’
De Cock zuchtte. ‘Bid voor hun zielenrust.’
Hij plantte zijn hoed op zijn hoofd en met zijn jas onder zijn arm slenterde hij de deur uit. Vledder keek hem na. Verbijsterd.
5
Er viel een miezerig regentje.
Met de handen diep in de zakken van zijn regenjas slenterde De Cock over de smalle Achterburgwal. De kraag van zijn jas stak omhoog en drukte tegen de rand van zijn hoed, een vormeloos oud geval, waaraan hij zeer was gehecht.
Zijn voorkomen had meer weg van een zeerob in ruste dan van een oude, doorgewinterde rechercheur, die zijn sporen reeds lang had verdiend. In zijn typische, wat waggelende gang liep hij voort, een norse trek op zijn gezicht. De gladde straatstenen glommen in het stuntelige licht van een paar druipende lantaarns. Het water van de gracht stonk. In de hoek bij de brug dreef een oude matras. Uit de bomen aan de walkant kletsten dikke druppels op hem neer. Zijn blik gleed omhoog. De oude geveltjes stonden er wat mistroostig bij. Hij was doodmoe thuisgekomen en onmiddellijk in bed gekropen. Om een uur of drie had de commissaris gebeld en hem uitgenodigd voor een bespreking op het bureau. Hij had slaperig geantwoord dat hij zou komen, maar was niet gegaan. Hij hield niet van besprekingen. Ze ontaardden in de regel in zinloos gewauwel en het uitstippelen van een plan. De Cock had een hekel aan plannen. Hij had zo zijn eigen methoden van onderzoek. Na het telefoontje was hij opgestaan en zijn vrouw had een lekker etentje klaargemaakt. Het had hem weer met het leven verzoend.
Op de hoek van de Barndesteeg bleef hij staan, keek omzichtig om zich heen en glipte toen het cafeetje binnen. Het was een ritueel, stammend uit de tijd toen hij als jong agent zijn cafébezoek nog clandestien verrichtte en bedacht moest zijn voor spiedende brigadiers van de controle. Die tijd lag ver achter hem. Hij deed al meer dan twintig jaar dienst bij de recherche.
Maar het ritueel was gebleven.
Toen de dikke, met leer afgezette gordijnen achter hem dichtvielen, verstomden de gesprekken.
Door de stilte stapte hij naar de tapkast en hees zijn zware bovenlijf op een barkruk.
Smalle Lowietje zette een glas voor hem neer en greep onder de bak naar de fles Franse cognac, die speciaal voor De Cock werd gereserveerd.
‘Terug van vakantie?’ Hij schonk handig in. ‘Het is wat hè, met die moorden. We zijn er allemaal vol van.’ De Cock wiste met een zakdoek de regen van zijn gezicht en knikte traag.
Achter hem staarden de bezoekers van het cafeetje naar zijn brede rug. Hij voelde hun stekende blikken. Zijn gezicht was zonder uitdrukking. Hij stak zijn onderlip vooruit en dronk bedaard zijn glaasje leeg. Daarna streek hij met de rug van zijn hand langs zijn brede mond en draaide zich langzaam om. Hij keek naar het rijtje sombere gezichten. Ze waren hem vertrouwd. Hij kende ze, de bonte bevolking van de Walletjes. De branieachtige souteneurs, de louche handelaars en de hoertjes in hun felkleurige japonnetjes.
Blonde Antje stond het dichtst bij hem. Hij strekte zijn armen uit en drukte de toppen van zijn vingers tegen haar slanke hals. ‘Ben jij de volgende, m’n kind?’
Hij grijnsde vriendelijk.
Het meisje slaakte een gilletje en week verschrikt achteruit. De plaatsen waar De Cock haar hals had beroerd, leken gloeiende plekken. Ze sloeg haar beide handen om haar nek en staarde hem aan. Haar blauwe ogen waren groot en angstig.
‘Ik… ik…?’ stamelde ze.
De Cock knikte traag. ‘Ja,’ zei hij. ‘Jij… of iemand anders.’
Bosse Pietje, haar souteneur, wrong zich met zijn brede schouders door de voorste rij. Hij kwam dreigend voor hem staan. Zijn gezicht in woede vertrokken.
‘Ik hou niet van die geintjes!’ schreeuwde hij fel.
‘Je moet ophouden. Je jaagt die meid de stuipen op het lijf.’
De Cock keek spottend omhoog. ‘Zo,’ zei hij, ‘doe ik dat? Weet jij dan zo zeker dat ze niet de volgende is?’
Hij streek met zijn hand langs zijn kin.
‘Het zou een interessante gedachte zijn,’ zei hij peinzend. ‘Ik vraag mij toch wel af waarom jouw Antje niet bij die eerste twee was.’
Bosse Pietje stond perplex. Hij frommelde aan zijn hemd en grinnikte als een verlegen schooljongen.
‘Ja…’ zei Dikke Toontje in een helder moment, ‘daar zeg je zo wat.’ Hij greep de arm van Bosse Pietje. ‘Waarom eigenlijk mijn Gonny wel en jouw Antje niet?’
Ze stonden dreigend tegenover elkaar.
Lowietje achter de tapkast zag het gevaar. Hij liep haastig rond en perste zijn smalle lichaam tussen de beide kolossen.
‘Begrijpen jullie het niet?’ schreeuwde hij. ‘Stommeriken. Begrijpen jullie het niet? Hij wil jullie alleen maar wat op stang jagen. Hij wil jullie wakker schudden. Zijn twee moorden dan nog niet genoeg?’ Het drong langzaam tot hun botte hersenen door. Ze draaiden zich om en keken naar De Cock, die schijnbaar ongeïnteresseerd aan zijn tweede cognacje slurpte.
‘We moeten er wat aan doen,’ zei Bosse Pietje.
De Cock knikte. ‘Probeer een derde moord te voorkomen.’
Plotseling galmde een stem door het rokerige zaaltje. ‘Het-iseen-teken-van-de-hemel,’ klonk het. ‘Een vingerwijzing Gods.’ Bij de deur, tussen de zware gordijnen, stond een oude grijsaard met verwilderde ogen. Vader Mattias.