Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]
- Автор: Мэй Джулиан
- Год: 1986
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- ISBN: 90-274-0547-6
- Переводчик: Wim Gijsen
- Жанр: Научная фантастика
Электронная книга - «Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]». Краткое содержание книги:
Mee Marshak probeerde een paar passen meer vooraan in de rij te komen.
‘Het is hier nogal vol, grote jongen,’ snauwde een mooie vrouw met een donkere huid die uit de Koepel van Genot afkomstig was. De andere twee bewoonsters hadden geen grijze halsringen gedragen en waren al lang verdwenen, weggebracht in de lichters die af en aan voeren tussen Finiah en de andere Rijnoever aan de kant van de Vogezen. De Minderen deden hun belofte van amnestie gestand. Maar wie een halsring droeg, was daarmee niet zo makkelijk klaar.
Marshak wist precies wat er rondom dat inderhaast opgezette oorlogstribunaal aan de gang was. Hij stond nog steeds telepathisch in verbinding met al de andere dragers van grijze halsringen in zijn directe omgeving, tenminste voor zover ze dat contact niet doelbewust hadden uitgesloten zoals die donkere vrouw voor hem had gedaan.
De Tanu, de schenkers van macht en genot, waren gevlucht. Terwijl ze naar het oosten verdwenen, hadden ze nog eenmaal gezamenlijk een aangrijpend vaarwel uitgezonden, strelend, warm, meelevend. En voor een laatste keer hadden ze de neurale netwerken van hen die trouw waren gebleven, overspoeld met een warme vloed van genot, waardoor de gevangen grijze-halsringdragers eerder de sensatie van een feestviering ondergingen dan die van rouw of wanhoop. Zelfs nu, nu alles voorbij was, waren de meesten nog in staat elkaar te troosten. Niemand was eenzaam, tenzij hij dat zelf wilde. De verwantschap bleef. De zwarte vrouw stond nu voor de jury, haar ogen schitterend. Toen die ene vraag werd gesteld, schreeuwde ze haar antwoord bijna. ‘Ja, ja! Bij God! Doe het! Geef me mijn eigen persoonlijkheid terug!’
Bewakers brachten haar weg door een deur aan de rechterkant van de plek waar de jury zitting hield. De rest van de grijzen, de afvalligheid van hun zuster betreurend maar die tegelijk respecterend, reikten met hun geesten voor een laatste maal naar haar. Maar ze weerstond hen allen en legde haar hoofd op het blok. De grote houten hamer kwam neer op de ijzeren beitel en toen was er overweldigende pijn. Daarna stilte.
Nu was Marshak aan de beurt. Als in een droom vertelde hij die jury van Minderen hoe hij heette, wat zijn beroep was geweest tijdens zijn leven in het Galaktisch Bestel, op welke datum hij door de tijdpoort was gegaan. De oudste van de rechters las de formule voor.
‘Moe Marshak, drager van een grijze halsring, je bent door een buitenaards ras in slavernij gehouden en werd gedwongen medeplichtig te zijn aan de onderwerping van de mensheid. Je Tanu-meesters zijn verslagen door een bondgenootschap van Vrije Mensen en Firvulag. Als krijgsgevangene heb je recht op de aangeboden amnestie, op voorwaarde dat je instemt met het verwijderen van de halsring. Wanneer je daarmee niet instemt, zul je worden terechtgesteld. Maak alsjeblieft je keuze.’ Hij koos.
Iedere zenuw in zijn lichaam leek te ontbranden. Liefhebbende geesten schonken vertroosting. Vastbesloten bevestigde hij hun eenheid en een vreugdevolle vlam wiste alle andere sensaties uit: het gezicht van de hologige juryleden, de druk van handen die hem beetgrepen en wegvoerden, de stoot in zijn hart door het lange mes en ten slotte de koude omarming door het water van de Rijn.
Richard stond in de kleine, zwak verlichte en van ruwe balken gebouwde houten kapel in Verborgen Bron waar ze Martha hadden opgebaard. Hij zag haar door een floers van rode nevel, hoewel Amerie geprobeerd had hem gerust te stellen met de mededeling dat zijn rechteroog nauwelijks was beschadigd. Hij was niet boos. Teleurgesteld wel, omdat Marty beloofd had te wachten. Hadden ze niet alles samen al uitgedacht? Hadden ze niet van elkaar gehouden? Het was niets voor haar om hem in de steek te laten na alles wat ze hadden doorgemaakt. Goed, hij zou er wel iets op bedenken.
Licht huiverend van pijn nam hij haar in zijn armen. Zo licht, zo bleek. Ze hadden haar helemaal in het wit gekleed. Bijna struikelend wierp hij de deur open. Hij kon geen diepte zien doordat slechts één oog werkte. ‘Dat hindert niet,’ vertelde hij haar. ‘Ik kan een lap voor mijn oog dragen zoals echte piraten deden. Wacht jij maar af.’
Hij liep slingerend naar de plek waar de machine stond, bedekt door camouflagenetten, een deel van het landingsgestel gebroken en één vleugel flink beschadigd tijdens de noodlanding. Maar een schip met gravo-magnetische aandrijving had geen vleugels nodig en het was nog altijd goed genoeg om hen tweeën te brengen waar ze heen wilden gaan.
Amerie kreeg hem in de gaten net toen hij bezig was Martha naar binnen te tillen. Ze kwam rennend naar hem toe, haar sluier en rokken wapperend achter haar aan. ‘Richard! Stop!’ Oh nee, dat flikje me niet, dacht hij. Ik doe wat ik beloofd heb. Nu zijn jullie het die mij iets schuldig zijn. Omdat de machine scheef stond, was het lastig om Martha naar binnen te krijgen. Hij legde haar zo makkelijk mogelijk neer en smeet de Speer naar buiten met alles wat erbij hoorde. Misschien zou een of andere slimmerik nog uitvinden hoe je dat ding weer opgeladen kreeg. Dan kon Madame Guderian een andere machine bemachtigen om al die andere Tanu-steden plat te branden en de Pliocene Aarde weer veilig te maken voor die goeie ouwe mensheid.
‘Als ik de bus maar niet hoef te rijden,’ mompelde hij. ‘Ik heb andere plannen.’
‘Richard!’ schreeuwde de non nog eens.
Hij wuifde naar haar door het raam vanuit de bestuurderscabine en ging zitten in de geblakerde stoel. Lichten aan. Vloeistof voor het externe krachtveld. De camouflagenetten brandden weg. Oh-oh. Binnen waren alle lampen geel. Misschien iets van kortsluiting door het onweer. Nou ja, het zou lang genoeg meegaan.
Het geruststellende gezoem vervulde zijn hersens terwijl hij het schip horizontaal bracht. Hij keek even om naar Marty om er zeker van te zijn dat ze nog goed lag. Hij kon haar niet al te goed zien, alles was rood voor zijn ogen. Maar dat zou zo over zijn en dat vertelde hij haar ook. ‘We gaan heel langzaam en rustig omhoog. We hebben alle tijd van de wereld.’
Amerie keek toe hoe de vogel met zijn gebroken vleugel verticaal in de gouden ochtend omhoogsteeg. De mist was verdwenen en het zou een prachtige dag worden. In het oosten pakten wolken zich samen, maar winden in de hogere luchtlagen voerden die af in tegengestelde richting.
Het vliegtuig bleef stijgen tot het nog maar een vlekje was. Amerie knipperde met haar ogen en toen werd de vlek onzichtbaar tegen het heldere gewelf van de hemel.
Het tweede boek van de vierdelige romanserie over de Sage van de Pliocene Ballingschap, getiteld DE GOUDEN HALSRING behandelt de avonturen van de overige leden van Groep Groen in de hoofdstad van de Tanu en over hun vereniging met de mensen in het noorden in een poging om gezamenlijk de laatste fasen van het plan van Madame Guderian ter bevrijding van de Pliocene mensheid te doen slagen.
Appendix
De woorden van ‘Het Lied van de Tanu’, op bladzijde 390 van dit boek vormen een vrije bewerking uit Gods and FightingMen: The story of the Tuatha de Danaan and of the Fianna of Ireland, een bloemlezing van Keltische mythen, vertaald en ‘bewerkt’ door lady Augusta Gregory (New York, Charles Scribner’s Sons, 1904).