Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]
- Автор: Мэй Джулиан
- Год: 1986
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- ISBN: 90-274-0547-6
- Переводчик: Wim Gijsen
- Жанр: Научная фантастика
Электронная книга - «Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]». Краткое содержание книги:
Toen braken de mensen, die tot nu toe als bevroren hadden gestaan, in luid gejuich uit. Verschillenden van hen huilden terwijl ze naar voren renden en de kleine brandjes uittrapten die door de hitte van het rho-veld waren ontstaan. Het luik ging open en de ladder gleed naar buiten. Langzaam kwam Madame Guderian naar beneden. Amerie zei: ‘Welkom thuis.’ ‘We hebben het meegebracht,’ zei Madame. ‘Alles is klaar. Precies volgens plan.’
De lamme Miz Cheryl-Ann die 203 was en bijna blind, greep een van Madames handen en kuste die, maar de Française leek het nauwelijks te merken. Van boven kwam een waarschuwend geroep. Een draagbaar werd zichtbaar die door Felice en Richard langzaam neer werd gelaten.
Madame zei enkeclass="underline" ‘Je bent nodig, Zuster.’ Toen draaide ze zich om en liep als verblind naar haar huis. Amerie knielde neer en nam een van Martha’s benige polsen in haar hand. Richard stond ernaast in zijn verkreukelde piratenhemd en vies geworden leer, de vuisten gebald, tranen langs zijn door de zon geblakerde wangen.
‘Ze wilde niet dat we teruggingen voor de Speer helemaal goed werkte. En nu is ze bijna doodgebloed. Help haar, Amerie.’ ‘Volg me maar,’ zei de non. Allemaal gingen ze achter Madame aan, de baar tussen hen in dragend terwijl Claude achterbleef om erop toe te zien dat de grote, zwarte roofvogel veilig werd toegedekt voor de nacht.
10
Voor de dageraad werd er een mis gehouden en daarna gebruikte Madame haar verreikende vermogens om eenmaal het raadselachtige ‘wij komen’ uit te zenden dat bestemd was voor Pallol en dat ervoor moest zorgen dat de invasievloot gereed was oni toe te slaan na het bombardement op Finiahs muren. De zonsopgang was minder dan een uur verwijderd en als vorige gelegenheden enige garantie boden dan moest Heer Velteyn en de leden van zijn Vliegende Jacht nu terug zijn in hun versterking na hun nachtelijke rooftocht.
Claude liep bijna aan het einde van de stoet die op weg was naar de vlieger en wilde maar dat Felice haar mond hield. Ze was andermaal gekleed in haar zwartleren ringhockey-uitrusting, die door de ambachtslui van Oude Man Kawai schitterend was hersteld en ze was wild van opwinding en vrees dat ze de oorlog zou mislopen.
‘Ik neem helemaal geen ruimte in. En ik zweer dat ik geen woord zal zeggen tijdens de vlucht. Claude, je moet me laten meegaan! Ik kan niet wachten tot na de aanval. Wat moet ik beginnen als jullie niet terugkomen?’
‘Als Velteyn de machine te pakken krijgt, ga jij er ook aan.’ ‘Maar als dat niet zo is, kun je me net buiten Finiah aan de grond zetten! Laten we zeggen aan de landkant van het schiereiland. Ik zou mee kunnen doen met de tweede aanvalsgolf van de Firvulag. Alsjeblieft, Claude!’
‘De Jacht heeft ons dan al misschien in de gaten. Landen zou dan op zelfmoord neerkomen en dat is niet de bedoeling van dit alles. Tenminste niet voor mij en evenmin voor Madame Guderian. Finiah is maar het begin van onze oorlog. En Richard heeft nu Martha om voor in leven te blijven.’
Voor hen uit waren de dorpelingen al bezig de netten van de zwarte vogel te halen. Enkele kaarsen lichtten op in de mist waar Amerie bezig was de machine te zegenen. Felice zei: ‘Ik zou je met de Speer kunnen helpen, Claude. Je weet wat een ellendig groot ding dat is. Ik zou kunnen helpen.’ Ze klemde zich aan zijn hemd vast zodat hij abrupt kwam stil te staan. Hij greep haar bij de schouders.
‘Luister nou toch, meisje! Richard barst van de zenuwen. Hij heeft vierentwintig uur niet geslapen en is half gek van angst om Martha. Zelfs met de transfusies die Amerie haar heeft gegeven, heeft ze maar vijftig procent kans om het te overleven. Nu moet Richard een oorlogsvlucht maken in een toestel dat hij amper kent met twee oude gekken in zijn gezelschap en een geweldige druk op zijn geest omdat de hele toekomst van de mensheid hier in het Plioceen daarvan afhangt. Je weet hoe hij over je denkt. Je zou de druppel kunnen zijn die zijn emmer doet overlopen. Je zegt dat je uit de weg zult blijven. Maar ik weet dat je dat niet zult doen als het echt spannend wordt. En daarom blijf jij hier! Wij doen wat we doen moeten en maken dan dat we wegkomen. Met een beetje geluk zal Velteyn niet eens weten waarheen. Daarna komen we terug en halen jou op. Als we het halen, dan beloof ik je dat we je op het slagveld brengen een uurtje nadat de eerste aanval is begonnen.’
‘Claude ... Claude . ..’ Haar gezicht gluurde door de T-vormige opening van de zwarte hoplietenhelm. Paniek en woede en een nog vreemdere emotie leverden daar strijd met haar verstand. Claude wachtte af, biddend dat ze hem niet zou aanvliegen. Maar hij was zo doodop van vermoeidheid dat het hem nauwelijks meer kon schelen of ze hem tegen de grond sloeg en de anderen zou dwingen zijn plaats aan haar af te staan. Ze was ertoe in staat, maar ze wist ook dat hij de beste schutter was. ‘Oh, Claude.’ De van woede fonkelende ogen sloten zich. Tranen kwamen onder de wangstukken van haar helm te voorschijn en de groene pluimen zakten, terwijl ze zich van hem loswrong en terugrende naar het huis van Madame.
Hij zuchtte diep. ‘Zorg dat je klaar bent als we terugkomen!’ riep hij haar achterna en haastte zich toen naar de anderen die al wachtten.
De grote vogel kroop steeis uit zijn schuilplaats te voorschijn. Toen hij in open ruimte was, steeg hij in de vroege ochtendhemel omhoog als een vonk die door een onzichtbare schoorsteen raasde, in één keer een hoogte bereikend van vijfduizend meter. Angélique Guderian stond naast Richard, zich met één hand vastklampend aan de achterkant van zijn stoel terwijl ze met de andere haar halsring vasthield. Richard had zijn oude ruimtevaartoveral aangetrokken. ‘Heb je ons verborgen, Madame?’ vroeg hij. ‘Ja,’ antwoordde ze zwak. Ze had sinds hun terugkeer nauwelijks meer een woord gezegd. ‘Claude. Ben jij klaar?’ ‘Zodra je het sein geeft.’ ‘We zijn op weg!’
Een halve seconde later rolde het luik geruisloos open. Ze hingen bewegingloos boven een patroon van microscopisch kleine juwelen, dat in zijn geheel ruwweg de vorm had van een kikkervisje wiens staart aansloot bij de oostelijke oever van de Rijn. Het patroon schoot snel op hem af terwijl de machine naar beneden kwam en tweehonderd meter boven het hoogste gebouw doodstil bleef hangen.
‘Geef ze ervan langs,’ zei Richard.
Claude bracht de grote Speer in positie en richtte op de lijn van twinkelende lichtjes die de stadsmuur aan de kant van de Rijn markeerde. Ergens in de grijze mist aan de overzijde van de rivier wachtte een heel flottielje van Firvulag-schepen, volgeladen met mensen en buitenaardse krijgers. Houd haar iets lager, oude man. Je hebt geen trek om je eigen mensen uit het water te koken.
Hij nam de veiligheidspal weg en legde die opzij. Daar .. . precies daar. Druk op de tweede knop.
Een dunne straal groenwit licht schoot geluidloos naar beneden.
In de diepte bloeide even een kleine oranje bloem, maar de slinger van lichten op de muur bleef ongeschonden. ‘Shit!’ riep Richard uit. ‘Je miste. Iets hoger.’ Bedaard richtte Claude opnieuw en drukte weer de knop in. Ditmaal geen uitbarsting van oranje vuur, maar enkei een dofrode gloed. Misschien een dozijn van de lampen werd erdoor verzwolgen.
‘Heej-ho! Hebbes!’ krijste de piraat. ‘Je hebt het geflikt, Claude, m’n jongetje! Nu naar de achterdeur.’
De machine draaide zich om haar verticale as en Claude richtte nu op een punt dicht bij de basis van de staart van de kikkervis. Hij vuurde en miste. Te hoog. Hij vuurde en miste weer ... te laag.
‘Jezus, schiet op!’ maande Richard.
De derde keer was het raak. Een deel van de muur smolt weg op de plek waar de verhoogde weg over de hals van het schiereiland naar de vulkanische rotsen liep.
Madame kreunde. Claude voelde hoe drakeklauwen naar zijn ingewanden graaiden.