Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]
- Автор: Мэй Джулиан
- Год: 1986
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- ISBN: 90-274-0547-6
- Переводчик: Wim Gijsen
- Жанр: Научная фантастика
Электронная книга - «Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]». Краткое содержание книги:
. . Ze verwijdert zich snel, Heer Velteyn. Ah, Tana, met wat voor onvoorstelbare snelheid! Ze verdwijnt achter de Vogezen en buiten mijn waarneming. Mijn Heer, wanneer ik naar grotere hoogte zou stijgen ...
Blijf, Kamilda. Dringender gevaren dreigen beneden ons. Kijk, allemaal! Zie wat de Aartsvijand heeft aangericht! O de schande, de pijn, de verwoesting! Allemaal naar beneden. Ieder van jullie voert een groep bereden krijgers aan om onze Stad van Lichten te verdedigen. Na bardito! Na bardito taynel o pogeköne!
Het gevecht verplaatste zich gestaag landinwaarts. Twee uur na de dageraad liep de voorste gevechtslinie dwars door de tuinen van de Koepel van Genot en door de buitenwijken van de Tanu.
Moe Marshak had zijn verdover meerdere malen herladen uit de wapens van zijn gevallen kameraden. Hij had de opzichtige versiering van zijn helm gerukt en was meerdere malen door de modder gerold om de glans van zijn kuras minder in het oog te laten lopen. Anders dan zijn minder fortuinlijke kameraden was hij al snel tot de conclusie gekomen dat de Firvulag in staat waren telepathische communicatie op te sporen en dus deed hij geen enkele poging om zijn officieren te benaderen voor nieuwe orders. Zo rustig mogelijk blijvend, ging hij in zijn eentje zijn gang en bleef uit de buurt van de monsters terwijl hij door zijstraten sloop. Minderen met koele bekwaamheid neerschoot en hysterische rama’s en burgers zoveel mogelijk ontliep. Hij had zeker al een vijftiental vijanden neergelegd plus nog eens twee burgers zonder halsring die hij erop betrapte wapens te willen stelen van gevallen kameraden.
Nu slipte hij steels over een lange veranda die aan het uiterste einde van de Koepel van Genot liep. Hij hoorde het duidelijk te onderscheiden krijgsgehuil van de Minderen en verborg zich achter dicht struikgewas dat als versiering diende terwijl hij een van de zaagvormige oorlogspijlen op zijn boog legde. Het volgende ogenblik werd hij onverwachts afgeleid door lawaai uit het gebouw. Het gebrandschilderde glas van een paar deuren vijf meter bij hem vandaan versplinterde door de inslag van een of ander zwaar voorwerp. Er weerklonken kreten en een laag gerommel. Lange handen vol ringen vochten met de ontwrichte deursluitingen. Andere handen verbogen het overgebleven frame van metaal. Marshak stond onder zo’n hoek dat hij niet precies kon zien wie daarbinnen waren opgesloten, maar hun kreten van angst en ontzetting bereikten zowel zijn oren als zijn geest.
‘Help! De deur zit vast! En het komt eraan!’ Help ons! Helphelphelp ons HELP ONS! De mentale, dringende oproep van een Tanu klauwde in Marshaks bewustzijn. Zijn grijze halsring dwong hem te gehoorzamen. Zijn schuilplaats in de steek latend, rende hij naar de deur.
Aan de andere kant, tegen het verbogen koperwerk van de deur gedrukt, stonden drie vrouwelijke bewoonsters van de Koepel van Genot en hun grote klant, een Tanu wiens violette en gouden overkleed duidelijk maakte dat hij een lid was van hun Mentale Gilde. Hij bezat blijkbaar niet voldoende dwingende of psychokinetische vermogens om de verschijning af te weren die nu op de drempel van een binnendeur stond, gereed om aan te vallen. De Firvulag zag eruit als een groot roofinsekt, een onderwaterdier met blikkerende, scheermesscherpe klauwen. De kop van het monster was een meter in omvang, terwijl het lange, uit segmenten opgebouwde lichaam, slijmerig van een of andere stinkende afscheiding, de hele gang daarachter leek te vullen. ‘Tana zij gedankt,’ schreeuwde de Tanu. ‘Vlug, man! Richt op zijn nek.’
Marshak hief zijn boog, veranderde iets van positie om de worstelende vrouwen te vermijden en schoot. De met glas bedekte schacht zonk bijna over de volle lengte tussen de chitineplaten die de knippende kaken bedekten. Marshak hoorde hoe de Firvulag een telepathisch gebulder losliet. Zonder zich te haasten legde hij achter elkaar nog twee pijlen op zijn boog en schoot die af in de glinsterende oranje ogen. De insektevorm loste op, werd doorzichtig ... toen was het afschuwelijke ding verdwenen en in plaats daarvan lag een dwerg in een zwarte wapenrusting van obsidiaan op de vloer; dood, keel en oogkassen doorboord. De soldaat gebruikte zijn korte zwaard van vitredur om de vernielde grendels open te krijgen. Rillingen van genot, in werking gesteld door de dankbare buitenaardsen, gleden door de zenuwen van zijn bekken en vormden de gebruikelijke, zoete beloning. Toen de edelman en zijn ontdane gezelschap waren bevrijd, groette Marshak, de rechtervuist tegen de borst gebald.
‘Ik ben tot uw dienst, Verheven Heer.’
Maar de Tanu aarzelde. ‘Waar moeten we heen? De weg naar het paleis van Velteyn is afgesneden!’ De afwezige uitdrukking op zijn gezicht liet zien dat hij bezig was de omgeving met zijn geest te verkennen.
‘We kunnen niet terug naar binnen,’ zei de kleinste van de bewoonsters van de Koepel. ‘Die verdomde schoften komen uit alle kieren en gaten te voorschijn.’
‘Oh, Heer Koliteyr,’ piepte een huilerige blondine. ‘Red ons.’ ‘Stilte!’ eiste de Tanu. ‘Ik probeer het... maar niemand geeft aan mijn oproep gehoor.’
De derde vrouw, mager en met doodse ogen, haar provocerende kleding half van haar benige schouders gescheurd, zonk neer op de bestrating en begon te lachen.
Koliteyrs mond viel open. ‘De Koepel is omsingeld. Ik roep . .. maar de ridders van Heer Velteyn bevinden zich in het heetst van de strijd!. . . Aha ... de indringers deinzen terug voor de wilskracht van de Tanu-cavalerie. De Godin zij gedankt, er zijn er velen die machtiger zijn dan ik.’
Er weerklonken brekende geluiden vanuit het binnenste van de Koepel. Ver geschreeuw kwam snel dichterbij. Er brak nog meer glas en ze hoorden een ritmisch gebeuk. ‘Ze komen! De monsters komen!’ Opnieuw brak de blonde in hysterisch gehuil uit.
‘Soldaat, jij moet ons leiden.’ De Tanu fronst zijn voorhoofd en schudde zijn hoofd alsof hij het helderder wilde maken. ‘Leid ons naar de Noordelijke Waterpoort! Misschien is er een boot.. .’ Maar het was te laat. Dwars door de tuin, bloembedden en struiken vertrappend op hun weg, kwam een wanordelijke strijdmacht van ongeveer twintig Minderen, aangevoerd door een halfnaakte rode man van reusachtige afmetingen. Marshaks hand rustte als bevroren tegen het gevederde uiteinde van de pijl. De meesten van de indringers droegen bogen die net zo goed waren als de zijne en ze waren schietklaar. ‘Geef je over!’ schreeuwde Peopeo Moxmox Burke. ‘Amnestie voor alle mensen die zich vrijwillig aan ons overgeven.’ ‘Terug!’ schreeuwde de Tanu. ‘Ik… ik zal jullie geesten leegbranden. Jullie waanzinnig maken!’
Commandant Burke lachte. Zijn beschilderde gezicht, omringd door slierten grijs haar, zag er dreigender uit dan de fantomen die de Firvulag schiepen. De buitenaardse man wist dat zijn bluf nergens toe diende en hij wist evengoed dat er geen genade zou zijn voor de leden van zijn ras.
Marshak bevelend om de anderen tot de dood te verdedigen, probeerde Koliteyr te vluchten. De ijzeren tomahawk wentelde door de lucht en kliefde het hoofd van de Tanu eer hij twee stappen had gezet.
Marshak ontspande zich. Hij liet pijl en boog op de tegels vallen en wachtte de nadering van de Minderen in een verlammende stilte af.
Het strategische belang van de bariummijn was Sharn-Mes duidelijk geworden op een van de voorbereidende besprekingen die de mensen voor de invasie hadden gehouden. Ze hadden de generaal van de Firvulag duidelijk gemaakt dat het verwoesten van die mijn belangrijker was dan de vernedering van de gehate Aartsvijand. Wilde het grote plan van Madame Guderian lukken, dan was het noodzakelijk dat de toevoer van barium, nodig voor de vervaardiging van de halsringen, volstrekt werd afgesneden.
Kort voor het middaguur, terwijl Sharn met Bles en Nukalavee een adempauze hielden in een inderhaast in elkaar gezette commandopost die goed voorzien was van veroverd bier, kwam er een Firvulag-verkenner met belangrijk nieuws. De Machtige Ayfa en haar vleesetende krijgsvrouwen hadden een succesvolle aanval gedaan door de oostelijke muurbreuk en zwermden nu uit over het gebied rondom de mijn. Daarbij was gebleken dat de gesmolten lavarots, die door de schoten van Claude met de Speer was losgemaakt, de hoofdingang naar de mijn had afgesloten. De raffinaderij en het hele complex waarin menselijke arbeidskrachten en rama’s waren ondergebracht, was daardoor levend begraven en de rest van de vloeibare massa was nog over geruime afstand door de straten gevloeid alvorens te stollen. Maar het administratiegebouw met de rijke voorraad puur barium stond nog stevig overeind. De plek was volledig omringd door zwarte, stomende lava dat langzaam tot sintels begon af te koelen en waarvan het vurige binnenste alleen nog door scheuren in het materiaal waarneembaar was. Er waren nog steeds ingenieurs van de Tanu in het gebouw, onder hen iemand met creatieve wilskracht van de eerste orde. Ayfa en haar strijdmacht hadden die intelligentie wel moeten opmerken toen een onverwachte lichtflits van psycho-energie een van de verkenners tot een rokende spaander had verbrand, daarbij de Verschrikkelijke Skathe op een haar na missend. Zij met de snuffeltanden en de druipklauwen had een psychisch veld geschapen waarachter de overlevenden veilig waren geweest tot ze zich wanordelijk buiten mentaal bereik hadden teruggetrokken. ‘En dus wacht de Machtige Ayfa op uw suggesties, Grote Kapitein,’ besloot de verkenner.