Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]
- Автор: Мэй Джулиан
- Год: 1986
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- ISBN: 90-274-0547-6
- Переводчик: Wim Gijsen
- Жанр: Научная фантастика
Электронная книга - «Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]». Краткое содержание книги:
Amerie streelde de kat. ‘Wanneer ze voor de dageraad komen, kan de aanval nog steeds beginnen volgens het tweede schema.’
‘Als ze komen. Heb je nagedacht over het navigatieprobleem? Richard moet eerst naar Verborgen Bron komen. Maar hoe zal hij dat vinden? Vanuit de lucht lijken al die kleine valleien ongetwijfeld op elkaar en het onze ligt verborgen vanwege de Jacht. Richard zal onze kloof niet kunnen vinden, zelfs niet bij daglicht wanneer hij op grote hoogte aankomt. En hij zal niet laag durven vliegen omdat de vijand hem anders zal opmerken.’ Amerie was geduldig. ‘Madame zal het schip met haar mentale kracht verbergen, dat spreekt toch vanzelf? Bedaar toch! Al die zorgen doetje gezondheid geen goed. Hier ... streel de kat. Dat is heel rustgevend. Wanneer je haar vacht streelt, maak je negatieve ionen los.’ ‘Ah so desu ka?’
‘We moeten hopen dat het vliegtuig is uitgerust met een infrarood scanner voor nachtvluchten, precies zoals de onze dat waren in de 22e eeuw. Zelfs nu alle strijders vertrokken zijn, hebben we nog steeds dertig warme lichamen in het dorp over. Richard zal ons weten te vinden.’
Oude Man Kawai zoog zijn adem naar binnen. Een verschrikkelijke gedachte van een heel andere aard kwam in zijn hoofd op. ‘Dat verbergen van het vliegtuig met psychische krachten! Wanneer het volume groter is dan tien kubieke meter, dan zal het haar niet lukken om dat helemaal onzichtbaar te maken. Ze zal het alleen maar zo’n beetje kunnen verbergen en dan moeten we maar hopen dat de Tanu hun waarnemende vermogens daar niet al te grondig op richten. En wat gebeurt er wanneer de machine zo groot is dat haar vermogens totaal ontoereikend zijn om een aanvaardbare illusie te scheppen?’ ‘Ze zal er iets op weten te vinden.’
‘Het is een groot gevaar,’ bleef hij klagen. De kleine kat keek hem met een blik vol lijden aan terwijl zijn hand nerveus op haar vacht klopte. ‘De Vliegende Jacht zou de machine nog kunnen ontdekken terwijl ze hier aan de grond staat! Velteyn hoeft alleen maar omlaag te komen om mijn camouflagenetten van dichtbij te bekijken. Dat zijn dingen van niks.’ ‘Goed genoeg om haar een nacht te verbergen. En Velteyn heeft geen nachtogen. Hij komt bovendien tegenwoordig nooit zo ver naar het westen. Schei uit met je gezeur! Je krijgt nog een hartaanval. Waar is je jiriki?’
‘Ik ben een dwaze, onbruikbare oude man. Ik zou hier helemaal niet zijn als ik wist hoe ik mezelf met Zen in de hand moest houden ... De netten ... als die niet aan hun doel beantwoorden, ‘is het allemaal mijn schuld! Wat een schande!’ Amerie zuchtte van uitputting en gooide de kat naar Kawai. ‘Neem Deej mee naar het huis van Madame en geef haar wat van de overgebleven vis. Dan neem je haar op schoot, je sluit je ogen en je streelt haar en je denkt alleen maar aan al die prachtige driedimensionale films die in Osaka van je produktielijnen kwamen.’
De oude man giechelde. ‘Dat klinkt als een surrogaat voor schapen tellen. Yatte Mimasu! Misschien zal ik er rustiger van worden. Zoals je zegt, er is nog tijd over voor de aanval. . . kom mee, poes. Je mag je waardevolle negatieve ionen met mij delen.’ Hij strompelde weg, maar keerde zich na een paar stappen weer om met een slimme grijns op zijn gezicht. ‘We blijven een verschil van mening houden. Vergeef me mijn gepronk met verouderde technische kennis, Amerie-san. Maar zelfs de grootste domkop op het gebied van elektronica weet dat negatieve ionen nooit hetzelfde kunnen zijn als kat-ionen!’ ‘Maak dat je wegkomt, Oude Man!’ Giechelend verdween hij in het huisje.
Amerie begon door de kloof te lopen, langs de hutten en de huizen, knikkend naar de weinige mensen die, net als zij, de verleiding niet konden weerstaan de hemel af te speuren in hoop en afwachting.
De allerlaatste van de gezonde mannen en vrouwen waren drie dagen eerder onder bevel van Uwe afgemarcheerd en het tijdstip voor een veel gunstiger tweedaagse aanval was al lang verstreken. Maar er was nog altijd tijd om een aanval van één dag te lanceren. Het was nog altijd mogelijk dat morgen bij de dageraad menselijke wezens zich voor het eerst zouden verenigen om hun onderdrukkers uit te dagen.
Oh Heer, laat het lukken. Laat Madame en al de anderen hier op tijd aankomen!
Het werd koeler terwijl de zon onderging en spoedig zou de thermiek—die omhooggerichte stromen van hete lucht—zover afnemen dat de roofvogels gedwongen werden naar de aarde terug te keren. Amerie zocht haar eigen, geheime plek op onder een lage jeneverbes met brede takken waar ze met haar ogen op de hemel gericht ging liggen om te bidden. Het was zo’n mooie maaruljeweest! Haar arm was snel genezen en al de mensen ... Ah, Heer, wat was ze dom geweest om te denken dat ze kluizenares wilde worden. De bevolking uit het dorp en al de andere bannelingen in de omgeving hadden haar nodig als arts, als raadsvrouwe en als vriendin. Onder hen was ze het werk begonnen waarvoor ze was opgeleid. En wat was er overgebleven van die ontwortelde vrouw die zichzelf wilde straffen door weg te vluchten in de eenzame gevangenis van het Plioceen? Hier kon ze de heilige mis opdragen, mediteren in de stilte van het woud, maar wanneer de mensen haar nodig hadden, was ze beschikbaar, zoals die anderen er waren wanneer zij hen nodig had. Haar droom was in vervulling gegaan, ook al was het anders gelopen dan ze zich had voorgesteld. Voor het eerst had de taal waarin ze bad de kracht van het levende woord.
Ik plaats mijn vertrouwen in de Heer! Wie durft tegen mijn ziel te zeggen:
vlieg heen als een kraai naar de bergen, want zie ... de bozen hebben hun bogen gespannen en hun pijlen opgelegd, om in de nacht de goeden te doorboren; zij hebben alles verwoest wat juist was omdat rechtvaardigen het kwaad lieten geschieden!
Maar de Heer test de rechtvaardigen en de bozen; Hij haat de wettelozen, de minnaars van het kwaad. Vurige kolen en brandende zwavel zal Hij op hen doen neerdalen!
Een machtige wind zal hen straffen…
De lammergier vloog weg naar zijn horst tussen de hoge rotsen en de adelaars daalden af naar de nesten in hun bomen. Nog een uur en de zon zou onder zijn. De wouwen verspreidden zich, ze zouden hun honger met insekten moeten stillen en zelfs de buizerds verdwenen als laatsten, zich misschien wel afvragend wat hen er allemaal toe had gebracht zoveel tijd te verspillen in de hoop op een prooi die uitbleef. Alleen die ene cirkelde nog hoog in de lucht, volstrekt ongevoelig voor het verdwijnen van de thermiek.
Amerie keek naar hem, liggend onder haar boom. Ze keek naar die ver verwijderde vlek die eindeloos cirkelde, die al de andere naar zich toe had getrokken en hen toen had teleurgesteld. De vogel op bewegingloze vleugels.
Met bonzend hart krabbelde ze overeind en rende terug naar de kloof om al de anderen te waarschuwen.
‘Terug! Raak niets aan voor het veld is uitgeschakeld. In godsnaam!’ schreeuwde iemand.
Het geweldige ding, nog steeds zwak purper nagloeiend, leek heel het laagste deel van de kloof te vullen. Het was omlaaggekomen zodra de hemel volledig was verduisterd, geluidloos als een fluistering, maar toch nog een luchtstroom voor zich uitduwend die het vlechtwerk van takken van de daken trok en de ganzen van de arme oude Peppino als bladeren in een storm van hun poten gooide. Twee meter boven de hoogste bomen was het doodstil blijven hangen, de neerwaarts gerichte neus, de vleugels als van een meeuw en de waaierstaart badend in een krioelend netwerk van nauwelijks zichtbaar vuur. De Oude Man Kawai, nu efficiënt en zelfverzekerd, zorgde ervoor dat de overige dorpelingen klaarstonden met de camouflagenetten. Allemaal wachtten ze af, stil van bewondering, terwijl het zwevende ding zijn grote vleugels langs de dertig meter lange romp vouwde en behoedzaam naar beneden zakte. Het kwam enigszins schuin tussen een paar grote pijnbomen terecht waar de bodem vrijwel onbegroeid was, leek nog een tel te aarzelen voor het helemaal bij de grond was en strekte toen zijn lange poten uit. Er klonk een luid gesis, een paar struiken begonnen te smeulen en vlagen rook kronkelden over de voetpaden. De huid van de vogel verkleurde tot doods zwart.