Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Vier of vijf dagen zouden beter zijn,’ peinsde Sheriam, naar de stapel papieren op haar schoot kijkend. Ze was enigszins gezet, had scherp afgetekende jukbeenderen en schuin staande groene ogen, en met haar diepgroene rijkleding slaagde ze erin zowel indrukwekkend als verfijnd te lijken, al zat ze op een wankel krukje voor de tafel. Indien ze haar smalle blauwe stola van Hoedster der Kronieken zou verruilen voor die van Amyrlin, zou iedereen aannemen dat zij de echte Amyrlin was. Soms leek ze hartgrondig van mening dat de gestreepte stola op haar eigen schouders rustte. ‘Misschien wat langer. Het zou niet slecht zijn als we onze voorraden weer aanvulden.’
Siuan, gezeten op het andere gammele krukje, schudde licht haar hoofd, maar die aanwijzing had Egwene niet nodig. ‘Eén dag.’ Ze mocht dan net achttien zijn en nog lang niet zo groots en waardig als een echte Amyrlin, maar ze was geen dwaas. Er waren te veel zusters die elke smoes om te stoppen zouden aangrijpen en onder hen waren te veel Gezetenen. Wanneer ze ergens te lang bleven, zou het weleens onmogelijk kunnen zijn hen nog in beweging te krijgen. Niettemin wilde Sheriam wat zeggen.
‘Eén, dochter,’ zei Egwene vastbesloten. Sheriam mocht van alles denken, Sheriam Bavanar was Hoedster en Egwene Alveren Amyrlin. Het zou fijn zijn als Sheriam dat eindelijk eens inzag. En de Zaal van de Toren was nog erger. Ze wilde snauwen of grauwen of iets gooien, maar na krap anderhalve maand had ze ruimschoots ervaring opgedaan in het effen houden van haar gezicht en stem, zelfs bij nog grotere uitdagingen dan deze. ‘Als het langer duurt, eten we het land hier helemaal kaal en ik wil geen mensen achterlaten die van honger sterven. Nuchter bezien kunnen zij ons honderden problemen bezorgen als we te veel van hen meenemen, zelfs als we ervoor betalen.’
‘Roofovervallen op vee en pluimvee en dieven bij de voorraadwagens,’ mompelde Siuan. Ze bestudeerde nauwlettend haar grijze broekrok en keek niemand aan; ze leek hardop te denken. ‘Neergeschoten wachtposten, de rode haan in voorraden waar ze bij kunnen komen. Een slechte zaak. Hongerige mensen worden snel wanhopig.’ Het waren dezelfde redenen die Garet Brin aan Egwene had gegeven en in bijna dezelfde bewoordingen.
De vrouw met het vlammend rode haar keek Siuan hard aan. Veel zusters hadden het moeilijk met Siuan. Ze had waarschijnlijk het bekendste gezicht in het kamp, jong genoeg om bij de kleren van een Aanvaarde te passen of zelfs van een novice. Dat was een gevolg van het sussen, al hadden weinigen dat geweten. Siuan kon amper een stap doen zonder dat zusters haar aanstaarden. Zij was eens Amyrlin Zetel geweest, toen afgezet en gesust, vervolgens geheeld en weer in het bezit van enig vermogen, terwijl iedereen had aangenomen dat zoiets onmogelijk was. Velen verwelkomden haar terugkeer. Om haarzelf, omdat ze er weer bij hoorde, en om het wonder dat hoop verschafte voor iets wat elke Aes Sedai erger vreesde dan de dood. Er waren echter evenveel of nog meer zusters die er lauw tegenover stonden, of op haar neerkeken, of allebei. Zij gaven haar de schuld van de huidige toestand.
Sheriam was een van de zusters die vonden dat Siuan slechts zaken als omgangsregels en optreden aan de nieuwe Amyrlin moest leren en net als iedereen nam ze aan dat Siuan daar een hekel aan had. Verder diende ze gewoon haar mond te houden, tenzij haar iets werd gevraagd. Ze was minder dan ze was geweest, geen Amyrlin meer en lang niet meer zo’n sterke geleider. Aes Sedai vonden dat geen wrede houding. Het verleden was voorbij en het heden moest worden aanvaard. Al het andere gaf slechts meer pijn. Heel geleidelijk en aarzelend lieten Aes Sedai een verandering toe, maar als ze dat eindelijk hadden gedaan, deden ze vaak net alsof het altijd zo geweest was.
‘Een dag, Moeder, zoals u zegt.’ Eindelijk slaakte Sheriam een zucht en boog even haar hoofd. Egwene dacht dat het niet zozeer uit onderdanigheid was, maar meer om een grimas te verbergen vanwege haar koppigheid. Ze zou de grimas best willen aanvaarden als Sheriam het met haar eens was. Voorlopig moest ze het nog slikken.
Siuan boog eveneens haar hoofd, om een glimlach te verbergen. Een zuster kon elke post toegewezen krijgen, maar de onderlinge verhoudingen waren heel strikt en Siuan stond nu veel lager dan vroeger. Dat was een van de redenen.
De papieren op Sheriams schoot waren dezelfde als die van Siuan en die op de tafel voor Egwene. Allerlei verslagen, vanaf het aantal kaarsen en zakken met bonen in het kamp, tot aan de gezondheid van de paarden, en hetzelfde voor Garet Brins leger. Het legerkamp lag in een ring om het Aes Sedai-kamp, met ruim twintig stappen ertussen, maar in veel opzichten hadden ze ook een span van elkaar kunnen liggen. Het was verrassend dat heer Brin er evenzeer op stond als de zusters. De Aes Sedai wilden geen krijgslieden tussen hun tenten; ze vonden het een stel ongewassen en ongeletterde vechtersbazen, vaak met rappe vingers. En blijkbaar wilden de krijgslieden geen Aes Sedai tussen hün tenten – al waren ze zo verstandig hun redenen voor zich te houden. Ze trokken op naar Tar Valon om een dwingeland af te zetten en Egwene Alveren op de Amyrlin Zetel te plaatsen, maar weinig mannen voelden zich echt ontspannen in de nabijheid van Aes Sedai. Dat gold trouwens ook voor vrouwen.
Sheriam zou maar al te gelukkig zijn als ze deze onbelangrijke zaken van Egwene kon overnemen. Ze had dat ook gezegd en uitgelegd hoe onbelangrijk ze waren en dat de Amyrlin Zetel niet de last behoorde te dragen van alledaagse dingetjes. Siuan stelde daarentegen dat een goede Amyrlin juist aan zulke zaken aandacht schonk, maar niet om het werk van tientallen zusters en schrijvers over te doen, ze moest proberen elke dag iets anders na te kijken. Op die manier kreeg ze zicht op wat er aan de hand was en wist ze het juiste te doen, indien iemand iets rampzaligs kwam melden dat niet meer afgewend kon worden. Gevoel voor de hoek waaruit de wind waait, noemde Siuan het. Het had haar weken gekost voor ze die verslagen regelmatig kreeg en Egwene wist zeker dat ze nooit meer iets zou horen, wanneer ze dit alles aan Sheriam overliet. Pas als alles was afgehandeld, en wellicht zelfs dan niet.
Het bleef stil bij het lezen van het volgende papier van de stapel. Ze waren niet met z’n drieën. Chesa, op kussens gezeten bij de tentwand, merkte op: ‘Te weinig licht is slecht voor je ogen.’ Ze mompelde het bijna in zichzelf en hield een van Egwenes zijden kousen op die ze aan het stoppen was. ‘Je zult mij er niet op betrappen dat ik bij dit beetje licht mijn ogen aan woorden verpest.’ Chesa was een vrouw met een vrolijke schittering in haar ogen en een blije glimlach, ze was net niet gezet te noemen. Door te doen alsof ze in zichzelf sprak, probeerde Egwenes dienstmeid voortdurend raad aan de Amyrlin te geven. Ze had al twintig jaar in Egwenes dienst kunnen zijn, in plaats van een kleine twee maanden, en driemaal zo oud als Egwene kunnen zijn, terwijl ze in feite amper tweemaal zo oud was. Egwene vermoedde dat ze vanavond wat zei om de stilte te breken. Sinds Logains ontsnapping hing er een grote spanning in het kamp. Een geleider, afgeschermd en streng bewaakt, was als nevel door ieders vingers geglipt. Iedereen liep waakzaam rond, zich afvragend hoe het kon en waar hij zich bevond en wat hij verder van plan was. Egwene wenste nog meer dan de meeste zusters dat ze zeker wist waar Logain Ablar zich bevond.
Sheriam verschikte geërgerd haar papieren en keek fronsend naar Chesa. Ze begreep niet waarom Egwene haar meid bij deze vergaderingen toeliet en nog veel minder dat ze vrijuit mocht kwebbelen. Het kwam waarschijnlijk nooit bij haar op dat Chesa’s aanwezigheid en ongevraagde opmerkingen haar regelmatig net genoeg afleidden om Egwene te helpen raad opzij te schuiven die ze niet wilde opvolgen en beslissingen uit te stellen die ze niet wilde nemen, zeker niet zoals Sheriam had bedacht. Chesa glimlachte verontschuldigend en richtte zich weer op haar stopwerk, zo nu en dan iets in zichzelf mompelend. ‘Als we niet doorgaan, Moeder,’ merkte Sheriam koeltjes op, ‘zijn we pas bij dageraad klaar.’
Egwene staarde naar het volgende papier en wreef langs haar slapen. Chesa kon gelijk hebben met dat licht. Haar hoofdpijn stak de kop weer op. Aan de andere kant kon dit het papier zijn waarop was aangegeven hoeveel geld er nog was. In de verhalen die ze vroeger las, werd nooit vermeld dat er harde munten nodig waren voor een leger. Aan het blad waren aantekeningen gespeld van twee Gezetenen. Romanda en Lelaine gaven de raad de krijgslieden wat minder vaak te betalen, dus in feite minder te betalen. Het was meer dan een raad, net zoals Romanda en Lelaine belangrijker waren dan twee Gezetenen van de Zaal. Andere Gezetenen volgden waar zij gingen, wellicht wel allemaal, terwijl de enige Gezetene waar Egwene op kon rekenen Delana was en zelfs dat maar half. Het kwam maar zelden voor dat Lelaine en Romanda het over iets eens waren en ze hadden moeilijk een lastiger zaak kunnen kiezen. Sommige krijgslieden hadden een gelofte afgelegd, maar de meesten waren er alleen voor het geld en misschien in de hoop op oorlogsbuit.