Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Альтернативная история » Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl]
Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl] - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl]

Электронная книга - «Tunnels door de tijd [The Corridors of Time - nl]». Краткое содержание книги:

Wie is de beeldschone Storm Darroway? En wat verwacht zij van Malcolm Lockridge?
Het zijn vragen die de zojuist uit de gevangenis ontslagen Lockridge nauwelijks interesseren. Voor hem is zij immers in de eerste plaats een redder in hoge nood en al spoedig daarna — en onder wat voor onvermoede omstandigheden! — zijn minnares.
Toch zijn er mensen die haar met andere ogen bezien. De Tenil Orugaray noemen haar vol ontzag ‘De Storm’. Anderen zien haar als de onsterfelijke godin die leven schenkt. Voor Brann en zijn gardisten is zij onmiskenbaar een misdadige avonturierster, een meedogenloze vijand die even meedogenloos vernietigt dient te worden.
Samen met deze raadselachtige vrouw betreedt Lockridge de tunnels van de tijd, een web van tijdlijnen dat toegang geeft tot verleden, heden en toekomst. Daar, tijdens de talrijke, gevaarvolle zwerftochten die het uiterste van zijn geest en lichaam vergen, leert hij vele aspecten van haar wezen kennen. Maar helemaal doorgronden kan hij haar nooit.
Bovendien woedt rondom hem een oorlog waarin hem, zo blijkt al spoedig, een belangrijke rol is toebedeeld. Een oorlog ook die hem dwingt een keuze te maken: voor of tegen Storm. Een keuze die niet alleen voor hem, maar ook voor de toekomst van onpeilbaar groot belang is…
1 ... 39 40 41 42 43 44 45 46 47 ... 60
Перейти на страницу:

Voor zich uit zag hij opeens de open vlakte. Rijp glinsterde op de heidestruiken, onder de twinkelende sterren strekte de Limfjord zich zwart en zilvergestreept uit.

Lockridge bemerkte dat een trillende zucht van opluchting hem ontsnapte. Maar plotseling begonnen de honden weer te blaffen en te janken, de tonen van de hoorn scheurden door de lucht en de galopperende hoeven donderden naderbij. Als een dolkstoot ging het door hem heen: ze hebben mijn spoor gevonden! Een onbedwingbare angst kwam in hem op en hield hem volkomen gevangen. Met de verschrikking in zijn rug begon hij te rennen.

Steeds dichterbij rumoerde de meute. Een vrouw krijste als een wilde kat. Hij bereikte een open plek die door de maan werd beschenen. Meer dan een kilometer verder, vlak bij de kust, zag hij een donkere massa met een paar gele lichtvlekjes. Huizen… Hij struikelde en kwam in de doornen terecht, die hem bloedig schramden.

De schok van de val hielp hem zijn paniek enigszins te bedwingen. Hij kon de bescherming van die huizen nooit bereiken, als ze hem tenminste al bescherming zouden bieden. In enkele minuten zouden de honden hem te pakken hebben. Storm, snikte hij, lieveling, ik móet naar je terugkeren. De herinnering aan haar borsten gaf hem de moed om op zijn schreden terug te keren.

Naar de woudzoom… een hoge boom in… ga op een tak staan, druk je tegen de stam, maak je tot een schaduw en wacht!

Langs het pad kwamen de jagers en verschenen op de open heide.

Dat waren geen honden, dat dozijn wolfachtige monsters die voort renden in het maanlicht. En dat waren evenmin paarden, daarvoor waren ze veel te groot, en uit hun koppen groeiden narwalhorens. Het maanlicht was zo helder, dat hij op een punt van een van de horens iets donkers — nat en klonterig — kon onderscheiden. De ruiters, twee vrouwen en vier mannen in Wachters uniformen, waren mensen. Lange, blonde haren wapperden wild achter hen aan. En die gestalte, die naakt en met opengereten buik over een zadelboog lag, was eveneens een mens.

Bijna recht onder de plaats waar Lockridge stond, blies een van de mannen op zijn hoorn. Zo'n verschrikkelijke angst overviel de Amerikaan, dat hij bijna zijn houvast verloor, het enige wat hij wist, was dat hij moest vluchten, vluchten, vluchten…Subsonische trillingen! flitste het door het enige nog gezonde deel van zijn geest en hij klemde zich aan de stam vast tot de schors hem verwondde.

‘Hojo! Hojo!’ De vrouw die voorop reed, zwaaide haar speer in de lucht. Haar gezicht leek afschuwelijk veel op dat van Storm.

Verder galoppeerden zij, totdat de honden het spoor verloren en nijdig grommend heen en weer begonnen te lopen. De ruiters hielden de teugel in. Boven de geluiden van de wind en de honden uit hoorde Lockridge hen tegen elkaar schreeuwen. Een van de meisjes wees nadrukkelijk naar het bos. Zij wist wat de prooi had gedaan. Maar de anderen gingen te veel op in de roes van de snelle rit om in de struiken te gaan zoeken. Na enkele ogenblikken verdwenen zij achter elkaar over de heide naar het oosten.

Het zou een list kunnen zijn, dacht Lockridge. Ze verwachten dat ik naar beneden zal komen, zoals ik trouwens wel moet, en dan komen ze terug om me te vangen.

Opnieuw schalde de hoorn, maar nu al zo ver weg dat het krankzinnig makende effect voor een goed deel verloren ging. Lockridge liet zich uit de boom glijden. Misschien verwachtten ze niet dat hij zich meteen naar dat gehucht zou begeven. Over zoveel koelbloedigheid zou hij niet beschikken als hij een onnozele slogg was.

Waar had hij dat woord vandaan? Niet van zijn diaglossa, die heel zorgvuldig zo weinig mogelijk inlichtingen verstrekte over dit deel van de wereld. Wacht eens. Ja, Storm had het gebruikt.

Hij zoog zijn longen vol lucht, drukte zijn ellebogen in zijn zij en begon te rennen.

Maanlicht stroomde over de aarde, de heide was wit van de rijp en het water glansde, zij zouden hem zeker zien, maar het enige wat hij doen kon, was hollen. Struiken bezorgden hem builen en schrammen, de wind woei recht in zijn gezicht, maar het enige wat hij doen kon, was hollen. In heel de wereld bleef hem niets anders over, tenzij te wachten op de tanden, de horens en de speer. Was het de angst, of iets dat John en Mary in zijn aderen hadden gespoten, dat hem met die snelheid voortdreef? Dit deel van zijn vlucht duurde geen nachtmerrieachtige eeuwigheid. In één enkele sprint bereikte hij de kust.

Het dorp bestond slechts uit enkele dicht opeenstaande hutten. Ofschoon de muren van beton waren en ze bedekt waren met een of andere glimmende kunststof, waren ze kleiner en armoediger dan de hutten uit de Steentijd. Het lichtschijnsel dat hij eerder had gezien, sijpelde door slecht sluitende luiken en deuren.

Hij bonsde op de eerste deur. ‘Laat me binnen!’ riep hij. ‘Help me!’

Er kwam geen antwoord, geen beweging, het huis sloot zich in zichzelf op en negeerde zijn bestaan. Over een modderig pad strompelde hij naar het volgende en sloeg zijn vuisten erop kapot. ‘Help! In Haar naam, help me!’

Binnen klonk een angstig geluid. Een bevende mannenstem riep: ‘Ga weg.’

Ver weg op de hei hield het lawaai van de jacht plotseling op. Toen stak het weer op en het kwam in de richting van het dorp.

‘Ga weg, stuk vuil!’ schreeuwde de man binnen.

Lockridge wierp zich tegen de deur, maar deze bleek te sterk. Hij viel terug, alles deed hem pijn.

Hij snelde het dorp in en riep om hulp. In het midden was een soort pleintje. Naast een primitieve put stond een zes meter hoog, T-vormig kruis. Eraan hing het lichaam van een man. Hij was dood en aangevreten door de raven.

Lockridge liep erlangs. Hij kon de hoeven al weer horen. Aan de andere kant van het dorp lagen enkele akkers met naar hij meende aardappelen. In het meedogenloze maanlicht zag hij duidelijk de sporen van ruiters. Er vlak bij stond een hutje dat nog armoediger was dan de andere. De deur piepte open. Een oude vrouw kwam te voorschijn en riep: ‘Hierheen, jij! Vlug!’

Lockridge struikelde over de drempel naar binnen. De vrouw sloot de deur en draaide de sleutel om. Boven zijn hijgen uit hoorde hij haar dronken gemonkeclass="underline" ‘Zij zullen wel niet in het dorp komen. ‘t Is niet sportief om een mens te doden die in de val zit. En ik zeg dat een Wilde ook een mens is. Zij kan tekeer gaan zoveel als ze wil, als ze erachter komt. Ik ken mijn rechten, o zo. Ze hebben mijn Ola genomen, maar daardoor ben ik, zijn moeder, een heel jaar heilig en onschendbaar. Alleen de Koriach kan mij veroordelen en jonkvrouwe Istar zal haar niet met zo'n kleinigheid lastig durven vallen.’

Lockridge's krachten keerden langzaam terug. Hij bewoog zich. Haastig zei de vrouw: ‘Denk eraan, als je lastig wordt, hoef ik de deur maar te openen en te roepen. Mijn buren zijn sterke kerels die met plezier een Wilde te grazen zullen nemen. Ik weet niet of zijzelf je in stukken zullen scheuren of je het veld in zullen jagen als een prooi voor Istar, maar je waardeloze leven ligt in mijn hand. Vergeet dat niet.’ ‘Ik… zal…u geen last bezorgen.’ Lockridge ging overeind zitten, sloeg zijn armen om zijn knieën en keek haar aan. ‘Als ik u hoe dan ook mijn dank kan tonen…iets terug kan doen …’

Met een schok ontdekte hij dat zij nog niet zo heel oud was. Haar gebogen houding, smerige jurk, knoestige handen, verweerde huid en half uitgevallen gebit hadden hem misleid. Haar haren, die in vlechten tot op haar middel hingen, waren nog zwart, haar gezicht was nauwelijks gerimpeld, haar ogen waren vertroebeld door de drank, maar nog niet verzwakt.

De hut, die maar uit één vertrek bestond, was spaarzaam gemeubileerd. Een paar ledikanten, een tafel en enkele stoelen, een kast en een kist…wacht, in de kookhoek stonden apparaten die elektrisch moesten zijn en aan de muur hing een communicatiescherm… tegenover een huisaltaartje met een zilveren Labrys…

1 ... 39 40 41 42 43 44 45 46 47 ... 60
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)