Een feestmaal voor kraaien [A Feast for Crows - nl]
- Автор: Мартин Джордж Рэймонд Ричард
- Год: 2006
- Язык: голландский
- Год: Luitingh Fantasy
- ISBN: 90-245-5833-6
- Переводчик: Renée Vink
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een feestmaal voor kraaien [A Feast for Crows - nl]». Краткое содержание книги:
‘Mijn moeder noemde me Nans, maar ze zeggen Wezel tegen me…’
‘Je naam.’
Ze slikte. ‘Arry. Ik ben Arry.’
‘Dichterbij. En nu de waarheid?’
Vrees snijdt dieper dan zwaarden, zei ze bij zichzelf. ‘Arya.’ De eerste keer fluisterde ze het. De tweede keer smeet ze het hem toe. ‘Ik ben Arya, van het huis Stark.’
‘Dat is zo,’ zei hij, ‘maar het Huis van Zwart en Wit is geen plaats voor Arya van het huis Stark.’
‘Alstublieft,’ zei ze. ‘Ik kan nergens heen.’
‘Vrees je de dood?’
‘Nee.’ Ze beet op haar lip.
‘We zullen zien.’ De priester deed zijn kap af. Daaronder had hij geen gezicht, slechts een vergeelde schedel. Aan de wangen hingen nog wat reepjes huid en een witte worm kronkelde uit een lege oogkas. ‘Kus me, kind,’ kraste hij met een stem, droog en hees als doodsgereutel.
Wil hij me bang maken? Arya kuste hem waar zijn neus had moeten zijn en plukte de grafworm uit zijn oog om die op te eten, maar hij smolt als een schim in haar hand weg.
Ook de gele schedel smolt weg en de vriendelijkste oude man die ze ooit had gezien, keek glimlachend op haar neer. ‘Niemand heeft ooit eerder geprobeerd mijn worm op te eten,’ zei hij. Jij moet honger hebben.’
Ja, dacht ze, maar niet in eten.
Cersei
Uit een loodgrijze lucht viel een kille regen die de muren en borstweringen van de Rode Burcht donker als bloed kleurde. De koningin leidde de koning met ferme hand over de modderige binnenplaats naar de wachtende draagkoets met escorte. ‘Van oom Jaime mocht ik op mijn paard rijden en penningen strooien voor het volk,’ protesteerde de jongen.
‘Wil je soms kouvatten?’ Tommen was nooit zo gezond geweest als Joffry. ‘Je grootvader zou willen dat je er tijdens zijn dodenwake als een waarachtig koning uitziet. We kunnen niet als verzopen katten in de Grote Sept verschijnen.’ Het is al erg genoeg dat ik alweer rouwkleding moet dragen. Zwart had haar nooit goed gestaan; met haar bleke huid leek ze daar zelf half een lijk in. Cersei was een uur voor zonsopgang opgestaan om een bad te nemen en haar haren te doen, en ze was niet van plan haar inspanningen door de regen teniet te laten doen.
Eenmaal in de draagkoets leunde Tommen achterover in zijn kussens en tuurde naar de neervallende regen. ‘De goden huilen om grootvader. Vrouwe Jocelyn zegt dat de regendruppels hun tranen zijn.’
Jocelyn Vlugh is een dwaas. Als de goden konden huilen, hadden ze om je broer gehuild. Regen is regen. Doe dat gordijn dicht voordat er nog meer binnenkomt. Die mantel is van sabelbont, wil je dat die doorweekt raakt?’
Tommen deed wat hem gezegd werd. Daar was ze blij om, maar toch zat zijn meegaandheid haar niettemin dwars. Een koning moest sterk zijn. Joffry zou met me in discussie zijn gegaan. Die was nooit zo makkelijk klein te krijgen. ‘Je moet niet zo onderuitgezakt zitten,’ zei ze tegen Tommen. ‘Zit als een koning. Schouders naar achteren, en zet je kroon recht. Wil je dat hij van je hoofd valt waar al je heren bij zijn?’
‘Nee, moeder.’ De jongen ging rechtop zitten en stak een hand omhoog om de kroon goed te zetten. Jofs kroon was hem te wijd. Tommen had altijd naar molligheid geneigd, maar nu leek zijn gezicht magerder. Eet hij wel goed? Ze moest niet vergeten dat aan de hofmeester te vragen. Ze kon niet het risico lopen dat Tommen ziek werd, niet nu de Dorners Myrcella in handen hadden. Op den duur zal Jofs kroon hem wel passen. Maar voor die tijd was er misschien een kleiner exemplaar nodig, een dat zijn hoofd niet dreigde te verzwelgen. Ze zou het met de goudsmeden opnemen.
Traag daalde de draagkoets Aegons heuvel af. Twee leden van de Koningsgarde reden voorop, witte ridders op witte paarden wier doorweekte mantels slap van hun schouders hingen. Achter hen reden vijftig Lannister-wachters in het goud-met-karmijnrood.
Tommen tuurde tussen de draperieën door naar de lege straten. ‘Ik dacht dat er meer mensen zouden zijn. Toen vader stierf kwam het hele volk naar buiten om ons voorbij te zien komen.’
‘De regen heeft ze hun huizen in gejaagd.’ De Koningslanders waren nooit dol op heer Tywin geweest, zelfs niet vóór de plundering. Maar hij was nooit op liefde uit. Alleen maar op respect, en op de hem verschuldigde eer. ‘Liefde kun je niet eten en je kunt er ook geen paard mee kopen of er op een winteravond je handen aan warmen,’ had ze hem eens tegen Jaime horen zeggen toen haar broer even jong was geweest als Tommen nu.
Bij de Grote Sept van Baelor, dat marmeren wonder boven op de Heuvel van Visenya, werd het kleine groepje rouwenden in aantal overtroffen door de goudmantels die ser Addam Marbrand op het grote plein had opgesteld. Later zullen er wel meer komen opdagen, hield de koningin zichzelf voor terwijl ser Meryn Trant haar uit de draagkoets hielp. Slechts de hooggeborenen en hun gevolg hadden toegang tot de ochtenddienst. ’s Middags zou er nog een dienst zijn voor het gewone volk, en de avondgebeden waren voor iedereen toegankelijk. Daar zou Cersei voor moeten terugkeren, opdat de kleine luiden haar zouden zien rouwen. Het gepeupel wil vertoon. Maar het was wel vervelend. Ze had ambten te vervullen, brieven te schrijven, een oorlog te winnen, een rijk te regeren.
Boven aan de trap kwam de Hoge Septon hen tegemoet. Het was een kromme oude man met een rafelige grijze baard, zozeer gebogen onder het gewicht van zijn geborduurde staatsiegewaden dat zijn ogen op gelijke hoogte waren met de borsten van de koningin… al voegde zijn kroon, een opgeklopt geval van geslepen kristal en gesponnen goud, ruim anderhalve voet aan zijn lengte toe. Die kroon had hij van heer Tywin gekregen ter vervanging van degene die verloren was gegaan toen het gepeupel de vorige Hoge Septon had vermoord. Ze hadden de dikke idioot uit zijn draagkoets getrokken en in stukken gescheurd op de dag dat Myrcella naar Dorne was gevaren. Dat was een enorme vreetzak, en kneedbaar. Maar deze… Deze Hoge Septon was een creatie van Tyrion, herinnerde Cersei zich plotseling. Een verontrustende gedachte.
De gevlekte hand van de oude man leek net een kippenpoot zoals hij daar uit de met gouden arabesken en kleine kristalletjes versierde mouw stak. Cersei knielde op het natte marmer om zijn vingers te kussen en beval Tommen hetzelfde te doen. Wat weet hij van me af? Hoeveel heeft die dwerg hem verteld? Met een glimlach hielp de Hoge Septon haar overeind om haar naar binnen te begeleiden, maar was dat een dreigend lachje waar allerlei onuitgesproken kennis achter school, of gewoon een nietszeggende trekking van een paar rimpelige oudemannenlippen? Ze kon het onmogelijk zien.
Terwijl ze onder ronde glas-in-lood lampen de Lichtzaal door liepen, hield ze Tommens hand vast. Trant en Ketelzwart flankeerden hen. Het water droop uit hun natte mantels in kleine plasjes op de vloer. De Hoge Septon liep langzaam, steunend op een weirhouten staf met een kristallen bol erop. Hij werd begeleid door zeven van de Allervroomsten in glanzend zilverbrokaat. Tommen volgde; onder zijn mantel van sabelbont was hij in goudbrokaat gehuld. De koningin droeg een oude, zwartfluwelen japon, afgezet met hermelijn. Er was geen tijd geweest om een nieuwe te laten maken, en ze kon zich niet in dezelfde japon kleden die ze voor Joffry had gedragen, noch degene waarin ze Robert had begraven.
In elk geval zal niemand van me verwachten dat ik me voor Tyrion in rouwkleding hul. Daarvoor trek ik karmijnrode zijde en goudbrokaat aan en draag ik robijnen in mijn haar. De man die haar het hoofd van de dwerg bracht, zou tot heer verheven worden, al was hij nog zo nederig van geboorte en nog zo laag van stand. Op dit moment verspreidden de raven van Pycelle het nieuws over de uitgeloofde beloning overal in de Zeven Koninkrijken, en weldra zou het bericht de zee-engte oversteken naar de Negen Vrijsteden en de landen daarachter. Al vlucht de Kobold naar de uiteinden der aarde, mij zal hij niet ontkomen.