Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een feestmaal voor kraaien [A Feast for Crows - nl]
Een feestmaal voor kraaien [A Feast for Crows - nl] - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een feestmaal voor kraaien [A Feast for Crows - nl]

Электронная книга - «Een feestmaal voor kraaien [A Feast for Crows - nl]». Краткое содержание книги:

In de Zeven Koninkrijken is alles en iedereen in afwachting van de verschrikkelijkste oorlog die het land ooit trof. Immers, de Oorlog van de Vijf Koningen heeft Westeros verdeeld. De bloeddorstige en verraderlijke Lannisters houden nu de ijzeren Troon bezet, daarbij gesteund door bondgenoten die net zo meedogenloos zijn als zijzelf. Maar ook elders broeien de gemoederen.
1 ... 29 30 31 32 33 34 35 36 37 ... 48
Перейти на страницу:

‘Je weet hoe ik heet,’ zei Yorko uit de boot.

‘Yorko Terys.’

‘Valar dohaeris. ‘ Hij duwde zich af met zijn roeiriem en dreef weer weg naar het diepe gedeelte. Arya keek toe hoe hij dezelfde weg weer terugroeide totdat hij in de schaduwen van de brug verdween. Toen het plonzen van de riemen was vervaagd, kon ze bijna haar eigen hartslag horen. Plotseling was ze elders… misschien terug in Harrenhal met Gendry, of met de Jachthond in de bossen langs de Drietand. Zoute is een stom kind, zei ze bij zichzelf. Ik ben een wolf en ik ben niet bang. Ze klopte op het gevest van Naald in de hoop dat dat geluk zou brengen en dook de schaduwen in. Met twee treden tegelijk beklom ze de trap, zodat niemand ooit zou kunnen zeggen dat ze bang geweest was.

Bovenaan trof ze een stel met houtsnijwerk versierde deuren van zo’n zesendertig meter hoog aan. De linkerdeur was van weirhout, licht als been, de rechter van glanzend ebbenhout. In het midden was een vollemaansgezicht uitgesneden, van ebbenhout aan de weirhouten kant, van weirhout aan de ebbenhouten kant. De blik daarop deed haar op een of andere manier aan de hartboom in het godswoud van Winterfel denken. Die deuren kijken naar me, dacht ze. Met haar vlakke, gehandschoende handen duwde ze op beide deuren tegelijk, maar ze gaven geen van tweeën mee. Gesloten en vergrendeld. ‘Laat me erin, stommeling,’ zei ze. ‘Ik ben de zee-engte overgestoken.’ Ze maakte een vuist en bonsde. ‘Jaqen heeft gezegd dat ik hierheen moest gaan. Ik heb de ijzeren munt.’ Ze haalde hem uit haar zak en stak hem omhoog. ‘Zie je wel? Valar morghulis.’

De deuren gaven geen antwoord, behalve dan dat ze opengingen.

Ze gingen in volledige stilte naar binnen open, zonder door mensenhand te zijn bewogen. Arya deed een stap naar voren en toen nog een. De deuren sloten zich achter haar en heel even was ze blind. Naald rustte in haar hand, al stond het haar niet bij dat ze het wapen had getrokken.

Langs de wanden brandden een paar kaarsen, maar die gaven zo weinig licht dat Arya niet eens haar voeten kon zien. Iemand fluisterde iets, maar zo zacht dat ze geen woorden kon onderscheiden. Iemand anders huilde. Ze hoorde lichte voetstappen, leer dat over steen gleed, een deur die open en weer dicht ging. Water. Ik hoor ook water.

Langzaam pasten haar ogen zich aan. De tempel leek van binnen veel groter dan van buiten. De septs van Westeros hadden zeven zijden, met zeven altaren voor de zeven goden, maar hier waren meer dan zeven goden. Er stonden beelden van langs de wanden, massief en dreigend. Rond hun voeten flakkerden kaarsen, flauw als verre sterren. Het dichtstbijzijnde was een marmeren vrouw van vier meter hoog. Uit haar ogen sijpelden echte tranen die de schaal vulden die ze in haar armen hield. Achter haar zat een man met een leeuwenkop op een troon van ebbenhout. Aan de andere kant van de deuren verhief een enorm paard van brons en ijzer zich op twee grote achterbenen. Verderop ontwaarde ze een groot stenen gezicht, een bleek klein kind met een zwaard, een ruige zwarte geit met de omvang van een oeros, een man met een kap die op een staf leunde. De overigen waren niet meer dan hoog oprijzende vormen, half zichtbaar in het schemerdonker.

Tussen de goden in bevonden zich verborgen nissen vol schaduwen, met hier en daar een brandende kaars. Stil als een schaduw bewoog Arya zich tussen rijen lange stenen banken door, zwaard in de hand. De vloer was van steen, vertelden haar voeten haar, geen gewreven marmer zoals de vloer van de Grote Sept van Baelor, maar iets ruwers. Ze passeerde een paar vrouwen die tegen elkaar fluisterden. De lucht was warm en zwaar, zo zwaar dat ze moest gapen. Ze rook de kaarsen. De geur was haar onbekend en ze nam aan dat hij van een raar soort wierook afkomstig was… maar toen ze verder de tempel inliep leken ze naar sneeuw; dennennaalden en warme stoofschotels te ruiken. Goede geuren, zei Arya bij zichzelf en ze voelde zich iets dapperder. Dapper genoeg om Naald weer in de schede te laten glijden.

In het midden van de tempel vond ze het water dat ze had gehoord: een bassin, tien voet in doorsnee, inktzwart en door flauw rood kaarslicht beschenen. Daarnaast zat een jongeman met een zilverwitte mantel aan zachtjes te huilen. Ze zag hoe hij een hand in het water dompelde, waardoor scharlakenrode rimpels door het bassin joegen. Toen hij zijn vingers eruit had gehaald zoog hij ze één voor één af. Hij had zeker dorst. Langs de rand van het bassin stonden stenen bekers. Arya vulde er een en bracht die hem, zodat hij kon drinken. De jongeman staarde haar een ogenblik lang aan toen ze hem de beker aanreikte. ‘Valar morghulis,’ zei hij.

‘Valar dohaeris,’ antwoordde ze.

Hij nam een flinke teug en liet de beker met een zacht plopgeluid in het bassin vallen. Toen duwde hij zich overeind, zwaaiend op zijn benen, terwijl hij zijn buik vasthield. Even dacht Arya dat hij zou vallen. Pas toen zag ze de donkere vlek onder zijn riem, die groter werd terwijl ze keek. ‘Je hebt een messteek opgelopen,’ flapte ze eruit. Hij zwalkte naar de muur en kroop een nis binnen en een hard stenen bed op. Arya gluurde om zich heen en zag nog meer nissen. In een paar daarvan lagen oude mensen te slapen.

Nee, leek een halfvergeten stem in haar hoofd te fluisteren. Ze zijn dood, of stervend. Kijk met je ogen.

Een hand raakte haar arm aan.

Arya draaide abrupt weg, maar het was maar een klein meisje, een bleek klein meisje in een gewaad met een kap dat haar leek te verzwelgen, zwart aan de rechterkant en wit aan de linker. Onder de kap zag ze een broodmager, benig gezicht, holle wangen en donkere ogen zo groot als schotels. ‘Pak me niet vast,’ waarschuwde Arya het scharminkelige kind. ‘De jongen die dat laatst deed heb ik gedood.’

Het meisje sprak een paar woorden die Arya niet kende.

Ze schudde haar hoofd. ‘Ken je de Gewone Spreektaal niet?’

Een stem achter haar zei: ‘Ik spreek die.’

De manier waarop ze haar bleven overvallen, beviel Arya niet. De man met de kap was lang en gehuld in een grotere versie van het zwart-witte gewaad dat het meisje droeg. Onder zijn kap zag ze alleen de vage rode weerschijn van het kaarslicht in zijn ogen. ‘Wat is dit voor plek?’ vroeg ze hem.

‘Een oord van vrede.’ Zijn stem was vriendelijk. ‘Je bent hier veilig. Dit is het Huis van Zwart en Wit, mijn kind. Al ben je wat jong om de God met de Vele Gezichten om een gunst te vragen.’

‘Lijkt hij op de god van de zuiderlingen, die met de zeven gezichten?’

‘Zeven? Nee. Hij heeft ontelbaar vele gezichten, kleintje, evenveel als er sterren aan de hemel staan. In Braavos aanbidden de mensen zoals ze willen… maar aan het eind van elke weg staat Hij met de Vele Gezichten te wachten. Op een dag is hij er voor jou, wees maar niet bang. Je hoeft je niet overhaast in zijn armen te storten.’

‘Ik ben alleen maar op zoek naar Jaqen H’ghar.’

Die naam ken ik niet.’

De moed zonk haar in de schoenen. ‘Hij kwam uit Lorath. Zijn haar was aan de ene kant wit en aan de andere kant rood. Hij zei dat hij mij geheimen zou vertellen en hij gaf me dit.’ De ijzeren munt zat in haar vuist geklemd. Toen ze haar vingers opende, plakte hij aan haar bezwete handpalm vast. De priester bestudeerde de munt, al maakte hij geen aanstalten om hem aan te raken. Het scharminkel met de grote ogen keek er ook naar.

Ten slotte zei de man met de kap: ‘Zeg me je naam, kind.’

‘Zoute. Ik kom uit Zoutpannen, aan de Drietand.’

Al kon ze zijn gezicht niet zien, op een of andere manier voelde ze dat hij glimlachte. ‘Nee,’ zei hij. ‘Zeg me je naam.’

‘Braadkuiken,’ antwoordde ze ditmaal.

‘Je ware naam, kind.’

1 ... 29 30 31 32 33 34 35 36 37 ... 48
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)