De Cock en moord op de Bloedberg
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #25
- Год: 1989
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0236-3
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en moord op de Bloedberg». Краткое содержание книги:
‘En voor jou, Ronald? Wanneer stierf je vader voor jou?’
De jongeman sloot even zijn beide ogen.
‘Op het moment,’ sprak hij zacht, ‘dat ik hem aan mijn voeten dood in het water van het Rokin zag liggen. Op dat moment besefte ik voor het eerst dat er tussen die man en mij een band bestond. Het was een vreemd gevoel… verlammend, verwarrend… een mengeling van verdriet, verbondenheid en schuld.’
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Schuld?’
De jonge Kruisberg knikte.
‘Geen schuld in de zin zoals u misschien bedoelt. Geen wettelijke schuld. Ik was niet de man die een wapen ter hand nam… die hem feitelijk sloeg. Ik dacht dat u dat inmiddels wel had begrepen.’
De Cock schonk hem een milde glimlach.
‘Waarin schuilt dan jouw schuld?’
Ronald zuchtte diep.
‘Ik heb de laatste dagen over alles diep nagedacht. Er is in korte tijd veel met mij gebeurd. Ik denk dat ik volwassener ben geworden… ouder. Ik weet nu dat mijn moeder en ik vader onrecht hebben aangedaan. We hadden zijn wederkomst… zijn terugkeer uit de dood… moeten accepteren. In plaats van angst voor het verleden, hadden wij beiden moed en kracht moeten tonen voor de toekomst. We hebben het vertrouwen gemist. Niet alleen het vertrouwen in vader, maar ook het vertrouwen in onszelf… in de mogelijkheden die wij hadden om hem een nieuw leven te bieden.’ Hij schudde triest zijn hoofd. ‘We hebben hem geen enkele kans gegeven.’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Zijn moordenaar ook niet.’
Een grote lijkwagen reed met oneerbiedige snelheid de begraafplaats op. Bij de aula remde de wagen. De brede wielen knarsten in het grind. Er stapte een man uit, hij liep op een holletje naar hen toe. Hij duimde over zijn schouder.
‘Komt u voor die meneer Kruisberg?’
Ze knikten beiden.
‘O,’ zei de man. Hij was zichtbaar teleurgesteld. ‘Dan kunt u ons volgen.’ Het klonk onvriendelijk. Hij rende door de regen naar de wagen terug, zette hem weer in beweging en reed stapvoets verder de begraafplaats op.
De jonge Ronald Kruisberg en De Cock volgden. Zwijgend liepen ze naast elkaar. De zwartglanzende lijkwagen zoemde voor hen uit. De uitlaat stonk.
De weg naar het graf was lang. Onbarmhartig plensde de regen op de beide mannen neer. De grijze speurder veegde het water uit zijn gezicht. ‘Ik heb een raar vak,’ begon hij voorzichtig. ‘Vol tegenstrijdigheden. Men zou verwachten dat er in ons werk voor leugen en bedrog geen plaats is.’ Hij gebaarde triest. ‘Maar soms is het onvermijdelijk.’ Hij liep een tijdje zwijgend voort. ‘Je hebt tegen mijn assistent gezegd dat je volledig bereid was om ons jouw medewerking te verlenen.’
Ronald Kruisberg knikte.
‘Dat heb ik gezegd.’
‘En dat meende je?’
‘Absoluut.’
‘Zelfs als daar risico’s aan zijn verbonden?’
‘Voor wie?’
‘Voor jou.’
De jongeman knikte opnieuw.
‘Zelfs dan.’
De Cock vertraagde zijn pas. De stank van de uitlaat hinderde hem. ‘Ik vraag je,’ sprak hij wat weifelend, ‘om aan mensen om je heen… mensen die je vrij regelmatig ontmoet… min of meer vertrouwelijk te vertellen, dat je een dag na de dood van je vader een brief van hem hebt ontvangen… een brief die hij nog kort voor zijn dood moet hebben gepost.’
‘Een brief?’
De Cock knikte traag.
‘Een brief,’ ging hij zacht pratend verder, ‘waarin opgenomen een lijst van namen… namen van mensen, die… zo schrijft jouw vader… net als hij uit de dood zijn herrezen.’
‘En dan?’
De grijze speurder blikte opzij.
‘Ik verwacht dat er zich dan iemand met jou in verbinding stelt.’
De jonge Kruisberg strekte zijn arm naar de zoemende lijkwagen voor zich uit.
‘Zijn moordenaar?’
De Cock trok zijn hoofd in zijn nek en liet de regen vol op zijn gezicht plenzen.
‘Niet alleen de zijne.’
‘Hoe was de begrafenis?’
‘Sober… en nat.’
‘Belangstelling?’
‘Alleen de jonge Kruisberg was er om zijn vader te begraven.’
‘Verder niemand?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Zelfs geen kraai met een condoleanceregister.’ Het klonk spottend.
Vledder schoof zijn schrijfmachine iets van zich af en leunde voorover.
‘Commissaris Buitendam vroeg nog naar je. Hij zei dat de officier van justitie toch overwoog om tot exhumatie over te gaan.’ De Cock grinnikte.
‘Hij zal wel moeten. Het viel mij toch al mee dat het bestuur van Zorgvlied er geen bezwaar tegen maakte dat tweemaal dezelfde vent werd begraven.’
Vledder knikte nadenkend voor zich uit.
‘Dat wordt nog een hele klus. Wie ligt er in dat eerste graf?’ De Cock snoof.
‘En wie ligt er in het graf van Hendrik-Jan van Assumburg? En als Rickie van Apache Alie niet werkelijk dood is… wie werd er dan in zijn plaats begraven?’ De grijze speurder trok zijn schouders iets op. ‘Dat zijn natuurlijk indringende vragen, maar in feite interesseert mij die exhumatie niet zo veel meer.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Je hebt je er zo voor beijverd… was woedend toen Buitendam het niet toestond…’
De Cock knikte.
‘Dat was in een ander stadium van het onderzoek,’ reageerde hij gelaten. ‘Ik kende toen het patroon niet. Ik vond het alleen een onhoudbare situatie, dat er mensen rondliepen die in feite dood waren en begraven.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘En nu… ken je het patroon nu wel?’
De Cock antwoordde niet rechtstreeks.
‘Ronald Kruisberg,’ begon hij verklarend, ‘kwam bij een autoongeval om het leven. We weten geen bijzonderheden, maar het zou mij niets verbazen als het ongeval eindigde met een ontploffing of een brand, waarbij het slachtoffer deerlijk werd verminkt. Hendrik-Jan van Assumburg en Richard Strijdbaar werden beiden drijvend in het Bonapartedok aangetroffen… weliswaar heel netjes met curarine vergiftigd… maar een gedeelte van hun uiterlijk was… zo neemt men in Antwerpen aan… door een draaiende schroef van een of ander schip weggeslagen.’
De grijze speurder zweeg even en schudde zuchtend zijn hoofd. ‘Die luitjes van de Gerechtelijke Politie in Antwerpen zijn niet gek en de Belgische onderzoeksrechter geeft geen lijk vrij wanneer dat naar zijn mening niet afdoende is geïdentificeerd. Hun werkwijze verschilt ook niet zoveel van die van ons. Wanneer wij ergens een lijk aantreffen, zullen wij proberen het te identificeren… let wel… voor zover dat mogelijk is.’
Vledder boog zich naar voren.
‘Je bedoelt… als een lijk zo zwaar is verminkt dat het geen zin meer heeft om het voor de herkenning aan vrienden, kennissen of familieleden te tonen, dan zal men op andere dingen moeten afgaan.’
‘Bijvoorbeeld?’
‘Bescheiden, die op het slachtoffer worden aangetroffen.’
‘Precies… en dat is ook gebeurd.’
Vledder reageerde enthousiast.
‘Nu begrijp ik ook waarom jij geen belangstelling meer hebt voor de exhumatie. Als er in die graven lijken liggen, dan zullen die er vermoedelijk zo verfomfaaid uitzien, dat ook wij er niets meer mee kunnen beginnen.’
De Cock keek de jonge rechercheur bewonderend aan.
‘Soms,’ sprak hij lovend, ‘krijg ik de indruk dat je toch een goede leerling bent.’
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde.
Vledder nam de hoorn op.
‘Het is voor jou… Ronald Kruisberg.’
De grijze speurder pakte de hoorn over en luisterde. Zijn gezicht betrok.
‘Nu al?’ vroeg hij hees. ‘Ga erop in. En in godsnaam… wees voorzichtig.’
19
De Cock liep met grote passen de recherchekamer op en neer. Hij was moe, nerveus en onzeker. De spanning die hij onderging, vibreerde in zijn middenrif en bezorgde hem een misselijkmakend gevoel.