De Cock en een variant op moord
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #23
- Год: 2002
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0194-5
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en een variant op moord». Краткое содержание книги:
'Had… eh, had jij een paar dagen geleden ook niet een oude vrouw met… eh, met net zo'n sjaal?'
'Inderdaad.'
Dr. Den Koninghe knikte traag voor zich uit. 'Dat meende ik al.' Hij zweeg even. 'Het zou wijs zijn om naar dezelfde moordenaar te zoeken. Er zijn qua modus operandi duidelijke overeenkomsten.' 'Waarom vermoordt men een dokter?' Dr. Den Koninghe maakte een onzeker gebaartje. 'Misschien heeft hij een verkeerde diagnose gesteld,' gniffelde hij. 'Dat wil bij doktoren nog wel eens gebeuren.' 'Is het u wel eens gebeurd?' De lijkschouwer keek op.
'Dat ik zei, dat iemand dood was, terwijl hij nog leefde?' 'Bijvoorbeeld.'
Dr. Den Koninghe schudde zijn hoofd. Hij wierp nog een peinzende blik op de dode. Daarna lichtte hij tot afscheid zijn oude, groen uitgeslagen garibaldi en verliet de spreekkamer. De Cock keek hem na en zag hoe hij bijna omver werd gelopen door Bram van Wielingen, die onstuimig de kamer binnenstormde. De fotograaf zette zijn aluminium koffer met een plof op het parket en dreunde op De Cock toe. 'Wat moetje hebben?' 'Hoe bedoel je?' 'Welke plaatjes?'
De Cock antwoordde niet. Hij keek Van Wielingen strak aan. 'Wat is er?' vroeg hij geprikkeld. 'Heb je weer haast? Ik heb de vorige keer ook alleen maar een schim van je gezien.'
Het verhitte gezicht van de fotograaf verzachtte.
'Ik wil nog even naar het ziekenhuis… naar mijn oudste dochter,' sprak hij vriendelijk. 'Ze is gisteren bevallen. Het ging niet zo gemakkelijk. Er waren wat complicaties.' Hij grijnsde van oor tot oor. 'Maar het is een wolk van een jongen. Zeven pond en drie ons.' Hij klopte De Cock enthousiast op zijn schouder. 'En zal ik je eens wat vertellen? Ze hebben het kereltje naar mij vernoemd.'
'Dat schept verplichtingen.'
Bram van Wielingen spreidde zijn beide handen.
'Vind je het niet prachtig?'
De Cock knikte.
'Hoe gaat het met je dochter?'
'Goed, ik denk dat ze er morgen uit mag.'
De Cock wees naar de dode.
'Ik wil alleen maar van hem een paar plaatjes. Zijn gezicht… de sjaal… de knoop… de manier waarop hij in die stoel zit. Dan kan je wat mij betreft wel weer vertrekken.'
Bram van Wielingen schonk hem een dankbare blik. Hij liep naar zijn koffer, pakte zijn Hasselblad en monteerde een flitslicht. Terwijl de fotograaf de dode in zijn lens nam, sjokte Ben Kreuger de spreekkamer binnen. Hij keek om zich heen. Zijn gezicht stond somber. 'Ik heb met mijn vingertjes de laatste tijd weinig mazzel,' sprak hij triest. 'Het lijkt wel een epidemie… iedere misdadiger gebruikt tegenwoordig handschoenen. Dat komt door al die idiote detectiveromannetjes, die ze…'
Verder kwam hij niet. Achter hen klonk een kreet. Met een witte kaart in zijn hand kroop Vledder bij het bureau van de dokter vandaan.
Strompelend liep hij op De Cock toe.
'Gevonden.'
'In de prullenbak?'
'Nee, onder het bureau bij de muur. Hij moet tijdens de wurgworsteling over het gladde hout zijn weggegleden en achter het bureau zijn gevallen.'
De Cock nam de kaart aan en bekeek hem aandachtig. Het was een zelfde soort patiëntenkaart als de dokter voor hem was beginnen uit te schrijven.
Linksboven stond: K. Ko… meer niet. Vledder blikte hijgend op. 'Karel Koperman.'
18
Het was al ver na middernacht, toen ze van hun onderzoek in de spreekkamer van Dr. Haanstra aan de Warmoesstraat terugkeerden. Nadat het slachtoffer door de onaangedane broeders van de geneeskundige dienst was weggevoerd, had Ben Kreuger, de dactyloscoop, zich de tijd gegund. Met een absolute wil om dit keer vingerafdrukken te vinden, had hij iedere vierkante centimeter van het vertrek met aluminiumpoeder ingekwast en overgebracht op folie. Toen hij in zijn ijver ook nog aan de wachtkamer had willen beginnen, had De Cock hem met zijn koffertje resoluut de deur gewezen.
Vermoeid liet de grijze speurder zich in zijn stoel zakken, tilde met een verwrongen gezicht zijn beide benen op en legde die met een zucht voor zich op zijn bureau.
'Kreuger is gek,' bromde hij. 'Wanneer hij een hele week lang geen vingerafdrukken heeft kunnen vinden, stort zijn wereld in elkaar.'
Vledder reageerde niet. Hij zwaaide met een plastic zak, waarin de tweede wurgsjaal schemerde.
'Wanneer gaan we hem arresteren?'
De Cock blikte wat loom omhoog.
'Wie?'
De jonge rechercheur keek zijn oude collega met opperste verbazing aan. 'Mooie Karel,' riep hij hoorbaar geprikkeld. 'Onze Karel Koperman. Het lijdt toch geen twijfel? Het is zonder meer duidelijk, dat hij zich vanmiddag als patiënt bij dokter Haanstra heeft gepresenteerd en hem daarna heel zorgvuldig heeft gewurgd.' De Cock trok een grijns. 'Je bedoelt… eh, die door jou gevonden patiëntenkaart met 'K. Ko'?' Vledder knikte heftig.
'Gezien in het licht van hetgeen we al weten… ik bedoel de wurgpoging op Dikke Nel in het verleden en meer recent de wurgmoord op de oude Marlies van Haesbergen… is dit toch een prachtig bewijs.' 'Vind je?'
'Natuurlijk vind ik dat. En een ieder zal dat met mij eens zijn. Wat wil je nog meer?'
'De echte moordenaar vatten.'
Het gezicht van Vledder werd rood.
'De echte moordenaar?' herhaalde hij smalend. Hij wees op de plastic zak met de sjaal. 'De echte moordenaar is hij: Mooie Karel.'
De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
'Waarom,' vroeg hij gelaten, 'moet 'K. Ko' per se Karel Koperman zijn?' Hij hield zijn hoofd wat schuin. 'Waarom is 'K. Ko' niet… Kees Koster of Arelis Kolensjouwer? Een handige advocaat.. en zeker een man als Mr. Meturovski… veegt zo'n bewijsvoering honend van tafel.'
Hij zweeg even en grinnikte vrolijk. 'Het is zelfs niet ondoenlijk om dat 'K. Ko' in het voordeel van Mooie Karel uit te leggen.' Vledder keek hem peilend aan. 'In het voordeel?' vroeg hij ongelovig.
De Cock nam zijn beide benen van zijn bureau, stond op en imiteerde spottend de brede armzwaai van een verdediger in toga. 'Welke man… edelachtbare,' riep hij met enig pathos, 'die het plan heeft opgevat om een moord te plegen… geeft zijn aanstaand slachtoffer de gelegenheid om zijn naam… of een gedeelte daarvan… op te schrijven en achter te laten als een soort visitekaartje voor de recherche? Edelachtbare… dat kan men toch zelfs van de domste moordenaar niet verwachten.' Vledder gebaarde naar de vloer. 'Maar die kaart lag daar,' riep hij radeloos. De Cock knikte gelaten. 'Denk daar maar eens even over na.'
De jonge rechercheur schudde brommend zijn hoofd. Zijn gezicht leek een donkerwolk. 'Denken?' riep hij recalcitrant. 'Ik verdom het langer. We komen er toch nooit uit.'
De Cock reageerde niet. Hij keek zijn jonge collega secondenlang peinzend aan. Toen draaide hij zich om en sjokte naar de kapstok. Vledder volgde hem.
'Waar ga je heen?'
De Cock sloot zijn ogen en geeuwde ongegeneerd.
'Naar huis… slapen. Morgenochtend verwacht ik je om negen uur met een wagentje bij mij voor de deur.'
'Waar wil je heen?'
'Amersfoort.'
De jonge rechercheur trok diepe rimpels in zijn voorhoofd. Hij had het stellige voornemen om niet meer te denken blijkbaar al weer opgegeven.
' Wat wil je daar doen?'
Het brede gezicht van De Cock vergleed in een harde trek. 'Spijkers met koppen slaan.'
Hoewel het spitsuur al voorbij was, kon de vierbaansrondweg om Amsterdam het geweldige verkeersaanbod nauwelijks verwerken. Met grote vaardigheid switchte Vledder de oude politie-Volkswagen van baan naar baan en hield zijn snelheid op peil. Eerst voorbij de Gaasperdammerweg werd het wat stiller. De jonge rechercheur leunde ontspannen achterover en blikte opzij. 'Ik was nog even aan de Kit… de sleuteltjes van de wagen halen.' 'En?'
'In de hal liep ik bijna letterlijk commissaris Buitendam tegen het lange lijf. Hij vroeg mij onmiddellijk waar jij was. Die tweede wurgmoord had hem… en de Officier van Justitie… ernstig verontrust.' 'Zei hij dat?' Vledder knikte.