Herfsttij der Middeleeuwen
- Автор: Хейзинга Йохан
- Язык: голландский
- Жанр: Культурология
Электронная книга - «Herfsttij der Middeleeuwen». Краткое содержание книги:
Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italië, maar in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men licht deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento: de blijheid, de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den nieuwen tijd, en zegt: daar waar het leven in dien toonaard klinkt, daar is de Renaissance. Doch is het niet veeleer de signatuur van den Italiaanschen geest, is zij niet reeds evenzeer aanwezig in het Italië der dertiende eeuw? Men komt altijd weer terecht, of bij de absurde consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop in de Middeleeuwen te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance met haar Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is getypeerd, en dat het begrip Renaissance slechts één aspect vertegenwoordigt van de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen.
Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op zuiver latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks 1400 in Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten: Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris, Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reform-gezinde geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre in niets onderdoen: de holle algemeenheid van gedachte, het gewild gewichtige, de gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk over de spelling van "orreolum" en "scedula", met of zonder h, over het gebruik van de k in latijnsche woorden. "Als ge mij niet te hulp komt, waarde leermeester en broeder,—schrijft hij aan Clemanges—,[992] ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus "propior", overhaast en slordig als de pen is, "proximior" heb gezet! Verbeter het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken." [993]—Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had, en Ovidius boven Vergilius stelde.[994]
In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen meeëten in het reefter, zoodat men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hèm in zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar niet specifiek humanistisch.[995] Herinneren wij ons, dat Jean de Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige vereerders van den Roman de la rose leerden kennen, en als leden van den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.
Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen, die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd, wordt herhaaldelijk door hem genoemd.[996] Petrarca is evenwel, als men het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde,[997] Machaut's Peronne d'Armentières bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer niet enkel door het voorbeeld van Heloïse, maar ook reeds door dat van Laura bezeten is geweest, dan levert Le Voir-Dit een opmerkelijk getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent van de moderne gedachte zien, toch weder een zuiver middeleeuwsche schepping kon opleveren.
Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italië zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus, catholicus ac celeberrimus philosophus moralis."[998] Ook als zoodanig wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes, de geestdrijver van Saint Lié,[999] ontleent voor een nieuw gebed, dat hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van ketterij.[1000] Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's De Vita solitaria een klacht over om het verlies van het heilige graf; "maar omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen."[1001]
De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun bewonderden Petrarca, dat buiten Italië geen redenaars en dichters te zoeken waren,[1002] te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet.[1003]
Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le docteur de patience en adversité". Voor Chastellain[1004] is messire Jehan Bocace een soort impresario der Fortuin geworden; Le Temple de Bocace betitelt hij een zeer barok tractaat over allerlei tragisch lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den "noble historien" wordt aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van Engeland.
Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid. Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter) verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier. Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en Pirithous. De dichter van Le Pastoralet spreekt van "le bon roy Scypion d'Afrique", de schrijvers van Le Jouvencel leiden "pollitique" af van[greek: polyt] en een gewaand Grieksch "icos, gardien, qui est à dire gardien de pluralité."[1005]
Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen herdersspel Le Pastoralet geeft in een beschrijving van den god Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen van zijn oude pad.[1006] Evenals Jan van Eyck soms klassicistische architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene tafereelen, zoeken de schrijvers, louter formeel nog en ter versiering, antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed.[1007] Daar waar de verwerking der klassieke vormen met den ouden geest het onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest omtrent de wording der Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden, gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een middeleeuwsch kalenderblad.[1008] Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad "à l'antique", dat wil zeggen, hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een der negen "preux" voorstelt,[1009] en zijn eigen zegepraal viert. Zoo vermomd bidt hij een kwartier lang.[1010]