Herfsttij der Middeleeuwen
- Автор: Хейзинга Йохан
- Язык: голландский
- Жанр: Культурология
Электронная книга - «Herfsttij der Middeleeuwen». Краткое содержание книги:
Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt door de begrippen "rhétorique, orateur, poésie". Zij zien de benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas, en precieuze latiniseerende termen, en vinden zich "rhétoricien". Christine de Pisan onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk als "balade pouétique".[1011] Wanneer Eustache Deschamps aan zijn kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in de meest ongenietbare quasi-klassieke poespas.
"O Socrates plains de philosophie, Seneque en meurs et Anglux en pratique, Ovides grans en ta poeterie, Bries en parler, saiges en rethorique Aigles tres haulz, qui par ta théorique Enlumines le regne d'Eneas, L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as Semé les fleurs et planté le rosier, Aux ignorans de la langue pandras, Grant translateur, noble Geffroy Chaucier! ............................................................ A toy pour ce de la fontaine Helye Requier avoir un buvraige autentique, Dont la doys est du tout en ta baillie, Pour rafrener d'elle ma soif ethique, Qui en Gaule seray paralitique Jusques a ce que tu m'abuveras."[1012]
Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke latiniseering van het edele Fransch, welke den spot van Villon en van Rabelais zou treffen.[1013] Het is steeds weer in de dichterlijke correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft. Dan spreekt Chastellain van "vostre très-humble et obéissante serve et ancelle, la ville de Gand", "la viscérale intime douleur et tribulation", La Marche van "nostre francigène locution et langue vernacule", Molinet van "abreuvé de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine caballine", "ce vertueux duc scipionique", "gens de mulièbre courage". [1014]
Deze idealen van verfijnde "rhétorique" zijn geen idealen van zuivere litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de poëzie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm van conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de geleerden correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich middenevenredig tusschen Italië en de Nederlanden. In Italië, waar taal en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid, konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de natuurlijke ontplooiing van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigde den geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo middeleeuwsch, dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers. Als genootschappen zijn zij enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest, die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van Erasmus inaugureert er de moderne beschaving.
Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers, maar zijn "nobles rhétoriciens" gelijken ook nog niet op Italiaansche humanisten. Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en vormen. Ten opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan men zonder overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die zich het meest vrij houden van klassicisme, nader staan tot de moderne ontwikkeling der litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en oratorie huldigen. De modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest, zelfs als zij dien nog kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon, Coquillart, Henri Baude, ook Charles d'Orléans en de dichter van L'amant rendu cordelier. Juist het klassicistische streven doet zich hier, althans wat dicht en proza betreft, als den remmenden invloed gelden. De pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde Bourgondische ideaaclass="underline" Chastellain, La Marche, Molinet, dat zijn de ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij zich nu en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar, en doen zij tegelijk moderner aan.
Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris van drie hertogen van Bourbon en drie Fransche koningen, zag in Georges Chastellain, den Vlaming-Bourgondiër, het puik der edele dichtkunst. Uit die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant, die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van Bourgondië opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging, vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude recept: "les Douze Dames de Rhétorique" waren hem verschenen, genaamd Science, Eloquence, Gravité de Sens, Profondité enz. Voor die verlokking bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhétorique groepeeren zich nu de brieven van het drietal;[1015] het duurde overigens niet lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling af.
Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. "J'ay esté en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la brumale froidure", aldus een verkoudheid.[1016] Even zot zijn de hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen poëzie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant:
"Frappé en l'oeil d'une clarté terrible Attaint au coeur d'éloquence incrédible, A humain sens difficile à produire, Tout offusquié de lumière incendible Outre perçant de ray presqu'impossible Sur obscur corps qui jamais ne peut luire, Ravi, abstrait me trouve en mon déduire, En extase corps gisant à la terre, Foible esperit perplex à voye enquerre Pour trouver lieu et oportune yssue Du pas estroit où je suis mis en serre, Pris à la rets qu'amour vraye a tissue."