Herfsttij der Middeleeuwen
- Автор: Хейзинга Йохан
- Язык: голландский
- Жанр: Культурология
Электронная книга - «Herfsttij der Middeleeuwen». Краткое содержание книги:
En in proza voortgaande: "Où est l'oeil capable de tel objet visible, l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?" Wat zegt Montferrant, "amy des dieux immortels et chéri des hommes, haut pis Ulixien, plein de melliflue faconde" er wel van? "N'est-ce resplendeur équale au curre Phoebus?" Is het niet meer dan Orpheus' lier, "la tube d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus?" enz. enz.[1017]
Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Mémoires zal kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle "orateurs", om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat de aartsbisschop van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift.[1018]
In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet is in Italië geweest, "en Ytalie, sur qui les respections du ciel influent aorné parler, et vers qui tyrent toutes douceurs élémentaires pour là fondre harmonie."[1019] Maar van die harmonie van het quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De voortreffelijkheid van Italië bestond voor deze geesten louter in het "aorné parler", in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen stijl.
Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames de Rhétorique tot Montferrant,[1020]—"il est exemple de Tullian art, et forme de subtilité Térencienne ... qui succié a de nos seins notre plus intériore substance par faveur; qui, outre la grâce donnée en propre terroir, se est allé rendre en pays gourmant pour réfection nouvelle (d.i. Italië), là où enfans parlent en aubes à leurs mères, frians d'escole en doctrine sur permission de eage". Chastellain zegt de correspondentie op, omdat het hem te machtig wordt: de poort heeft lang genoeg wijd opengestaan voor "Dame Vanité"; hij gaat haar grendelen. "Robertet m'a surfondu de sa nuée, et dont les perles, qui en celle se congréént comme grésil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe deçoit les voyans?" Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal George's genegenheid hem niet begeven.
Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist, komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk (1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst gedrukt zag.[1021] Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als Petrarca,[1022] een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's, zooals de diatribe tegen het huwelijk[1023] of de misprijzing van het hofleven, door Alain Chartier's Curial in het latijn terug te vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den veelgebruikten vorm van een twistgesprek, le Debat du Laboureur, du Prestre et du Gendarme. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin, die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische fraaiigheden in het geheel niet mee; geen gelatiniseerde vormen, geen hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed, maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op.
Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken. Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance. Wanneer de humanisten God "princeps superum" en Maria "genitrix tonantis" noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd:
"Vita vetus displicet, mores placent novi; Homo videt faciem, sed cor patet lovi."
Wanneer Deschamps van "Jupiter venu de Paradis" spreekt,[1024] bedoelt hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte, om tot Onze Lieve Vrouw te bidden, haar "haulte Deesse" noemt.[1025]
Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon men argeloos goden laten optreden. In Le Pastoralet heet het Celestijnen-klooster te Parijs "temple au hault bois pour les diex prier."[1026] Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe. En ten overvloede verklaart de dichter: "Se pour estrangier ma Muse je parle des diex des païens, sy sont les pastours crestiens et moy." [1027] Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op "Raison et Entendement", die hem zeiden: "Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et déesses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations."[1028]
Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain deed.
"Des dieux jadis les nations gentiles Quirent l'amour par humbles sacrifices, Lesquels, posé que ne fussent utiles, Furent nientmoins rendables et fertiles
De maint grant fruit et de haulx bénéfices, Monstrans par fait que d'amour les offices Et d'honneur humble, impartis où qu'ils soient Pour percer ciel et enfer suffisoient."[1029]
Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe de Ternant, zonder naar de gewoonte een "bannerole de devocion" te dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. "Laquelle chose je ne prise point", zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener is het devies, dat Ternant draagt: "Je souhaite que avoir puisse de mes desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse."[1030] Het kon de lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw.