Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]
- Автор: Мэй Джулиан
- Год: 1986
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- ISBN: 90-274-0547-6
- Переводчик: Wim Gijsen
- Жанр: Научная фантастика
Электронная книга - «Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]». Краткое содержание книги:
De vroegere ruimtevaarder stelde een paar vragen en bleef toen stil. Jammer dat de non in een harem voor buitenaardsen terechtkwam. Ze was goed voor hem geweest. Aan de andere kant, die ijskoningin van een Elizabeth had een goed opwarmertje nodig. En Felice, dat sluwe, kleine kreng...! Richard had haar in de herberg een onschuldig klein voorstel gedaan en ze had hem ervan langs gegeven op een manier waar de honden geen brood van lusten. Verdomd, pesterig klein hoertje! Hij hoopte dat die buitenaardsen pikken hadden zo groot als baseballknuppels. Dat was precies wat haar toekwam. Ze werd er misschien nog een echt wijf door ook.
De karavaan bewoog gestaag de helling af, nu iets meer naar het noordoosten en daardoor dichter naar de rivier. Het vuurbaken was hun geleide. Claude wist te vertellen dat soortgelijke vuren om de twee kilometer de hele weg vanaf het kasteel hadden gemarkeerd. Er reed blijkbaar een groep verkenners vooruit over hetzelfde pad, die de klaarliggende vuren ontstaken zodra zij er waren gepasseerd.
‘Ik geloof dat ik daar beneden een gebouw zie,’ zei Claude. ‘Misschien is dat de plek waar we even rust krijgen.’ Richard hoopte hartgrondig dat dat zo was. Hij had veel te veel water gedronken.
Aan het hoofd van de stoet weerklonk de drietonige roep van een hoorn. Vanuit de verte kwam de echo terug. Na een paar minuten maakte ongeveer een dozijn kleine lichtvlekjes zich los van het grote vuurbaken in de verte en naderde de karavaan in een slingerende lijn: rijders met toortsen die hem kwamen escorteren.
Tegen de tijd dat beide groepen samenkwamen, konden Claude en Richard zien dat het vuurbaken was ontstoken buiten de muren van iets dat het meest leek op een ouderwets Amerikaans fort. Het stond op een uitstekende rotswand boven een door bomen omgeven waterloop die ongetwijfeld in de Saöne uitkwam. De karavaan stopte even en Vrouwe Epone en Waldemar reden naar voren om het escorte te begroeten. In het toortslicht bewonderde Richard onbekommerd de statige Tanu-vrouw die op een witte chaliko van ongewone grootte reed en een donkerblauwe mantel met een kap droeg die achter haar aan zwierde. Na een korte samenspraak, reden twee soldaten uit het fort opzij van de karavaan en dreven op een of andere manier de amphycions bijeen. De beerhonden werden daarna over een zijpad weggeleid, terwijl de rest van het escorte zich opstelde naast de karavaan voor het laatste deel van hun reis. Een deur in de palissade zwaaide open en twee aan twee reden ze naar binnen. De rijdieren van de gevangenen werden aan palen gekluisterd die vlak voor dubbele troggen met water en voedsel stonden. Aan één kant van elke chaliko bevond zich een verhoging die het afstijgen makkelijker maakte. Nadat de soldaten hun kettingen hadden losgemaakt, stegen de reizigers met stijve spieren af en verzamelden zich tot een onrustig groepje dat direct door Waldemar werd toegesproken.
‘Reizigers, attentie allemaal! We rusten hier een uur, daarna gaan we acht uur door tot in de vroege morgen.’ Iedereen mompelde. ‘Latrines vind je in het kleine gebouw achter je, eten en drinken in het grotere gebouw daarnaast. Ieder die ziek is of wat te klagen heeft, komt naar mij toe. Maak je klaar om op te stijgen als je het hoornsignaal hebt gehoord. En niemand komt achter deze railing vandaan. Dat is alles.’
Epone, nog steeds op de rug van haar rijdier, manoeuvreerde haar chaliko elegant door de kleine groep tot ze ver boven Richard uittorende.
‘Ik ben blij te zien dat je weer beter wordt.’
Hij keek haar onderzoekend aan. ‘Ik voel me weer prima. En het is fijn om te weten dat u een dame bent met hart voor haar kudde.’
Ze gooide haar hoofd achterover en lachte, watervallen van geluid die klonken als de diepe akkoorden van een harp. Haar gedeeltelijk verborgen haar glansde in het toortslicht. ‘Het is echt jammer van jou,’ zei ze, ‘je hebt meer fut dan die suffige Middeleeuwer.’
Ze keerde haar rijdier en reed naar de tegenoverliggende zijde van de omheining waar ze door onderdanige mannen in witte tunieken uit het zadel werd geholpen.
‘Wat was dat allemaal?’ vroeg Amerie die met Felice was komen aanlopen.
Richard keek woest. ‘Hoe moet ik dat verdomme weten.’ Hij strompelde weg naar de latrines.
Felice keek hem na. ‘Zijn al je patiënten zo dankbaar?’
De non lachte. ‘Hij komt weer helemaal in orde. Je weet dat ze beter worden als ze weer zin hebben om je kop eraf te bijten.’
‘Het is alleen maar een stomme zwakkeling.’
‘Ik denk dat je het mis hebt,’ zei Amerie. Maar Felice snoof woedend en liep weg. Later, toen de twee vrouwen met Claude zaten te eten, kaas, koud vlees en maïsbrood, kwam Richard terug en bood zijn verontschuldigingen aan.
‘Denk er maar niet meer aan,’ zei de non. ‘Kom bij ons zitten en eet. We moeten wat met je bepraten.’
Richards ogen werden kleiner. ‘Ja?’
‘Felice heeft een plan om te ontsnappen,’ zei Claude zachtjes, ‘maar er zijn problemen.’
‘ ’t Is niet waar?’ brulde de piraat luidkeels.
De kleine ringhockeyspeelster nam zijn hand en drukte heel hard. Zijn ogen puilden uit en hij perste zijn lippen op elkaar.
‘Niet zo hard,’ zei Felice.
‘Het probleem is niet de ontsnapping, maar daarna. Ze hebben ons de kaarten en kompassen afgenomen. Claude weet door zijn paleontologische studie van zo’n honderd jaar geleden ongeveer hoe dit deel van Europa eruitzag, maar daar schieten we weinig mee op als we ons niet kunnen oriënteren terwijl we op de vlucht zijn. Kun jij ons daarbij helpen? Heb jij die grootschalige kaart van Frankrijk bestudeerd toen we nog in de herberg waren?’ Ze liet zijn hand vallen en Richard keek naar de wit weggetrokken huid en staarde haar daarna vol venijn aan. ‘Nee. Ik ging ervan uit dat daarvoor genoeg tijd zou zijn als we hier aankwamen. Ik had een compenserend kompas meegenomen, een sextant met een computer, alle kaarten die ik nodig had. Maar ik neem aan dat dat allemaal in beslag is genomen. De enige route waar ik naar gekeken heb, is die naar het westen, naar Bordeaux.’
Felice gromde van weerzin. Claude bleef een vreemdzame toon aanslaan. ‘We denken dat jij veel van navigatie moet afweten. Er moet een manier zijn waarop we ons hier oriënteren kunnen. Kun jij de poolster voor ons vinden? Dat zou al een hele hulp zijn.’
‘Een fregat van de ruimtevloot ook,’ snauwde Richard, ‘of anders Robin Hood en zijn vriendjes.’
Felice stak haar handen weer naar hem uit en Richard week haastig achteruit. ‘Kun je het, Richard?’ vroeg ze, ‘of heb je die strepen op je mouw alleen voor goed gedrag?’ ‘Dit is niet mijn thuisplaneet, lekkertje. En die oplichtende nachtwolken maken het er niet gemakkelijker op.’ ‘Dat komt door het vulkanisme,’ zei Claude. ‘Er zit nogal wat stof in de bovenste atmosfeer. Maar de maan is op en andere bewolking is er niet. Denk je dat je haar kunt fixeren tussen het komen en gaan van die lichtende strepen door?’ ‘Misschien,’ mompelde Richard. ‘Maar waarom ik me daar voor de donder druk over zou moeten maken, ontgaat me . .. Wat ik wel es wil weten, wat is er met mijn piratenpak gebeurd? Wie heeft me dit aangetrokken?’
‘Het was er,’ antwoordde Felice lievig, ‘en jij had het nodig. Zwaar nodig. Dus konden we niet anders. Je doet alles om een vriend te helpen.’
‘Je raakte aardig onder de viezigheid bij een vechtpartij, ginds in het kasteel,’ zei Claude haastig. ‘Ik heb je zo’n beetje schoongemaakt en je andere kleren gewassen. Ze hangen aan de achterkant van je zadel. Ze zouden nu droog moeten zijn.’ Richard keek de meesmuilende Felice onderzoekend aan, toen bedankte hij de oude man. Een gevecht? Met wie had hij gevochten? En wie had er zo verachtelijk tegen hem gelachen? Een vrouw met ogen waar je in verdrinken kon. Maar niet Felice...