Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Научная фантастика » Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]
Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl] - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]

Электронная книга - «Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]». Краткое содержание книги:

Het jaar 2034 De Fransa natuurkundige Theo Guderian doet een curieuze ontdekking: een poort door de tijd die leidt naar de Rhonevallei van het Plioceen — zes miljoen jaar geleden.Een reis waarvan geen weg terug is en daarom voor de wetenschap niet interessant. Lang na de dood van de ontdekker wordt een bruikbare toepassing voor de poort gevonden: ieder die niet past of zich niet thuisvoelt in het Galactisch bestel kan zich vrijwillig laten verbannen naar deze mysterieuze omgeving in het verre verleden. In 2110 maakt een buitengewoon gemeleerd gezelschap van’onaangepaste’maar talentvolle persoonlijkheden gebruik van deze mogelijkheid om de technologische perfectie van de 22ste eeuw te ontvluchten. Maar aan de andere kant van de poort heerst niet de idyllische eenvoud die zij er hoopten aan te treffen. Zij worden opgewacht door twee buitenaardse,oorlogszuchtige rassen die hen genadeloos misbruiken voor hun eeuwenouden strijd.
1 ... 43 44 45 46 47 48 49 50 51 ... 116
Перейти на страницу:

‘De Tanu tijdens hun spel?’ vroeg Bryan. Sukey liet een teleurgestelde kreet horen. ‘Ach ... ze verdwij­nen achter de heuvel. Wat zonde! Vertel ons wat de Jacht is, heer Creyn.’

Op het gezicht van de buitenaardse man verscheen een ernstige uitdrukking. ‘Dat is een van de grote tradities van ons volk. Jullie zullen het nog heel wat keren zien. Maar het is beter wanneer jullie zelf uitvinden wat het is.’

‘En als we het goed doen,’ zei Aiken onbeschaamd, ‘mogen we dan meedoen?’

‘Mogelijk,’ antwoordde Creyn. ‘Het is niet de smaak van ieder mens. Zelfs niet van elke Tanu. Maar jij... ja, ik denk dat de Jacht jouw speciale gevoel voor sport wel zou aanspreken, Aiken Drum.’

Een ogenblik lang waren zijn emoties voor Elizabeth duidelijk leesbaar: afkeer, vermengd met een eeuwenoud gevoel van wan­hoop.

9

Richard zag vlammen.

Ze kwamen in zijn richting of hij ging in de hunne en ze waren oranje en donkerrood en rezen als waaierende tongen recht omhoog in het vrijwel windstille duister. Hij zag dat het een stapel brandende struiken was, ongeveer ter grootte van een kleine hut, krakend en sissend, maar zonder von­ken. Het leek hem voorbij te komen, in te houden en dan weer te verdwijnen achter een groep duistere bomen die onzichtbaar in de nacht te voorschijn waren gekomen.

Zijn nek deed pijn van het achterover leunen. Hij liet zijn hoofd voorover vallen. Er bevond zich iets groots recht voor hem uit, iets met lang haar dat ritmisch bewoog. Dat was heel vreemd! Hijzelf schommelde, maar hij werd stevig vastgehouden door een of ander tuig dat hem overeind hield. Zijn benen lagen onder een hoek voorwaarts, de kuiten rustten tegen iets dat hij niet kon waarnemen, zijn voeten tegen een soort sporten of treden. Zijn armen, verborgen in de vertrouwde mouwen van een meesterschipper en ruimtevaarder, lagen gevouwen in zijn schoot. Een raar sterreschip was dit, bepeinsde hij, met een harig bedie­ningspaneel. En ook met de omgeving deugde er iets niet, want het was zeker bijna dertig graden en er was stof in de lucht en het rook vreemd.

Bomen? Een vuur? Hij keek om zich heen en zag sterren ... niet de sterren die je in de diepe ruimte behoorde te zien, maar kleine, twinkelende puntjes. Verder weg, in het zwart achter die besterde schaalvorm, was nog een ander licht te zien. ‘Richard? Ben je wakker? Wil je wat water?’ Wel, wel! Kijk es wie daar naast hem op de bestuurdersstoel van dit vreemde krat zat? Niemand anders dan die oude bottenjager! Hij zou toch gedacht hebben dat die niet meer in aanmer­king kwam. Hoewel, ze stelden misschien niet al te veel eisen als je boven de grond vloog ...

‘Richard, als ik je de veldfles aangeef, kun je hem dan zelf vast­houden?’

De reuk van dieren, doordringende vegetatie, leer. Geluiden van krakend tuig, het geplof van poten, blazende ademhalingen, iets dat schreeuwde in de verte en de stem van die vasthoudende oude man naast hem. ‘Wil geen water,’ zei Richard.

‘Amerie zei dat je het nodig zou hebben als je wakker werd. Je bent uitgedroogd. Kom op, kerel.’

Hij keek Claude in de duisternis wat beter aan. Deze was zicht­baar tegen het licht van de sterren en zat boven op een paardachtig beest dat met groot gemak voortsnelde. Heb je ooit! Hij zat zelf ook op zo’n ding! Daar waren de teugels, over de zadelknop voor hem en daar ... de nek van het schepsel. En het bewoog keurig rechtuit zonder iemand die er iets aan deed. Richard probeerde zijn benen op te trekken, maar merkte dat die op de een of andere manier in stijgbeugels vastzaten. Hij droeg niet langer zijn zeelaarzen en iemand had zijn operette­kostuum verwisseld voor dit ruimtevaarderspak met de vier stre­pen op de mouwen dat hijzelf onder in zijn bagage had ver­stouwd. En afgezien daarvan had hij een kater van werkelijk koninklijke allure.

‘Claude,’ kreunde hij, ‘heb je een borrel?’ ‘Niet voor jou, jongen. Niet voor de medicijn is uitgewerkt waar­mee Amerie je heeft volgespoten. Hier. Neem het water maar.’ Richard moest ver opzij buigen om erbij te kunnen en de besterde hemel tolde voor zijn ogen. Als zijn enkels niet waren vastgemaakt, was hij uit het zadel gevallen. ‘Jezus, Claude, ik voel me opgevreten en weer uitgespuugd. Waar zijn we en wat is dit voor een ding waar ik opzit?’ ‘We zijn vier uur bij het kasteel vandaan, we rijden naar het noorden, parallel aan de Saône. Voor zover ik weet rijd je op een groot exemplaar van de Chalicotherium goldfussi, die de inheemsen hier een chaliko noemen. Die beesten halen er hier op het plateau een aardige snelheid uit, misschien wel vijftien of zestien kilometer per uur. Maar we hebben nogal wat tijd verlo­ren met het oversteken van riviertjes rondom een klein moeras. Ik schat dat we dertig kilometer boven Lyon zitten, als er zoiets als Lyon bestond.’

Richard vloekte. ‘En waar gaan we heen, in godsnaam?’ ‘Een of andere stad uit het Plioceen die Finiah wordt genoemd. Naar wat ze erover vertelden ligt het aan de Proto-Rijn in de buurt van Freiburg. We zullen daar in zes dagen zijn.’ Richard dronk wat van het water en merkte dat hij zeer dorstig was. Hij kon zich niets meer herinneren na de verwelkomende glimlach van Epone die hem haar kamer in het kasteel had bin­nengelokt. Hij probeerde weer bij zijn positieven te komen, maar het enige dat hij zich herinnerde waren flarden van dromen waarin zijn broer en zuster hem leken aan te manen op te staan omdat hij anders te laat op school zou komen. En als straf daar­voor zou hij eindeloos en voor altijd het grijze niets moeten door­kruisen, op zoek naar een verloren planeet waar Epone op hem zou wachten.

Na een tijdje vroeg hij: ‘Wat is er met me gebeurd?’

‘We zijn er niet zeker van,’ antwoordde Claude. ‘Je weet toch dat er buitenaardsen in het kasteel waren?’

‘Ik herinner me een grote vrouw,’ mompelde Richard. ‘Ik denk dat zij iets met me heeft uitgehaald.’

‘Wat het ook was, je was urenlang buiten westen. Amerie kreeg je een klein eindje uit je bewusteloosheid zodat je tenminste samen met ons vervoerd kon worden in de karavaan. We dachten dat je dat zou verkiezen boven alleen achterblijven.’ ‘Christus, ja.’ Richard nam trage slokken van het water, leunde achterover en keek lange tijd naar de hemel. Daar waren een verdomde hoop sterren en parelachtige strepen van lichtende wolken in de richting van de horizon. Terwijl de karavaan een lange helling begon af te dalen, kon hij zien dat hij en de oude man aan het einde van een dubbele rij ruiters reden. Nu zijn ogen weer goed konden zien, ontdekte hij andere, donkere scha­duwen die aan weerszijden van de colonne met eigenaardige sprongachtige stappen voortgingen. ‘Wat zijn dat voor dingen daarbuiten?’

‘Amphycions die ons bewaken. Er zijn ook nog eens vijf soldaten, maar die nemen nauwelijks de moeite ons in de gaten te houden. Twee rijden achteraan en drie van voren, samen met de Verhe­ven Vrouwe.’ ‘De wart’

‘Epone zelf. Ze komt van Finiah. Deze buitenaardsen—ze heten trouwens Tanu—beschikken over wijd verspreide nederzettin­gen, ieder met een centrale stad en omringende plantages. Ik veronderstel dat wij mensen voor hen slaven of dienaren zijn op een paar na die speciale privileges genieten. Blijkbaar wordt de wekelijkse oogst aan tijdreizigers op kasteel Doortocht om de beurt naar een van die steden gezonden, nadat de uitzonderin­gen er zijn uitgezeefd die naar de hoofdstad gaan. En zonder de ongelukkigen natuurlijk die gedood zijn terwijl ze probeerden te ontsnappen.’

‘En wij zijn geen uitzonderingen, neem ik aan.’ ‘Wij horen tot de ordinaire veestapel. Amerie en Felice zijn ook in de karavaan. Maar vier van de andere Groenen zijn eruit gehaald en naar het zuiden gezonden om een mooie tijd te heb­ben. Groep Groen is in dat opzicht naar het schijnt buitenge­woon. Uit de hele rest van het wekelijkse contingent zijn maar twee anderen voor de hoofdstad geselecteerd.’ Terwijl ze verder reden, vertelde de oude man Richard zoveel hij kon over de gebeurtenissen van die dag en het veronderstelde lot van Aiken, Elizabeth, Bryan en Stein. Hij gaf ook een samenvat­ting van Waldemars kleine toespraak voor hun vertrek en vertel­de met enige tegenzin wat de toekomst speciaal voor de vrouwen in petto had.

1 ... 43 44 45 46 47 48 49 50 51 ... 116
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)