Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]
- Автор: Мэй Джулиан
- Год: 1986
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- ISBN: 90-274-0547-6
- Переводчик: Wim Gijsen
- Жанр: Научная фантастика
Электронная книга - «Het veelkleurig land [The Many-Colored Land - nl]». Краткое содержание книги:
Hij pakte een gevallen, nog bebladerde tak op en werkte die door de bewerkte muurspleten in het aangrenzende dierenverblijf. ‘Hier, jongen. Hier.’
Een van de schepsels aan de andere zijde van de muur stak zijn begroeide, op die van een paard lijkende oren omhoog en hobbelde naar voren om eens te proeven. Claude keek verrukt toe hoe het eerst met kleine voortanden aan de bladeren begon te knabbelen en vervolgens met zijn sterke kiezen de meer houtige delen begon te vermalen. Toen het hapje was verorberd, gaf het beest hem een blik vol duidelijk verwijt vanwege zijn zuinigheid en dus stond hij op en haalde meer.
Het was een chalicothere, een lid van een van de eigenaardigste en fascinerendste families van cenozoïsche zoogdieren. Het had een massief lichaam met een brede borstkas, bijna drie meter lang en met een paardachtige nek en hoofd die al in de richting van die verwantschap wezen. De voorpoten waren wat langer dan de achterpoten en minstens twee maal zo dik als die van een trekpaard. Maar in plaats van te eindigen in hoeven, hadden de poten drie tenen die uitliepen op grote, half intrekbare klauwen. De binnenste daarvan had de omvang van een menselijke hand, de overige waren de helft kleiner. Het lichaam was bedekt met een korte beharing van blauwachtig grijs, wit gespikkeld rondom de flanken, de schoften en het achterste. De staart was nog rudimentair, maar het beest kon bogen op prachtige manen van lang, zwart haar, een zwarte streep langs de ruggegraat en opvallende, zwarte pluimen aan de vetlokken. De intelligente ogen stonden wat meer voor in de schedel dan bij een paard en waren omringd door zware, zwarte wimpers waarmee het voortdurend knipoogde. Het droeg een leren breidel en was duidelijk volledig tam. Binnen de omheining stonden zeker zestig van die dieren, de meeste grijsgevlekt met hier en daar een enkele witte of voskleurige.
De zon rees boven de grote toegangspoort uit en scheen ten slotte rechtstreeks op het erf, waardoor vrijwel iedereen verjaagd werd naar de relatieve koelte van de stenen slaapzaal. Er kwam een verrassend redelijke maaltijd op tafel van een met laurier op smaak gebrachte stamppot, fruit en een wijnpunch. Claude probeerde andermaal tevergeefs Richard wakker te maken en borg het eten voor de piraat ten slotte maar onder zijn slaapbank weg. De meeste gevangenen namen na de maaltijd een rustpauze, maar Claude ging opnieuw naar buiten om zijn spijsvertering te bevorderen en na te denken over zijn toekomst. Ongeveer twee uur later begonnen in het grijs geklede stalknechten grote manden aan te dragen met grillig gevormde knollen en vette wortels die op voederbieten leken. Ze leegden de manden in de troggen voor de dieren en terwijl de chalicotheres op die manier werden gevoederd, maakten de mannen het verblijf schoon met houten schoppen en van twijgen vervaardigde bezems. De mest werd in karren geladen die langs een gang naar een achteruitgang verdwenen. Twee van de stalknechten bleven achter met een draagbare pomp die in de fontein werd ondergedompeld. Terwijl een van de mannen pompte, ontrolde de ander een stijve canvas slang waarmee de vloer van de stallen werd schoongewassen; het overtollige water verdween in een soort goten. Nadat de stalvloer was gereinigd, richtte hij zijn waterstraal op de nog etende dieren die daarbij allerlei verrukte geluiden uitstootten.
De oude paleontoloog knikte tevreden. Liefhebbers van water. Knolleneters. Dus de chalicotheres hielden zich inderdaad op in het vochtige, halftropische woud en de modderige graslanden langs de rivieren. En ze gebruikten hun klauwen echt om wortels op te graven. Een klein mysterie van de paleobiologie was opgelost, voor hem tenminste. Maar zouden de gevangenen werkelijk op zulke archaïsche viervoeters moeten rijden? De dieren zouden niet zo snel zijn als paarden, maar ze zagen er wel uit alsof ze over veel uithoudingsvermogen beschikten. Maar hun loop? Claude huiverde. Wanneer een van deze beesten met hem erop in draf ging, dan zouden zijn oude knie- en heupgewrichten als antieke kerstboomversieringen door elkaar worden geschud. Een geluid uit de beschaduwde kloostergang trok zijn aandacht. Soldaten voerden twee nieuwe gevangenen naar de achterdeur van het erf. Claude zag een wuivende groene pluim en een glimp van iets zwarts met wit. Felice en Amerie! Hij haastte zich erheen en stond te wachten toen de gevangenen via de slaapzaal werden binnengeleid. Een van de bewakers, die hun bagage had gedragen, zette dat neer en zei op vriendelijke toon: ‘Jullie zullen niet lang meer hoeven te wachten. Probeer iets te eten van wat er op de tafels is overgebleven.’ De dolende ridder kwam naar hen toegerend en zei op tragische toon: ‘Is Aslan onderweg? Hebt u hem gezien, goede Zuster? Misschien maakt deze krijgsmaagd deel uit van zijn gevolg? Aslan moet komen anders zijn we ten ondergang gedoemd!’ ‘Oh, rot op!’ mompelde Felice.
Claude greep de ridder bij een van zijn gemaliede ellebogen en voerde hem naar een zitplaats bij de andere deur. ‘Blijf hier zitten en wacht op Aslan.’ De man knikte ernstig en ging zitten. Ergens in de schemerige ruimte huilde iemand. De alpinist speelde ‘Greensleeves’ op zijn fluit.
Toen Claude terugkeerde, was Felice vloekend bezig haar rugzak overhoop te halen. ‘Alles is weg! De kruisboog, mijn vildersmessen, de touwen, ongeveer elk verdomd ding dat ik had kunnen gebruiken om hier weg te komen!’
‘Dat kun je maar beter vergeten,’ vertelde Claude haar. ‘Als je geweld gebruikt, doen ze je zo’n halsring om. Die kerel die daar fluit zit te spelen, vertelde me van een gevangene die de kolder in zijn kop kreeg en een bewaker aanviel. Soldaten sloegen hem neer en daarna kreeg hij een van die grijze metalen nekringen om. Toen hij stopte met schreeuwen en weer bij zijn positieven kwam, was hij zo zacht als een lammetje. En die band kreeg hij er niet meer af.’
Felice begon nog uitgebreider te vloeken. ‘Zijn ze dan van plan om ons allemaal zo’n ding om te doen?’ Claude keek om zich heen, maar niemand schonk hen ook maar de minste aandacht. ‘Blijkbaar niet. Voor zover ik kan nagaan, werken die grijze banden als een ruw soort psychoregulator, waarschijnlijk verbonden met de gouden exemplaren die door Vrouwe Epone en haar soortgenoten worden gedragen. Niet al de bedienden op het kasteel dragen ze. Soldaten en bewakers wel en stromannen als die Tully. Maar de stalknechten niet en de lui uit de keuken evenmin.’
‘Die posities zijn niet belangrijk genoeg?’ suggereerde de non. ‘Of misschien zijn er niet voldoende metalen,’ zei Claude. Felice fronste. ‘Dat zou kunnen. Er is een goed ontwikkelde technologie nodig om dit soort dingen te fabriceren. En veel ziet er hier toch een beetje gammel uit. Heb je gezien hoe dat testapparaat aan- en uitging? En stromend water was er ook al niet.’ ‘Ze hebben niet de moeite genomen om mijn medicijnen in te pikken,’ zei Amerie. ‘De ringen beschermen de bewakers zeker tegen de mogelijkheid dat wij zouden proberen hen ergens mee te verdoven. Handige dingetjes blijkbaar. Geen slavenopzichter zou eigenlijk zonder moeten zijn.’