Ender wint [=De tactiek van Ender / Ender's Game - nl]
- Автор: Кард Орсон Скотт
- Год: 1989
- Язык: голландский
- Год: J.M. Meulenhoff
- ISBN: 90-290-4143-9
- Переводчик: M. K. Stuyter
- Жанр: Научная фантастика
Электронная книга - «Ender wint [=De tactiek van Ender / Ender's Game - nl]». Краткое содержание книги:
‘Oh.’
‘Kan vast niet erg gevaarlijk zijn, anders zouden ze deze wapens niet aan kinderen geven.’
‘We zijn nu soldaten.’
‘Schiet mij maar in m’n voet.’
‘Nee, schiet jij mij maar in de mijne.’
‘Dan schieten we gewoon in elkaars voet.’
Dat deden ze. Onmiddellijk voelde Ender de pijp van het pak verstijven en bij de knie- en enkelgewrichten onbeweeglijk worden.
‘Ben jij ook bevroren?’vroeg Alai.
‘Zo stijf als een plank.’
‘Kom op, dan gaan we een paar anderen bevriezen,’zei Alai. ‘Onze eerste oorlog. Wij tegen de anderen.’
Ze grinnikten. Toen zei Ender: ‘We kunnen beter Bernard erbij vragen.’
Alai trok verbaasd een wenkbrauw op. ‘Oh?’
‘En Shen.’
‘Die kleine spleetoog die zo met zijn reet wiebelt?’
Ender besliste dat Alai een geintje maakte. ‘Hoor es, we kunnen niet allemaal nikkers zijn.’
Alai grijnsde. ‘Als je dat tegen mijn grantata had gezegd had hij je vermoord.’
‘Voor het zover kwam had mijn betovergrootvader hem allang verkocht.’
‘Kom op, dan halen we Bernard en Shen en dan gaan we die kruiperdvrienden eens bevriezen.’
Twintig minuten later was iedereen in de zaal stijf bevroren op Ender, Bernard, Shen en Alai na. Het viertal zat luidkeels te joelen en te lachen tot Dap binnenkwam.
‘Ik zie dat jullie al uitgevist hebben hoe je je uitrusting moet gebruiken,’zei hij. Toen deed hij iets met een regelaartje dat hij in zijn hand droeg. Iedereen zweefde traag in de richting van de wand waarop hij stond. Hij liep tussen de bevroren jongens door en tikte hen aan waardoor hun pakken weer soepel werden. Er volgde een lawine van klachten dat het niet eerlijk was dat Bernard en Alai hen allemaal hadden aangeschoten toen ze nog helemaal niet klaar waren.
‘Waarom waren jullie niet klaar?’vroeg Dap. ‘Jullie hadden je pak net zo lang aan als zij. Jullie hadden precies evenveel tijd om rond te fladderen als dronken eenden. Hou op met dat gejank, dan gaan we beginnen.’
Ender merkte op dat iedereen aannam dat Bernard en Alai in het gevecht de aanvoerders waren geweest. Dat was prima. Bernard wist dat Ender en Alai samen hadden uitgeprobeerd hoe de wapens gebruikt moesten worden. En Ender en Alai waren bevriend. Bernard dacht misschien wel dat Ender zich bij zijn groep had aangesloten, maar dat was niet zo. Ender had zich bij een nieuwe groep aangesloten. Bij de groep van Alai. En Bernard hoorde daar ook bij.
Dat was niet meteen iedereen duidelijk; Bernard speelde nog steeds de baas en liet zijn handlangers allerlei karweitjes opknappen. Maar Alai bewoog zich nu vrijelijk door de hele slaapzaal en als Bernard uit zijn bol ging kon Alai hem met een geintje meestal wel weer kalmeren. Toen het moment aanbrak waarop ze hun kameroudste moesten kiezen, werd Alai met vrijwel algemene stemmen gekozen. Bernard mokte nog een paar dagen maar daarna knapte hij flink op en iedereen schikte zich in het nieuwe patroon. De lichting was niet langer verdeeld in Bernards intieme vriendenkring en Enders uitgestotenen. Alai vormde de brug.
Ender zat op zijn bed met zijn lessenaar op zijn knieën. Ze hadden vrij spel en Ender deed het Improvisatiespel. Dat was een steeds veranderend, krankjorum spel waarin de schoolcomputer telkens met nieuwe dingen op de proppen kwam zodat er een doolhof ontstond waarin je kon ronddwalen. Dingen die je leuk vond werden een tijdje bewaard zodat je er naar kon terugkeren; als je dat te lang niet deed, verdwenen ze en kwam er iets anders voor in de plaats.
Soms waren het grappige dingen. Soms waren ze spannend en moest hij razendsnel zijn om in leven te blijven. Hij was al een heleboel keer dood geweest, maar dat was prima, dat hoorde zo bij spelletjes; tot je doorkreeg hoe het moest, ging je een heleboel keren dood.
Zijn figuurtje op het scherm was begonnen als een kleine jongen. Daarna was hij nog een tijdje een beer geweest en nu was hij een grote muis met grote handen en lange, dunne vingers. Hij liet zijn figuurtje onder een heleboel enorme meubelstukken doorrennen. Hij had ook vaak met de kat gespeeld, maar het begon erg saai te worden — het werd te makkelijk om alles te ontwijken, hij kende alle meubelstukken.
Niet door het muizegaatje dit keer, nam hij zich voor. Ik ben doodziek van die Reus. Dat stomme spel is toch niet te winnen. Alles wat ik kies is fout.
Maar hij ging toch weer door het muizegaatje en over het bruggetje de tuin in. Hij ontweek de eenden en de bommenwerpende muskieten — hij had geprobeerd om daarmee te spelen maar dat was veel te makkelijk, en als hij te lang met de eenden speelde veranderde hij in een vis en dat stond hem helemaal niet aan. Vis-zijn leek veel te veel op bevriezen in de strijdzaal en met een verstijfd lijf te moeten wachten tot de tijd om was en Dap hem kwam ontdooien. En zoals gewoonlijk belandde hij dus weer op de glooiende hellingen van de heuvels.
Daar begonnen de aardverschuivingen. Aanvankelijk was hij er telkens weer in terechtgekomen en verpletterd tot een overdreven plas bloed die onder een hoop stenen vandaan sijpelde. Maar inmiddels had hij er slag van om door op een bepaalde manier schuin tegen de helling op te lopen en steeds maar hogere grond op te zoeken te voorkomen dat hij verpletterd werd.
En net als altijd bestonden de aardverschuivingen op een gegeven moment helemaal niet meer uit aarde en stenen. Het oppervlak van de helling barstte open en in plaats van leisteen zat er witbrood onder, luchtig en omhoog komend als rijzend deeg naarmate de korst verder openbarstte en afbrokkelde. Het was zacht en sponzig. Zijn figuurtje verplaatste zich nu trager. En toen hij van het brood af sprong, stond hij op een tafel. Reusachtig brood achter zijn rug; reusachtig blok boter naast hem. En de Reus zelf die hem met zijn kin op zijn handen zat aan te staren. Enders figuurtje was ongeveer even groot als het reuzenhoofd van kin tot kruin.
‘Ik denk dat ik je hoofd er maar eens ga afbijten,’zei de Reus, zoals gewoonlijk.
Dit keer bleef Ender niet staan en hij holde ook niet weg, maar hij liet zijn figuurtje naar het gezicht van de Reus toelopen en gaf hem een schop tegen zijn kin.
De Reus stak zijn tong uit en Ender viel achterover.
‘Heb je zin in een raadselspelletje?’vroeg de Reus. Het maakte dus niets uit — de Reus speelde altijd alleen maar het raadselspelletje. Stomme computer. Hij had wel miljoenen mogelijke draaiboeken in zijn geheugen en de Reus kende maar één stom spelletje.
Zoals altijd zette de Reus twee enorme borrelglazen die tot Enders knieën reikten voor hem op tafel. Zoals altijd waren die met twee verschillende dranken gevuld. De computer was wel zo goed dat het nooit dezelfde dranken waren, tenminste niet voor zover hij zich herinnerde. Dit keer bevatte het ene glas een dikke, romig aandoende vloeistof. Het andere siste en schuimde.
‘De ene drank is giftig, de andere niet,’zei de Reus. ‘Als je goed raadt, neem ik je mee naar Sprookjesland.’
Raden betekende dat hij zijn hoofd in een van de glazen moest steken en van de drank drinken. Hij raadde nooit goed. Soms loste zijn hele hoofd op. Soms vloog hij in brand. Soms viel hij in het glas en verdronk. Soms viel hij er weer uit, werd helemaal groen en rotte weg. Het was altijd afschuwelijk en de Reus zat altijd keihard te lachen.
Ender wist dat hij zou sterven, wat hij ook koos. Het spel was doorgestoken kaart. Als hij de eerste keer dood ging zou zijn figuurtje weer op de tafel van de Reus verschijnen om nog een keer het raadselspel te spelen. Na zijn tweede dood kwam hij terug bij de aardverschuivingen. Daarna bij het bruggetje naar de tuin. Daarna bij het muizegaatje. En als hij dan toch weer naar de Reus bleef terugkeren en weer het raadselspel speelde en weer stierf, werd zijn lessenaar zwart en zou de tekst ‘Einde vrij spel’langs de rand van het scherm marcheren. Dan liet Ender zich op zijn rug op zijn bed vallen waar hij lag te trillen tot hij eindelijk in slaap kon komen. Het spel was doorgestoken kaart maar de Reus bleef maar beloven om hem naar Sprookjesland te brengen, een of ander stom kinderachtig Sprookjesland voor kleuters waar vast een of andere stomme Donald Duck of Pac-Man of Sneeuwwitje zou rondlopen, de moeite niet waard om er heen te gaan, maar hij moest en zou een manier vinden om de Reus te verslaan en er te komen.