De Draken van de Lentedooi
- Автор: Уэйс Маргарет, Хикмэн Трэйси
- Серия: Draken #3
- Год: 2009
- Язык: голландский
- Год: Luitingh Fantasy
- ISBN: 978-90-245-5066-1
- Переводчик: Sandra van de Ven
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Draken van de Lentedooi». Краткое содержание книги:
De strijd tegen de draken van koningin Tachisis duurt voort. Gewapend met de geheimzinnige, magische drakenbollen en de glanzende, zilveren drakenlans hopen de metgezellen de laatste slag te winnen en zo de wereld een toekomst te bieden. Maar nu, bij het aanbreken van een nieuwe dag, komen de duistere geheimen die ze stuk voor stuk met zich meedragen een voor een aan het licht. De vrienden ontdekken dat ze eerst hun eigen demonen moeten overwinnen, willen ze een kans maken legen de macht van de Duistere Koningin en haar gevreesde draken.
‘Nee, Raistlin!’ riep de echte Caramon. ‘Het is een list! Een list van deze oude man! Dat kan ik helemaal niet! Ik zou nooit je magie van je stelen. Nooit!’
Maar de onechte Caramon liep zwierig en brutaal op zijn ‘kleine’ broertje af om hem van zichzelf te ‘redden’.
Raistlin hief zijn handen op naar zijn broer. Maar niet om hem te omhelzen, nee. De jonge magiër, ziek, gewond en volkomen verteerd door jaloezie, sprak de woorden van de enige spreuk, de laatste spreuk die hij nog kon opbrengen.
Vlammen laaiden op uit Raistlins handen en omhulden zijn broer.
Vol afschuw, te verbijsterd om iets te zeggen, keek Caramon toe terwijl zijn onechte ik door het vuur werd verteerd... en zijn broer op de koude stenen vloer zeeg.
‘Nee! Raist...’
Koele, tedere handen raakten zijn gezicht aan. Hij hoorde stemmen, maar de woorden waren betekenisloos. Hij kon ze wel begrijpen als hij wilde, maar dat wilde hij niet. Zijn ogen waren gesloten. Hij kon ze wel openen, maar dat weigerde hij. Als hij zijn ogen opendeed en naar die woorden luisterde zou de pijn alleen maar reëler worden.
‘Ik moet rusten,’ hoorde Caramon zichzelf zeggen, en hij zonk weer weg in de duisternis.
Hij naderde alweer een toren, een andere toren. De Sterrentoren in Silvanesti. Raistlin was bij hem, alleen droeg die nu de Zwarte Mantel. En nu was het Raistlins beurt Caramon te helpen. De grote krijger was gewond. Bloed gutste gestaag uit een grote speerwond in zijn arm, die er bijna was afgerukt.
‘Ik moet rusten,’ zei Caramon opnieuw.
Voorzichtig legde Raistlin hem neer, zorgde hij ervoor dat hij goed zat, met zijn rug tegen het koude steen van de toren. Toen wilde Raistlin weggaan.
‘Raist! Niet doen,’ riep Caramon. ‘Je kunt me hier niet achterlaten.’
Als hij om zich heen keek, zag de gewonde, hulpeloze krijger honderden van de ondode elfen die hen in Silvanesti hadden aangevallen, klaar om hem te bespringen. Eén ding slechts hield hen tegen: de magische kracht van zijn broer.
‘Raist! Laat me niet alleen!’ gilde hij.
‘Hoe voelt het om zwak en alleen te zijn?’ vroeg Raistlin zachtjes.
‘Raist! Mijn broer...’
‘Ik heb hem al eens gedood, Tanis. Dan kan ik het nu ook.’
‘Raist! Nee! Raist!’
‘Caramon, toe...’ Een andere stem. Een tedere stem. Zachte handen raakten hem aan.
‘Caramon, toe. Word wakker. Kom terug, Caramon. Kom bij me terug. Ik heb je nodig.’
Nee! Caramon duwde die stem weg. Hij duwde de zachte handen weg. Nee, ik wil niet terugkomen. Dat doe ik niet. Ik ben moe. Ik heb pijn. Ik wil rusten.
Maar de handen en de stem gunden hem geen rust. Ze grepen hem vast en trokken hem weg uit de diepte waarin hij wilde wegzakken.
Maar nu viel hij, steeds dieper in een afschuwelijke, rode duisternis. Skeletachtige vingers grepen naar hem, oogloze hoofden tolden om hem heen, hun mond opengesperd in een geluidloze kreet. Hij ademde diep in en zonk weg in bloed. Worstelend, half stikkend wist hij zich terug te vechten naar het oppervlak om nog één keer adem te halen. Raistlin! Maar nee, die is er niet meer. Zijn vrienden. Tanis. Ook weg. Hij zag hoe hij werd meegesleurd. Het schip. Weg. Doormidden gebroken. Verminkte zeelui wier bloed zich vermengde met de bloedrode zee.
Tika! Zij was dicht bij hem. Hij trok haar tegen zich aan. Ze hapte naar adem. Maar hij kon haar niet vasthouden. Het kolkende water rukte haar uit zijn armen en trok hem naar beneden. Deze keer kon hij het oppervlak niet meer terugvinden. Zijn longen brandden, stonden op knappen. De dood... rust... zoete, warme...
Maar telkens weer die handen! Handen die hem naar het afschuwelijke oppervlak trokken. Die hem dwongen de brandende lucht in te ademen. Nee, laat me gaan!
Daarna andere handen die uit het bloedrode water kwamen. Stevige handen die hem onder water trokken. Hij viel... steeds dieper... in de genadige duisternis. Gefluisterde magische woorden susten hem, hij ademde... ademde water... zijn ogen waren dicht,.. het water was warm en troostend... Hij was weer een kind.
Maar niet compleet. Zijn tweelingbroer was er niet.
Nee! Ontwaken was een kwelling. Hij wilde liever voorgoed ronddwalen in die duistere droom. Dat was beter dan de scherpe, bittere pijn.
Maar de handen trokken aan hem. De stem riep hem.
‘Caramon, ik heb je nodig...’
Tika.