De Draken van de Winternacht
- Автор: Уэйс Маргарет, Хикмэн Трэйси
- Серия: Draken #2
- Год: 2009
- Язык: голландский
- Год: Luitingh Fantasy
- ISBN: 978-90-245-5056-2
- Переводчик: Sandra van de Ven
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Draken van de Winternacht». Краткое содержание книги:
Om uit handen te blijven van de Drakenheer Canaillaard, gaan de vrienden op weg naar Tarsis, een mythische stad aan zee. Eenmaal in de buurt komen ze tot de ontdekking dat de kaart van Tas die ze bij zich hebben gedateerd is: Tarsis is geen havenstad meer omdat de zee waaraan hij ooit lag verdwenen is tijdens de Catastrofe. Als het de vrienden toch lukt Tarsis via een andere weg binnen te komen, wordt de stad aangevallen door draken en volledig verwoest. Tot overmaat van ramp raken de vrienden van elkaar gescheiden...
De dwerg liep de tent uit. Sturm wilde achter hem aan lopen, maar zag toen vanuit zijn ooghoek iets oplichten. Denkend dat er misschien een stukje van de lont van Laurana’s kaars was afgebroken, bukte hij om het op te rapen, maar het bleek het sieraad te zijn dat Alhana hem had gegeven. Het was uit zijn riem op de grond gevallen. Hij raapte het op en zag dat het zijn eigen licht uitstraalde, iets wat hem nooit eerder was opgevallen.
‘Dat zal wel niet,’ herhaalde hij bedachtzaam terwijl hij het sieraad van alle kanten bekeek.
Voor het eerst in vele lange, beangstigende maanden brak in Silvanesti de dageraad aan. Er was er echter maaréén die er getuige van was. Lorac keek door het raam van zijn slaapkamer naar de zon die boven de glinsterende espen opkwam. De anderen sliepen uitgeput verder.
Alhana was de hele nacht aan haar vaders zijde gebleven. Maar ook zij was overmand door uitputting zittend op haar stoel in slaap gevallen. Lorac zag hoe het bleke zonlicht haar gelaatstrekken verlichtte. De lange zwarte haren die voor haar gezicht hingen, leken wel barsten in het witte marmer. Haar huid zat onder de krassen en het bloed van de doorns. Hij zag schoonheid, maar die werd ontsierd door arrogantie. Ze belichaamde haar volk op volmaakte wijze. Hij draaide zich weer om om uit te kijken over Silvanesti, maar dat bood hem geen troost. Nog steeds hing er een groene, giftige mist over het land, alsof zelfs de bodem aan het verrotten was.
‘Dit is mijn schuld,’ zei hij bij zichzelf. Zijn blik bleef rusten op de mismaakte, verwrongen bomen en de meelijwekkende, misvormde dieren die door het land zwierven, op zoek naar een eind aan de kwelling.
Vierhonderd jaar lang had Lorac in dit land gewoond. Hij had het onder zijn handen en die van zijn onderdanen zien groeien en bloeien.
Er waren natuurlijk ook moeilijke tijden geweest. Lorac was een van de weinigen op Krynn die zich de Catastrofe nog kon herinneren. Maar de elfen van Silvanesti waren er veel beter doorheen gekomen dan vele anderen op de wereld, omdat ze van de overige rassen vervreemd waren geraakt. Ze wisten waarom de oude goden Krynn hadden verlaten, ze zagen het kwaad in de mensen, al konden ze niet verklaren waarom de elfenpriesters ook verdwenen.
Uiteraard vernamen de elfen van Silvanesti via de wind, de vogels en andere mysterieuze kanalen over het leed dat de Catastrofe had aangericht bij hun verwanten, de Qualinesti. Maar hoewel de verhalen over plundering en moord hun verdriet deden, vroegen de Silvanesti zich wel af wat je anders kon verwachten als je je met mensen inliet. Ze trokken zich terug in hun woud, verwierpen de buitenwereld en maakten zich er geen moment druk om dat de buitenwereld hen ook verwierp.
Zo kwam het dat Lorac niets had begrepen van het kwaad dat vanuit het noorden zijn land bedreigde. Waarom zouden ze de Silvanesti lastigvallen? Hij had met de Drakenheren gesproken en uitgelegd dat zijn volk hun geen strobreed in de weg zou leggen. De elfen geloofden dat iedereen het recht had om op Krynn te leven, op zijn eigen unieke manier, zowel de goeden als de kwaden. Hij praatte, zij luisterden, en in eerste instantie leek het geholpen te hebben. Toen brak de dag aan dat Lorac besefte dat hij was misleid. Dat was de dag dat het aan de hemel opeens wemelde van de draken.
Toch waren de elfen niet geheel onvoorbereid. Lorac was immers niet bepaald achterlijk. Er lagen schepen te wachten om zijn onderdanen in veiligheid te brengen. Lorac beval hen onder leiding van zijn dochter te vertrekken. Zodra hij alleen was, daalde hij af naar de vertrekken onder de Sterrentoren waar hij de drakenbol had verstopt.
Alleen zijn dochter en de allang verdwenen elfenpriesters waren van het bestaan van de bol op de hoogte. De rest van de wereld geloofde dat hij bij de Catastrofe verloren was gegaan. Dagenlang bleef Lorac ernaar zitten staren. Hij dacht aan de waarschuwingen van de Hoge Magiërs en probeerde zich alles te herinneren wat hij over de bol wist. Uiteindelijk had hij besloten hem te gebruiken in een poging zijn land te redden, al had hij geen idee hoe hij werkte.
Hij herinnerde zich de bol levendig, wist nog dat er een kolkend, fascinerend groen licht in had gebrand dat steeds feller werd en krachtiger pulseerde naarmate hij er langer naar keek. Hij wist ook nog dat hij bijna vanaf het moment dat hij zijn vingers op de bol had gelegd, had geweten dat hij een afschuwelijke vergissing beging. Hij had de kracht noch de beheersing om de magie naar zijn hand te zetten. Het was echter al te laat. De bol had hem in zijn ban gekregen en gevangen gehouden. Het afschuwelijkste aan zijn nachtmerrie was dat hij er doorlopend aan werd herinnerd dat hij inderdaad droomde, maar dat hij zichzelf niet kon bevrijden.
En nu was de nachtmerrie werkelijkheid geworden. Lorac boog het hoofd. Hij proefde bittere tranen in zijn keel. Toen voelde hij tedere handen op zijn schouders.
‘Vader, ik kan het niet verdragen om je te zien huilen. Ga weg bij dat raam. Ga lekker in bed liggen. Mettertijd zal het land weer mooi worden. Jij zult daaraan meewerken...’
Maar Alhana kon niet uit het raam kijken zonder te huiveren. Lorac voelde haar beven en glimlachte droevig.
‘Zal ons volk terugkeren, Alhana?’ Hij staarde naar het groen, niet het levendige groen van het leven, maar van dood en verderf.
‘Natuurlijk,’ antwoordde Alhana snel.
Lorac gaf haar een klopje op haar hand. ‘Een leugen, mijn kind? Sinds wanneer liegen de elfen tegen elkaar?’
‘Ik denk dat we misschien altijd tegen onszelf hebben gelogen,’ prevelde Alhana terwijl ze dacht aan wat ze van Goudmaan had gehoord. ‘De oude goden hebben Krynn niet verlaten, vader. Er reisde een priesteres van Mishakal de Genezeres met ons mee, en zij vertelde ons wat ze had ontdekt. Ik... ik wilde het niet geloven, vader. Ik was jaloers. Ze is immers een mens, en waarom zouden de goden juist de mensen deze hoop schenken? Maar nu zie ik in dat de goden wijs hebben gehandeld. Ze hebben zich tot de mensen gewend omdat wij elfen hen niet zouden hebben geaccepteerd. Door ons verdriet omdat we in dit troosteloze land moeten wonen, zullen we gaan inzien wat jij en ik inmiddels hebben begrepen: dat we niet langer afgezonderd van de rest van de wereld kunnen leven. De elfen zullen hard werken, niet alleen om dit land te herstellen, maar ook de andere landen die door het kwaad zijn verwoest.’
Lorac luisterde aandachtig. Zijn blik ging van het afschuwelijke landschap naar het gezicht van zijn dochter, bleek en stralend als de zilveren maan, en hij stak zijn hand naar haar uit.
‘Zul jij ze terugbrengen? Onze onderdanen?’
‘Ja, vader,’ beloofde ze met zijn koude, ontvleesde hand stevig in de hare. ‘We zullen werken en ploeteren. We zullen de goden om vergeving vragen. We zullen ons tussen de volkeren van Krynn begeven en...’ Tranen welden op in haar ogen en verstikten haar stem, want ze zag dat Lorac haar niet meer kon horen. Het licht in zijn ogen doofde, en hij zakte achterover op zijn stoel.
‘Ik geef mezelf aan het land,’ fluisterde hij. ‘Begraaf mijn lichaam in de aarde, mijn dochter. Bij leven heb ik deze vervloeking over het land uitgesproken. Misschien zal mijn dood juist een zegen blijken te zijn.’
Loracs hand gleed uit die van zijn dochter. Zijn levenloze ogen staarden naar het mismaakte Silvanesti. Maar de uitdrukking van afschuw gleed van zijn gezicht en maakte plaats voor vrede.
En Alhana kon niet rouwen.
Die avond bereidden de reisgenoten zich voor op hun vertrek uit Silvanesti. Het grootste deel van hun reis naar het noorden wilden ze in de verhullende duisternis afleggen, aangezien ze inmiddels wel begrepen dat het drakenleger heerste over de landen die ze moesten doorkruisen. Ze hadden geen kaart die als leidraad kon dienen. Op oude kaarten durfden ze niet meer te vertrouwen na hun ervaring met de door land omsloten stad Tarsis. Maar de enige kaarten die in Silvanesti te vinden waren, dateerden van duizenden jaren geleden. Daarom besloten de reisgenoten blindelings vanuit Silvanesti naar het noorden te trekken, in de vage hoop een zeehaven tegen te komen van waaruit ze naar Sancrist zouden kunnen varen.