Koning van Aardzee [The Farthest Shore - nl]
- Автор: Гуин Урсула К. Ле
- Серия: Aardzee #3
- Год: 1974
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- ISBN: 9027407924
- Переводчик: Frits Oomes
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Koning van Aardzee [The Farthest Shore - nl]». Краткое содержание книги:
‘Waarom zou je niet naar onsterfelijkheid verlangen? Denk je dat te kunnen? Iedere ziel verlangt ernaar en haar innerlijke rust ligt in de kracht van dat verlangen… Maar wees voorzichtig: jij behoort tot hen die dat verlangen wellicht kunnen bevredigen.’
‘En dan?’
‘Dan dit: een valse koning aan de macht, de kunsten der mensen in vergetelheid geraakt, de zanger zonder tong, het oog blind. Dit... deze plaag en pest over de landen; dit schrijnend leed waartegen wij een heelmiddel zoeken. Twee zijn er, Arren, en die twee zijn éen: wereld en schaduw, licht en duisternis. De twee schalen van het Evenwicht. Het leven ontspruit aan de dood, de dood ontspruit aan het leven; tegendelen die smachtend naar elkander uitzien, elkander het aanzijn schenken en steeds weer herboren worden. En samen met hen wordt alles herboren, de bloesems aan de appelboom, de sterren aan de hemel. In leven is dood, in dood is herleven. Wat is immers leven zonder dood, een onveranderd, altijddurend, eeuwig leven? Wat is het anders dan dood… dood zonder herleven?’
‘Als het dan zoveel gewicht in de schaal legt, heer, als door het leven van éen man het evenwicht van het geheel geschokt kan worden, dan is het toch zeker onmogelijk… zal toch nooit worden toegestaan…’ Hij zweeg in verwarring. ‘Wie staat toe? Wie verbiedt?’
‘Ik weet het niet.’
‘Ik evenmin. Maar ik weet hoeveel kwaad éen mens, éen leven in staat is aan te stichten. Ik weet het maar al te goed. Ik weet het omdat ik ook zelf kwaad heb gesticht, hetzelfde kwaad heb gesticht in een zelfde waanzinnige overmoed. Ik zette de deur tussen de twee werelden op een kier, alleen maar op een kier, alleen maar om te tonen dat ik sterker was dan de dood… Ik was nog jong en had de dood nog niet ontmoet, net als jij... Het sluiten van die deur kostte de Archimagus Nemmerle zijn kracht, het kostte hem zijn kennis en zijn leven. Hier zie je het merkteken dat die nacht op mij achterliet, op mijn gezicht; maar hem heeft het gedood. De deur tussen licht en duisternis kan geopend worden, Arren; het kost kracht, maar het kan. Haar te sluiten, dat is echter heel wat anders.’
‘Maar, heer, waar u het over hebt is toch zeker iets heel anders dan dit...’
‘Waarom? Omdat ik een goed mens ben?’ Weer lag in Sperwers ogen die kille, staalharde blik, de blik van de valk. ‘Wat is een goed mens, Arren? Is hij een goed mens die geen kwaad sticht, de deur naar duisternis niet opent, in wiens hart geen duisternis woont? Kijk goed, jongen. Kijk scherper; wat je opmerkt, zul je nodig hebben om daarheen te gaan waar je heen moet gaan. Kijk in je binnenste. Hoorde je niet een stem zeggen: “Kom”? Ben je haar niet gevolgd?’
‘Ik ben haar gevolgd. Ik… ik ben het niet vergeten. Maar ik dacht... Ik dacht dat die stem… van hem was.’
‘Ja, van hem. En ook van jou zelf. Hoe kon hij over de zeeën heen tot jou spreken anders dan met jouw eigen stem? Hoe komt het dat hij tot hen roept die weten hoe te luisteren, de tovenaars en de scheppers en de zoekers, zij die acht slaan op de stem in hun binnenste? Hoe komt het dat hij niet tot mij roept? Omdat ik niet wens te luisteren; ik wens die stem niet nog eens te horen. Jij bent voor macht geboren, Arren, net als ik; macht over mensen, over de zielen der mensen; en wat is dat anders dan macht over leven en dood? Jij bent jong, jij staat op de drempel der mogelijkheden, op de grens van het land der schaduwen, van het domein des doods en je hoort de stem je toeroepen: “Kom.” Maar ik ben oud, ik heb gedaan wat ik doen moest, ik sta in het licht van de dag voor het aangezicht van mijn eigen dood, het eind van alle mogelijkheden, en ik weet dat er slechts éen macht is die werkelijk bestaat en de inspanning waard is haar zich te verwerven. En dat is de macht niet om te nemen, maar om te aanvaarden.’
Jessage lag nu ver achter hen, een blauwe smet op de zee, een vuile vlek.
‘Dan ben ik dus zijn dienaar,’ zei Arren.
‘Ja. En ik ben de jouwe.’
‘Maar wie is hij dan? Wat is hij?’
‘Een mens, denk ik… net als jij en ik.’
‘De man die je me eens noemde… die Wijze uit Havnor die de doden opriep? Is hij het?’
‘Misschien wel. Hij bezat grote macht en heel die macht was gericht op het loochenen van de dood. En hij kende de Grote Spreuken uit de Leer van Pain. Toen ik die gebruikte, was ik nog jong en dwaas en bracht ik vernietiging over mezelf. Maar als een oud en krachtig man haar gebruikt die aan de gevolgen zich niets gelegen laat liggen, dan zal hij vernietiging over ons allen brengen.’
‘Heeft men u niet verteld dat die man dood was?’
‘Ja,’ zei Sperwer, ‘dat vertelde men.’
En hier zwegen zij beiden.
Die avond was de zee een zee van vuur. De kammen der golven die door Uitkijks boeg werden teruggeworpen, en de baan van iedere vis die uit de zeespiegel omhoog sprong, stonden scherp tegen de hemel en sprankelden van licht. Arren leunde met zijn arm op het boord en met zijn hoofd op de arm en keek naar de welvingen en windingen van glinsterend zilver. Hij stak de hand in het water en toen hij haar weer ophief, stroomde het licht zachtjes van zijn vingers omlaag. ‘Kijk,! zei hij, ‘ik ben ook een wijze.’
‘Die gave bezit je niet,’ zei zijn metgezel. ‘Dan zult u veel aan me hebben,’ zei Arren en staarde uit over de rusteloos tintelende golven, ‘als we tegenover onze vijand staan.’
Hij had immers gehoopt, hij had van het begin af aan gehoopt dat de Archimagus hem en hem alleen voor deze tocht had uitgekozen omdat hij een ingeboren macht bezat, het erfgoed van zijn voorouder Morred, die in het zwartste uur onthuld zou worden, als de nood het hoogst was; en dan zou hij zichzelf en zijn meester en heel de wereld bevrijden uit de macht van de vijand. Maar in de laatste tijd had hij op die stille hoop een andere kijk gekregen en was het als zag hij haar van grote afstand; zij leek op een herinnering uit zijn kinderjaren toen hij er hevig naar verlangd had de kroon van zijn vader eens te mogen dragen en in tranen was uitgebarsten toen het hem werd verboden. Deze hoop was even onterecht, even kinderlijk. Er school geen tovermacht in hem. Nu niet en nooit niet. Wellicht zou er ooit tijd komen waarop hij de kroon van zijn vader zou kunnen, zou moeten dragen en zou heersen als Vorst van Enland. Maar dat leek hem nu zo onbelangrijk, zijn vaderland zo’n onbelangrijk en veraf gebied. Het was geen ontrouw van hem; zijn trouw was enkel inniger geworden en gericht op een grootser voorbeeld, een wijdsere verwachting. Ook had hij eigen zwakheid leren kennen en daarmee tevens de maat voor zijn kracht; en hij wist dat hij sterk was. Maar wat voor zin had die kracht als hij geen gave bezat, als hij zijn meester nog altijd niets kon aanbieden dan zijn dienstvaardigheid en zijn bestendige genegenheid? Zou dat daar waar zij heengingen, voldoende blijken?
Sperwer zei enkeclass="underline" ‘Om het schijnsel van een kaars te zien, moet men haar meenemen naar een donker hoekje.’ En daarmee probeerde Arren zich te troosten, al kon hij er weinig troost in vinden.
Toen zij de volgende ochtend ontwaakten was het onder een grauwe hemel en op een grauwe zee. Maar de nevel hing laag en hoog boven de mast klaarde de hemel op tot blauw opaal. Voor lieden uit het noorden als Arren van Enland en Sperwer van Gont kwam de mist als een welkome gast, een oude vriend. Zachtjes sloot zij zich rond de boot zodat zij niet ver konden zien, en het leek hen of zij weer in een vertrouwd vertrek zaten na vele weken van klare, kale ruimte en waaiende wind. Zij waren weer terug in hun eigen klimaat en bevonden zich nu misschien op dezelfde breedte als Roke.
Een zevenhonderd mijl ten oosten van de mistomhulde wateren waar Uitkijk zeilde, scheen helder zonlicht neer op de bladeren van de bomen in de Besloten Hout, op de groene top van de Bult van Roke en op de hoge leien daken van het Hoge Huis. In een vertrek in de zuidelijke toren, de werkkamer van een tovenaar stampvol retorten en kolven en dikbuikige flessen met kronkelig verwrongen halzen, stevig gemetselde ovens en kleine verhittingsbranders, tangen, blaasbalgen, staanders, pincetten, pipetten, duizenden doosjes en flesjes en gekurkte potjes beschreven met Hardische of nog geheimere runen, en al die andere parafernalia van alchimie, glasblazen, louteren en heelkunde, in dat vertrek stonden tussen de warboel van bankjes en tafels de Magister der Veranderingen en de Magister der Oproepingen van Roke.