Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Koning van Aardzee [The Farthest Shore - nl]
Koning van Aardzee [The Farthest Shore - nl] - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Koning van Aardzee [The Farthest Shore - nl]

Электронная книга - «Koning van Aardzee [The Farthest Shore - nl]». Краткое содержание книги:

Sperwer de Wijze en Prins Arren van Enlad op zoek naar de bron van het kwaad dat toverkrachten verlamd.
1 ... 31 32 33 34 35 36 37 38 39 ... 51
Перейти на страницу:

Soms pakten zich in de verte de donderwolken van hoogzomer samen en wierpen hun purperen schaduwen langs de horizon; dan keek Arren toe hoe de tovenaar opstond en met stem en hand de wolken gebood naar hen toe te drijven en hun regen uit te storten boven de boot. Dan sprong de bliksem van wolk tot wolk en grolde de donder. Maar de tovenaar stond rechtop met hooggeheven hand totdat de regen op hem en Arren neergutste, en in de vaten die zij hadden klaargezet en in de boot en over de zee wier golven onder dit geweld geëffend werden.

Hij en Arren grijnsden dan van blijdschap, want voedsel hadden zij genoeg, zij het niet in overvloed, maar water hadden zij hard nodig. En het schonk hen vreugde te zien hoe de grootste woede van de storm zich voegde naar het woord van de tovenaar.

Arren stond verbaasd dat zijn metgezel die macht nu zonder bedenken gebruikte en zei: ‘In het begin van onze tocht wilde u geen tover weven.’

‘De eerste les op Roke, en tevens de laatste, is deze: Doe wat nodig is. Meer niet.’

‘De lessen daar tussen bestaan dus in het leren weten wat nodig is.’

‘Inderdaad. Men moet het Evenwicht in acht nemen. Maar als het Evenwicht zelf verbroken is, dan dient men aan andere zaken aandacht te schenken. In de eerste plaats aan haast.’

‘Maar hoe is het dan mogelijk dat alle wijzen van het zuiden — en onderhand ook elders, zelfs de zangers van het vlottenvolk — dat zij allen hun kennis verloren hebben, maar gij de uwe hebt behouden?!

‘Omdat mijn kennis alles is wat ik begeer,’ zei Sperwer. En even later voegde hij er opgewekter aan toe: ‘En als ik mijn kennis dan moet verliezen, zal ik er, zolang het duurt, zo goed mogelijk gebruik van maken.’

Er was nu inderdaad iets onbekommerds in zijn handelen, een puur plezier in zijn vaardigheid, iets dat Arren die hem enkel in zijn bezorgdheid kende, nooit in hem had vermoed. Het talent van een tovenaar vermeit zich in goocheltoeren; een tovenaar is een goochelaar. Voor Sperwer was de vermomming in Hort die Arren zo in de war had gebracht, een spel; en dan nog kinderspel voor iemand die niet alleen zijn gezicht en stem naar believen kon veranderen, maar ook zijn lichaam en zijn wezen, die naar hij wilde een vis kon worden, een dolfijn of een havik. Op een dag zei hij: ‘Kijk, Arren, ik zal je Gont laten zien,’ en liet hem in het watervat kijken dat hij geopend had en dat tot de rand gevuld was. Er zijn veel tovenaars die een beeld kunnen doen verschijnen op de waterspiegel en hij had het nu ook gedaan: een hoge berg met een kroon van wolken die oprees uit een grauwe zee. Toen wisselde het beeld en Arren zag nu duidelijk een klip van dat bergeiland. Het leek of hij een vogel was, een zeemeeuw of een valk die buiten de kust op de wind hing en door de wind neerkeek op die klip die tweeduizend voet hoog uittorende boven de brekers. Bovenop de klip stond een hut. ‘Dat is Re Albi,’ zei Sperwer, ‘en daar woont mijn leermeester Ogion die lang geleden de aardbeving tot bedaren bracht. Hij verzorgt er zijn geiten en verzamelt kruiden en bewaart zijn stilzwijgen. Ik vraag me af of hij nog steeds ronddwaalt over de berg; hij is nu al zeer oud. Maar als Ogion stierf, zou ik het weten, beslist, ik zou het weten, zelfs nu...’

Er klonk geen zekerheid in zijn stem, want voor een ogenblik werd het beeld verstoord en leek het of de klip omlaagstortte. Maar het beeld werd helder en zo ook zijn stem. ‘In de nazomer en in de herfst placht hij geheel alleen de wouden in te gaan. En zo kwam hij ook naar mij, die eerste keer toen ik nog een kwajongen was uit een bergdorp, en hij gaf mij mijn naam. En daarmee ook mijn leven.’ Nu gaf het beeld op de waterspiegel de kijker de indruk dat hij een vogel was tussen de takken van het woud en uitkeek op steile zonbeschenen weiden onder de besneeuwde rotsen van de bergtop, en neerkeek op een steil pad dat omlaagvoerde een groene, gouddoorschoten duisternis in.

‘Er is geen zwijgen als het zwijgen van die wouden,’ zei Sperwer mijmerend.

Het beeld vervaagde en er was niets meer te zien dan de verblindende schijf van de middagzon die zich spiegelde in het water van het vat. ‘Daarheen,’ zei Sperwer en hij keek Arren aan met een vreemde, spottende blik, ‘daarheen, als ik ooit daarheen zou mogen terugkeren, zou zelfs jij me niet kunnen volgen.’ Er kwam land in zicht, laag en blauw in de middag als nevelbanken. ‘Is dat Selidor?’ vroeg Arren en zijn hart begon sneller te kloppen, maar de tovenaar antwoordde: ‘Obb, denk ik, of Jessage. We zijn nog niet eens halverwege, jongen.’ Die nacht voeren zij door de straat tussen die twee eilanden. Zij zagen geen lichten, maar er hing een geur van brand in de lucht, zo zwaar dat hun longen van het ademen rauw werden. Toen de dag aanbrak en zij achter zich keken, was, zover zij vanaf de kust konden uitzien over het binnenland, het oostelijke eiland, Jessage, geheel verzengd en verschroeid, en gehuld in een dichte blauwe walm.

‘Ze hebben de velden in brand gestoken,’ zei Arren. ‘Ja, en ook de dorpen. Ik heb die brandlucht al eerder geroken.’

‘Zijn het hier dan wilden in het westen?’ Sperwer schudde het hoofd. ‘Boeren; stadsmensen.’ Arren staarde uit over de zwarte verwoesting van het land, waar de geblakerde bomen in boomgaarden zich aftekenden tegen de hemel; en er kwam een harde blik in zijn ogen. ‘Welk kwaad hebben de bomen hen gedaan?’ zei hij. ‘Moesten zij het gras doen boeten voor hun eigen wandaden? Alle mensen zijn wilden die een land in brand steken omdat zij met andere mensen in tweedracht leven.’

‘Zij hebben geen leider,’ zei Sperwer. ‘Geen koning; de mannen van macht en de mannen van wijsheid hebben hen allen in de steek gelaten en zich opgesloten in hun geest, op jacht naar de doorgang tot de dood. Zo was het in het zuiden en zo zal het, denk ik, ook hier zijn.’

‘En dat door toedoen van éen man… degene over wie de draak ons sprak? Het lijkt onmogelijk.’

‘Waarom? De Koning der Eilanden zou toch ook éen man zijn; en hij zou heersen. Voor éen man is vernietigen even gemakkelijk als heersen: Koning of Tegenkoning.’ Weer lag in zijn stem die zweem van spot of uitdaging die Arrens wrevel wekte. ‘Een koning heeft dienaren, krijgers, boodschappers, stadhouders. Hij regeert door de hand van zijn dienaren. Waar zijn de dienaren van deze... Tegenkoning?’

‘In ons hart, jongen. In ons hart. De verrader, het eigen ik; het eigen ik dat roept: “Ik wil leven; laat heel de wereld branden zolang ik maar kan leven.” Die kleine verrader is de ziel binnen in ons, verscholen in het donker als een worm in een appel. Hij spreekt tot ons allen, maar slechts enkelen kunnen hem verstaan. De wijzen en de tovenaars. De zangers, de scheppers. En de helden, degenen die zichzelf pogen te worden. Zichzelf zijn is een zeldzame en grootse eigenschap. Voor eeuwig zichzelf zijn, is dat nog niet veel grootser?’

Arren keek Sperwer recht in de ogen. ‘U wilt me ingeven dat het niet grootser is. Maar zeg me waarom. Toen ik aan deze tocht begon, was ik een kind, een kind dat niet geloofde in de dood. U denkt dat ik nog steeds een kind ben, maar ik heb iets geleerd, niet veel misschien, maar toch iets; ik heb geleerd dat de dood bestaat en dat ik zal sterven. Maar ik heb niet geleerd me over die wetenschap te verheugen, mijn eigen dood of de uwe met vreugde te begroeten. Als ik van het leven houd, zal ik dan het einde ervan niet haten? Waarom zou ik niet naar onsterfelijkheid verlangen?’

Arrens schermmeester in Berila was een man geweest van rond de zestig, kort, kaal en koel. Arren had jarenlang een hekel aan hem gehad, ook al wist hij dat de man een voortreffelijk zwaardvechter was. Op een dag was hij tijdens het oefenen door de dekking van zijn leermeester heengebroken en had hem bijna het wapen uit de hand geslagen; en nooit zou hij vergeten hoe de koele trekken van zijn leermeester plotseling opklaarden met een ongelovige, ongerijmde gelukzaligheid, hoop, vreugde: een waardig tegenstander, eindelijk een waardig tegenstander. Vanaf die dag had zijn schermmeester hem keihard aangepakt en altijd lag er tijdens hun tweegevechten op het gelaat van de oude man diezelfde meedogenloze glimlach, die breder werd naarmate Arren hem feller belaagde. En nu lag die glimlach op Sperwers gelaat, flitsend als staal in het zonlicht.

1 ... 31 32 33 34 35 36 37 38 39 ... 51
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)