Herfsttij der Middeleeuwen
- Автор: Хейзинга Йохан
- Язык: голландский
- Жанр: Культурология
Электронная книга - «Herfsttij der Middeleeuwen». Краткое содержание книги:
Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem,[278] laat de koning stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, "se ce eust esté le plaisir de Dieu son créateur de le laisser vivre son aage". En daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft weldra.[279]
De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om bijzondere opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die gelegenheid ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit winstbejag zal bij hem het plan toch niet zijn geweest.[280] Het schijnt een mengeling van ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige en tevens bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid een glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van Frankrijk en Engeland. Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid, terwijl bij het feest te Rijssel en daarna de geloften tot de reize verzameld werden, terwijl Joffroy de Toisy de Syrische havens onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van Doornik, de collecten leidde en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting reeds klaar had, en er reeds schepen voor den tocht in beslag waren genomen, heerschte er toch een vage verwachting, dat de tocht niet zou doorgaan.[281] Des hertogen eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer voorwaardelijk: hij zou gaan, mits de landen, die God hem had toevertrouwd om te regeeren, in vrede en veiligheid zijn.[282]
Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities, waar niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in 1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI tegen Italië in 1391.
Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van politieke reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer verwezenlijkte vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de staatsgeschillen der vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een persoonlijke querelle werden opgevat.[283] Men dient "la querelle des Bourguignons". Wat was natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen uitvechten, gelijk nu nog in het politieke spoorweggesprek wordt verzucht?—Inderdaad was deze oplossing, die zoowel een primitief rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie bevredigde, telkens aan de orde. Wanneer men leest van de uitvoerige toebereidselen tot die vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend af, of dit alles enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht naar een schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters werkelijk den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de geschiedschrijvers van dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf. Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk van Orleans.[284] In het woeste en schitterende brein van dien Orleans, waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen van ridderstrijd en hoofsche liefde naast débauche, cynisme en tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was Humphrey van Glocester, dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: "pour éviter effusion de sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay compacion", "que par mon corps sans plus ceste querelle soit menée à fin, sans y aler avant par voies de guerres, dont il convendroit mains gentilz hommes et aultres, tant de vostre ost comme du mien, finer leurs jours piteusement."[285] Alles werd voor den strijd in gereedheid gebracht: het kostbare harnas en de prachtige kleederen, die de hertog dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt aan tenten, standaarden en vanen, wapenrokken voor de herauten en poursuivants, alles bezaaid met de blazoenen van 's hertogen landen, met den vuurslag en het Sint Andrieskruis. Philips was in training: "tant en abstinence de sa bouche comme en prenant painne pour luy mettre en alainne."[286] In zijn park te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding van ervaren vechtmeesters.[287] De rekeningen vermelden de kosten, aan dat alles besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid vervaardigd, te Rijssel te zien.[288] Maar van het gevecht kwam niets.
Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen over Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van Rijssel, toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps à corps te bestrijden, als deze dat verkoos.[289] Men vindt den weerklank van die hardnekkige kampliefde van Philips den Goede nog in een verhaaltje van Bandello, hoe hij eens met de grootste moeite weerhouden zou zijn van een eereduel met een zijner edelen.[290]
De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance. Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil hij Italië van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een roerende verzoening besluit het geval.[291] Zelfs Karel V heeft nog in allen vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk tweegevecht te beslechten.
De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men al de ruwe wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige chevalerie.