De Cock en de treurende kater
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0121-X
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de treurende kater». Краткое содержание книги:
‘Het is het handschrift van Flossie,’ zei hij somber. ‘Het is ook haar adres.’ Hij streek vermoeid met zijn hand langs zijn ogen. ‘Weet je, ook Flossie heeft een zwarte kater.’
‘Een kater?’
‘Ja.’
‘Je wilt zeggen dat Van Doornenbosch de haren op zijn jas ook bij Flossie kan hebben opgelopen?’
De Cock knikte. ‘En Flossie heeft een duidelijk motief.’ Vledder keek naar hem op.
‘Wraak?’
‘Ja, ze heeft het nooit onder stoelen of banken gestoken. Ze had van het begin af aan een vastomlijnd plan: de moordenaar van haar verloofde vinden en hem straffen. Als Flossie er op een of andere manier achter is gekomen dat Van Doornenbosch vermoedelijk de man is geweest die het waarschuw-telefoontje van Peter van Geffel heeft aangenomen, dan kon dat voor haar wel eens voldoende zijn geweest.’
‘Voor moord?’
‘Ja, Flossie zal beslist niet naar duidelijke bewijzen hebben gevraagd. Een kleine impuls, wat vrouwelijke intuïtie… en het vonnis is geveld. Wraak is nu eenmaal geen zaak van het verstand.’ Vledder staarde voor zich uit.
‘Dan moet ze hem,’ zei hij na een poosje, ‘naar haar woning hebben gelokt.’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Wat wil je? Flossie is een aantrekkelijke jonge vrouw, ongetwijfeld. En van de secretaris weten we dat hij niet ongevoelig was voor vrouwelijk schoon. Ik denk niet dat hij een duidelijke invitatie van de mooie Flossie zou hebben afgeslagen.’ Vledder streek nog eens met zijn hand over het adres. ‘En dat er van een invitatie sprake is geweest,’ zei hij peinzend, ‘bewijst dit briefje.’
Ze keken er beiden naar. Het gezicht van De Cock had een ernstige uitdrukking en in de ogen van Vledder blonk een vreemde glans. Het was alsof dat kleine, verkreukelde velletje papier hen gevangen hield in een boeiende gedachtecirkel.
Vledder was de eerste die de ban verbrak. ‘We moeten met haar praten.’
De Cock knikte zwijgend.
Op dat moment ging de deur van de recherchekamer open en stapte brigadier Groenheijden binnen. Hij liep naar De Cock en boog zich vertrouwelijk naar hem toe.
‘Mevrouw Van Doornenbosch,’ zei hij haast fluisterend, ‘vraagt of er al iets bekend is van haar man.’
Het gezicht van de grijze rechercheur betrok. ‘Waar is ze?’ De brigadier gebaarde naar de deur.
‘Ze zit nu in de gang op de bank. Ze kwam beneden aan de balie en vroeg naar jou. Ik vroeg wie zij was en waarvoor zij kwam. Begrijp je, ik dacht dat ik haar misschien kon afpoeieren. Je hebt het met die zaak toch al druk genoeg.’
‘En?’
‘Toen zei ze dat ze mevrouw Van Doornenbosch was en dat jij en Vledder haar hadden beloofd naar haar man te zoeken.’ Hij maakte een korte hoofdbeweging en veranderde van toon. ‘Haar man is toch die vent die jullie vanmiddag aan het Gein hebben gevonden?’
‘Ja.’
‘Arme vrouw.’
De Cock keek hem aan.
‘Heb je het haar al verteld?’
De brigadier stak beide armen omhoog.
‘Nee, nee,’ zei hij afwerend, ‘ik niet. Dat is niets voor mij. Doe jij het maar.’
Brigadier Groenheijden loodste mevrouw Van Doornenbosch de recherchekamer binnen. De Cock keek nog even naar zijn bureau of hij alle bezittingen van de secretaris wel had verwijderd. Toen liep hij haar tegemoet. Hij trok zijn gezicht in een ernstige plooi en maakte een lichte buiging. Onderwijl tastte zijn scherpe blik haar gelaatstrekken af. Mevrouw Van Doornenbosch zag bleek, vermoeid, maar in haar ogen blonk een schichtige waakzaamheid.
‘Heeft u al bericht van mijn man?’
De Cock antwoordde niet. Hij beduidde de oude Groenheijden dat hij kon gaan en vatte mevrouw Van Doornenbosch aan haar rechterarm. Zachtjes leidde hij haar naar de stoel naast zijn bureau. Hij vroeg zich af hoeveel acteertalent er school in de wijze waarop ze ging zitten. Mevrouw Van Doornenbosch toonde duidelijk het beeld van een ‘gebroken vrouw’.
‘Heeft u al iets van mijn man gehoord?’
In haar stem klonk wanhoop.
De Cock nam tegenover haar plaats en wreef met zijn hand over zijn gezicht. Tussen zijn gespreide vingers door keek hij haar aan en probeerde haar weerstand te schatten.
‘Heeft u een kat?’
Het was een vraag die hem ineens inviel.
Mevrouw Van Doornenbosch verstijfde. Enige ogenblikken keek ze De Cock verbijsterd aan. Toen sloot ze haar ogen en gleed langzaam van de stoel.
17
‘En,’ vroeg De Cock belangstellend, ‘heb je mevrouw Van Doornenbosch netjes thuisgebracht?’
‘Ja, dat heb ik.’
‘En heb je haar huisarts gewaarschuwd en hem de situatie uiteengezet?’
,Ja, hij zou haar onmiddellijk bezoeken en ook verder nog een oogje in ’t zeil houden.’
‘Mooi, mooi, dat is dan geregeld. Heeft ze onderweg in de auto nog iets gezegd?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Ze putte zich uit in verontschuldigingen,’ zei hij enigszins cynisch. ‘Ze had het voortdurend over al de last die zij ons had veroorzaakt. Dat was haar bedoeling niet geweest. Ze was in haar leven nog nooit van haar stokje gegaan, zoals zij dat noemde, maar de emoties en de spanningen, waaraan zij de laatste uren had blootgestaan, hadden haar weerstand ondermijnd.’ De Cock grinnikte.
‘Zo, zo,’ zei hij spottend.
Vledder maakte een bruusk gebaar.
‘Maar geen woord over de dood van haar man. Zelfs geen spoor van verdriet.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik heb geen traan in haar mooie ogen gezien.’
De Cock glimlachte. ‘Dat is niet ongewoon. Je ziet dat wel meer. Vaak komt de reactie dan later als de waarheid volledig tot hen doordringt.’
‘Ik weet het niet,’ zei Vledder peinzend. ‘Ik vind haar houding toch vreemd. Ik had verwacht dat zij mij naar bijzonderheden zou vragen. Bijvoorbeeld hoe haar man was gestorven en onder welke omstandigheden. Ik had mij daar min of meer op voorbereid. Maar niets. Mevrouw had het alleen maar druk met zichzelf. Ze barstte als het ware van zelfbeklag.’
De Cock stond van zijn stoel op en begon door de recherchekamer te stappen.
‘En een kat?’
Vledder keek verward naar hem op. ‘Wat bedoel je?’ ‘Was er een kat in huis?’
De jonge rechercheur schudde langzaam zijn hoofd. ‘Ik heb geen kat gezien. Ik heb natuurlijk geen formele huiszoeking gedaan. Ik heb alleen maar wat rondgekeken, terwijl mevrouw Van Doornenbosch naar de polis van de begrafenisverzekering zocht. Van een kat geen spoor. Ik ben zelfs een paar maal van fauteuil veranderd om te zien of er kattenharen aan mijn jas bleven hangen.’
‘En?’
‘Niets, geen haartje.’
De Cock slenterde naar het raam en staarde naar buiten. In de smalle Heintje Hoeksteeg waggelde eenzaam een dronkeman. Het was een vertrouwd beeld. Hoe dikwijls had hij hier bij het raam gestaan, verzonken in gedachten? Hoe vaak had hij, zoals nu, getwijfeld aan het uiteindelijke succes?
De dood van Van Doornenbosch had hem min of meer overrompeld. Sinds hun vergeefse tocht naar Schiphol had hij wel begrepen dat het leven van de secretaris gevaar liep. Hoewel hij niet precies wist van welke kant dat gevaar dreigde. Hij had echter gehoopt de zaak te klaren vóórdat er nog meer slachtoffers vielen. Maar zijn gedachten waren in dikke nevels blijven hangen. De mist was niet opgetrokken. Dat kwelde hem. Hij had het ellendige gevoel te hebben gefaald.
Hij draaide zich om.
‘Hoe hoog was Van Doornenbosch verzekerd?’
Vledder grijnsde breed.
‘Niet hoog… niet hoog genoeg, bedoel ik, om de knappe weduwe een redelijk motief aan te meten.’ De telefoon rinkelde. Vledder nam de hoorn op en luisterde. ‘Het is voor jou.’ De rechercheur kwam van het raam vandaan en nam de hoorn over. ‘Hallo?’
‘Met De Cock?’