Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
40
Speren
Overal rondom Galina Casban rezen bergen op, achter haar waren het niet meer dan hoge heuvels, maar voor haar lagen besneeuwde bergtoppen, en daarachter nog hogere, maar ze zag er niets van. De stenen van de helling sneden in haar blote voeten. Ze hijgde en haar longen piepten al. Boven haar brandde de zon, zoals hij schijnbaar al vele eindeloze dagen had gedaan, en het zweet stroomde letterlijk van haar af. Ze kon slechts de ene voet voor de andere zetten. Gek dat ze zo zweette en tegelijk geen druppeltje vocht in haar mond voelde.
Ze was een kleine negentig jaar lang Aes Sedai geweest en haar lange zwarte haren vertoonden nog geen spoortje grijs. De laatste twintig jaar had ze aan het hoofd van de Rode Ajah gestaan. Onder elkaar noemden de andere Rode zusters haar de Hoogste; vele Roden beschouwden haar eigenlijk als de gelijke van de Amyrlin Zetel. En op vijf jaar na had ze al die jaren met de stola in feite tot de Zwarte Ajah behoord. Ze kwam haar plichten van de Rode Ajah nog wel na, maar die van de Zwarte waren belangrijker. In de Hoogste Raad van de Zwarte Ajah kwam ze meteen na Alviarin zelf, en zij was een van de slechts drie personen die de naam kende van de vrouw die de bijeenkomsten van in kappen gehulde Zwarte zusters voorzat. Tijdens zo’n bijeenkomst kon ze elke naam noemen, zelfs die van een koning, en weten dat die naam binnenkort aan een dode zou toebehoren. Dat was al gebeurd met een koning, en met een koningin. Ze had twee Amyrlins gebroken, tweemaal geholpen om de machtigste vrouw van de wereld in een krijsend wrak te veranderen, maar al te zeer genegen om al haar kennis eruit te gooien. Ze had bij een van hen geholpen om het op een natuurlijke dood tijdens de slaap te doen lijken, en erop toegezien dat de andere werd afgezet en gesust. Zulke dingen waren een plicht – zoals het uitroeien van geleiders – het was niet iets waarin ze plezier had, afgezien van het genoegen een taak tot een goed eind te brengen. Maar als leidster van de cirkel die Siuan Sanche had gesust, had ze Echt genoten. Want al die dingen hielden toch zeker in dat Galina Casban tot de machtigste en sterkste vrouwen ter wereld behoorde. Dat was toch zo? Dat moest.
Haar benen trilden als veren die geen spankracht meer bezaten, en ze viel met een klap neer. Ze kon haar val niet breken omdat haar armen en ellebogen strak op de rug waren gebonden. Haar ooit witte, zijden nachthemd, het enige kledingstuk dat haar restte, scheurde opnieuw toen ze over het losse puin gleed, wat haar kneuzingen deed schrijnen. Een boom hield haar tegen. Met haar gezicht plat tegen de grond begon ze te huilen. ‘Hoe is dit mogelijk?’ kreunde ze met dichtgeknepen keel. ‘Waarom overkomt mij dit?’
Na een tijdje besefte ze dat ze niet overeind getrokken zou worden. Al viel ze nog zo vaak, geen enkele keer werd haar ooit tijd gegund om weer op adem te komen. Ze knipperde haar tranen weg en hief haar hoofd op.
Overal op de berghelling zag ze Aielvrouwen, enkele honderden hadden zich verspreid tussen de kale bomen, hun speren gereed en hun sluiers op de borst, om ze ogenblikkelijk te kunnen optrekken. Galina wilde lachen. Far Dareis Mai. Maagden van de Speer. Ze noemden deze monsters maagden. Wat had ze graag willen lachen. Er waren tenminste geen mannen aanwezig, een kleine troost. Mannen gaven haar kippenvel, en als eentje haar nu zo halfnaakt kon zien... Haar ogen zochten wanhopig naar Therava, maar de vele Wijzen die in een groep naar iets wat hoger op de helling was keken, belemmerden haar uitzicht. Vooraan in de groep klonk wat gemompel. Misschien overlegden de Wijzen met elkaar. Wijzen. Ze hadden haar heel hardhandig de juiste aanspreektitels bijgebracht; nooit alleen maar Aielvrouw zeggen, en nooit wilder. Ze konden haar minachting ruiken, hoe goed ze die ook probeerde te verbergen. Maar je hoefde niet iets te verbergen als het al uit je geschroeid was.
De meeste Wijzen keken de andere kant op, maar niet allemaal. Om een jong, roodharig meisje met een gevoelige mond hing de gloed van saidar en zij hield Galina met grote, onderzoekende blauwe ogen in de gaten. Misschien hadden ze vanmorgen als teken van hun minachting de zwakste gekozen om haar vandaag af te schermen. Micara was niet echt zwak – geen van hen was dat – maar zelfs met al die pijn van schouders tot knieën, had Galina Micara’s schild met weinig moeite kunnen breken. Een spier in haar hals trilde wild; dat gebeurde altijd als ze dacht aan een nieuwe ontsnappingspoging. De eerste was ai erg geweest. De tweede... Ze huiverde en voorkwam met moeite dat ze in snikken uitbrak. Ze ging niet eerder een poging wagen voor ze er zeker van was dat het zou lukken. Heel zeker, volledig zeker.
De groep Wijzen verdeelde zich en wendde zich om om met hun ogen Therava te volgen, terwijl de vrouw met het havikengezicht op Galina afschreed. Bevreesd ademhalend probeerde Galina zich snel overeind te worstelen. Met haar gebonden armen en slappe spieren kon ze slechts tot op haar knieën komen, voordat Therava zich over haar heen boog, waarbij haar ivoren en gouden kettingen zacht tinkelden. Ze greep een handvol van Galina’s haar en trok haar hoofd achterover. De vrouw was langer dan de meeste mannen en ze deed dit zelfs als ze rechtop stonden, waarbij ze Galina’s nek pijnlijk verboog zodat Galina moest opkijken naar het gezicht van de Wijze. Therava’s vermogen was iets groter dan het hare, wat maar weinig vrouwen konden zeggen, maar dat was niet waarom Galina beefde. Diepblauwe, koude ogen boorden zich in de hare en hadden haar in een sterkere greep dan Therava’s ruwe hand; ze leken haar ziel even makkelijk bloot te leggen als de Wijzen haar gevangenhielden. Ze had zich nog niet verlaagd tot smeken, niet toen ze haar de hele dag lieten lopen met nauwelijks een druppel water, niet toen ze haar dwongen hen bij te houden toen ze het een tijdlang op een hollen zetten, zelfs niet toen hun afranselingen haar deden krijsen. Therava’s wrede, harde gezicht dat ondoorgrondelijk op haar neerkeek, maakte van haar bijna een smekelinge. Soms werd ze ’s nachts wakker, languit liggend tussen de vier staken waartussen ze vastgebonden was, jammerend na dromen waarin Therava voor altijd haar leven in handen had.
‘Ze stort nu al in elkaar,’ zei de Wijze met een stem als van steen. ‘Drenk haar en breng haar dan.’ Ze draaide zich om en verschikte haar omslagdoek. Galina Casban was vergeten tot ze weer op mocht draven; Therava hechtte meer belang aan een zwerfhond dan aan Galina Casban.
Galina probeerde niet overeind te komen; ze was nu vaak genoeg ‘gedrenkt’ om beter te weten. Alleen op deze manier lieten ze haar drinken. Ze snakte naar vloeistof en stribbelde niet tegen toen een forse Speervrouw haar net als Therava bij de haren greep en haar hoofd achterover trok. Ze opende enkel haar mond zo ver mogelijk. Een andere Speervrouw, met een ruw litteken scheef over neus en wang, hield een waterzak schuin en liet langzaam een straaltje in Galina’s wachtende mond lopen. Het water was muf en warm; het smaakte verrukkelijk. Ze slikte krampachtig en probeerde moeizaam haar kaken open te houden. Ze wilde bijna even graag haar gezicht onder dat straaltje houden, zodat het water over haar wangen en voorhoofd kon lopen. In plaats daarvan hield ze haar hoofd onbeweeglijk, zodat elke druppel in haar keel terechtkwam. Het verspillen van water was reden voor een afranseling. Ze hadden haar vlak bij een zes pas brede kreek afgerammeld, omdat ze een mondvol over haar kin had laten lopen.
Nadat de waterzak verdween, trok de Speervrouw haar aan de boeien rond haar ellebogen overeind. Galina kreunde. De Wijzen waren bezig hun rok over hun arm te leggen, zodat hun benen een flink eind boven hun zachte, kniehoge laarzen zichtbaar waren. Ze zouden toch niet weer gaan rennen. Niet nog eens. Niet in deze bergen.
De Wijzen begonnen te hollen; het ging hen even makkelijk af als op vlakke grond. Een onzichtbare Speervrouw sloeg met een tak tegen Galina’s bovenbenen en ze wankelde weg in iets wat op rennen leek, waarbij ze half door de forse Speervrouw werd meegesleept. Telkens wanneer ze iets inhield, bewerkte de tak haar benen. Als dit de rest van de dag duurde, zouden de Speervrouwen elkaar aflossen, waarbij er een de tak gebruikte en de ander haar meetrok. Galina zwoegde de hellingen op en gleed aan de andere kant bijna steeds omlaag, maar ze draafde. Vanaf een rotspunt grauwde een taankleurige bergkat die zwaarder was dan een man. Haar vacht toonde strepen van verschillende tinten bruin. Het was een vrouwtje, zonder de oorpluimen en de brede wangen. Galina wilde haar toeschreeuwen om te vluchten, om weg te rennen voordat Therava haar kon vangen. De Aiel renden onbekommerd onder het blazende beest door, en Galina snikte van afgunst op de vrijheid van de kat.