Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Hij aarzelde heel even en draafde toen de meest nabije pier af. Aanvankelijk belemmerden de schepen aan de lange stenen vinger zijn uitzicht op het zuiden en zag hij slechts rook. Door de ronde oever stak iedere pier echter wat verder het water in dan die van de kade ernaast, en nadat hij eenmaal door de mompelende massa heen was gedrongen, bood de brede rivier hem een doorkijk over de woelige groene golven van de baai.
Minstens twintig schepen, misschien wel meer, stonden in de weidse baai in brand en van boeg tot steven laaiden vlammen op. Een aantal andere was al uitgebrand, zichtbaar doordat nog net een langzaam verdwijnende boeg of steven boven het water uitstak. Terwijl hij keek, barstte onder een grote Altaraanse banier van rood, blauw en goud de boeg van een brede tweemaster open. Opeens klapte het schip donderend uit elkaar, en snel dikker wordende rooktentakels dreven weg op de wind terwijl het vaartuig met de achtersteven naar de hemel wijzend zonk. Honderden schepen waren in beweging, elk vaartuig in de baai: de drie- en tweemasters van het Zeevolk – hun klippers, zoevers en scheerders -, kustschepen met driehoekige zeilen en rivierschepen met zeilen of roeiers. Sommigen vluchtten stroomopwaarts, de meesten probeerden naar open zee te ontkomen. Tientallen andere schepen zeilden voor de wind de baai in: schepen met een rechte boeg die zo groot waren als klippers, kliefden door de rollende golven en verspreidden een brede waaier van schuim. Hij snakte naar adem toen hij opeens de vierkante geribde zeilen herkende.
‘Bloed en bloedvuur,’ gromde hij geschokt. ‘Het zijn die vervloekte Seanchanen.’
‘Wie?’ wilde een vrouw met een streng gezicht vlak naast hem weten. Een donkerblauw, fraai gesneden gewaad van wol gaf aan dat ze een koopvrouw was, net als haar leren tas met haar ladingbrieven en het gildespeldje op de borst: een zilveren ganzenveer. ‘Het zijn de Aes Sedai,’ verkondigde ze vol overtuiging, ‘Ik weet wat geleiden is en dat is wat ik daar zie. De Kinderen van het Licht zullen hen wel aanpakken zodra zij aan land komen. Wacht maar af.’
Een slungelige grijze vrouw in een smoezelige lange jas draaide zich om, keek haar aan en tastte naar het houten heft van haar dolk. ‘Hou je bek over Aes Sedai, vervloekte pennerpikker of ik leg je open en ram een Witmantel dwars door je strot je darmen in.’
Mart liet hen met zwaaiende armen en schreeuwend achter en duwde zich de menigte uit. Hij holde naar de kade. Hij kon naar het zuiden drie, nee, vier enorme vliegende wezens met vleugels als van een vleermuis boven de stad zien cirkelen. Op de rug van die schepsels zaten mensen blijkbaar stevig in een soort zadel. Er verscheen nog een vliegend beest en nog een. Onder hen schoten opeens brullende vlammen op tot hoog boven de daken.
De mensen renden nu en botsten tegen Mart op terwijl hij zich door de straten worstelde. ‘Olver!’ riep hij, in de hoop het geschreeuw dat overal vandaan leek te komen, te overstemmen. ‘Olver!’
Opeens leek iedereen de andere kant op te rennen en vochten ze zich langs hem heen. Koppig dwong hij zich tegen de stroom in te gaan. Hij kwam bij een straat waar duidelijk werd waarvoor al die mensen op de vlucht waren geslagen.
Een colonne Seanchanen snelde voorbij, ruim honderd man met helmen als insectenkoppen en wapenrustingen van metalen schubben. Ze bereden allen een soort katten zo groot als paarden, met bronzen schubben in plaats van een vacht. Voorovergebogen in hun zadels, met de lansen met blauwe vaantjes schuin omlaag, galoppeerden ze naar het Mol Haraplein zonder rechts of links te kijken. Hoewel galopperen niet het juiste woord was voor de manier waarop die schepsels zich bewogen. Het ging even snel, maar ze... golfden. Het was hoog tijd ervandoor te gaan, de hoogste tijd. Zodra hij Olver...
De staart van de colonne golfde voorbij, en zijn oog ving een flits rood op ter hoogte van zijn middel in de menigte aan de overkant van de straat. ‘Olver!’ Hij sprong bijna over de hielen van het laatste schub-dier en drong door de mensenmassa. Hij kon nog net zien hoe een vrouw met wilde ogen een meisje in het rood oppakte en met het kind tegen de borst wegholde. Woest drong Mart verder, stootte mensen opzij wanneer ze tegen hem opbotsten, botste tegen anderen en werd zelf ook een aantal keren opzij geduwd. ‘Olver! Olver!’
Hij zag nog tweemaal een vuurkolom vlak boven de daken opstijgen en op tientallen plaatsen hingen rookwolken. Verschillende keren hoorde hij dof gedonder, veel dichterbij dan de baai zelf. Hij wist wel zeker dat het in de stad was. Meermalen trilde de aarde onder zijn voeten.
Opeens stroomde de straat weer leeg en vluchtten de mensen alle kanten uit. Stegen in, huizen en winkels in, want er kwamen Seanchanen te paard aan. Niet iedereen droeg een harnas. Aan het hoofd van de kleine bos lansen reed een donkere vrouw in een blauw gewaad. Mart wist dat de grote rode vierkanten op rok en lijfje zilveren bliksems toonden. Een zilveren lijn, glimmend in de zon, liep van haar linkerpols naar de nek van een vrouw in het grijs, de damane, die als een hond naast de sul’dam te paard meeholde. Hij had na Falme zijn buik vol van de Seanchanen, maar onbewust bleef hij in de opening van een steeg staan toekijken. De donder en het vuur hadden getoond dat iemand in de stad probeerde terug te slaan en hij stond nu op het punt zo’n poging mee te maken.
De Seanchanen waren niet de enige reden dat iedereen uit het zicht was verdwenen. Aan de andere kant van de straat zwaaiden de lange lansen van ruim honderd ruiters omlaag. Ze droegen witte pofbroeken en wit-groene jassen en de gouden koorden onder de helm van de bevelhebber glommen. Brullend stortten Tylins soldaten – de groep was twee keer zo groot als die van de Seanchanen – zich op de aanvallers. ‘Vervloekte dwazen,’ gromde Mart. ‘Zo niet. Die sul’dam zal...’
De enige beweging bij de Seanchanen kwam van de vrouw in de kleding met de bliksems. Ze hief haar hand, alsof ze een havik de lucht in zond of een hond wegstuurde. De goudblonde vrouw aan het andere eind van de zilveren lijn deed een stapje naar voren. De vossenkop tegen zijn borst werd koud.
Onder de voorhoede van de aanvallende Ebodaranen ontplofte de straat. Stenen, mannen en paarden vlogen onder oorverdovend gedonder de lucht in. De ontploffing sloeg Mart plat tegen de grond of misschien was het zo dat de grond onder zijn voeten omhoogsprong. Toen hij zich oprichtte, zag hij nog net hoe een herberggevel aan de overkant opeens in een wolk van stof neerstortte, waardoor de kamers binnen zichtbaar werden.
Overal lagen mannen, paarden en stukken van mannen en paarden. Wie nog in leven was, bewoog wild in het rond bij een kuil die de halve straat besloeg. Gegil van gewonden vulde de lucht, nog niet de helft van de Ebodaranen krabbelde versuft en struikelend overeind. Sommigen grepen de teugels van hun paarden die even wankel stonden als zijzelf en hesen zich in het zadel, waarna ze het dier aanzetten tot een soort draf. Anderen gingen er gewoon te voet vandoor. Weg van de Seanchanen. Staal konden ze aan, dit niet.
Vluchten leek op dat ogenblik een bijzonder goed idee, besefte Mart. Een blik over zijn schouder in de steeg toonde een hoop stof en puin die minstens tot de eerste verdieping reikte. Voor de vluchtende Ebodaranen uit schoot hij de straat door, waarbij hij zo dicht mogelijk bij de muur bleef in de hoop dat de Seanchanen niet zouden denken dat hij een soldaat van Tylin was. Hij had nooit een groene jas moeten aantrekken.
De sul’dam was blijkbaar niet tevreden. De vossenkop werd weer koud en een nieuwe donderslag sloeg hem tegen de straatstenen die omhoogkwamen. Ondanks het gedaver in zijn oren hoorde hij gekraak van metselwerk. Boven zijn hoofd begon een witgepleisterde muur voorover te glijden.
‘Wat is er met m’n bloedgeluk gebeurd?’ schreeuwde hij. En, terwijl de stenen en balken omlaag klapten, had hij nog net de tijd om te beseffen dat de dobbelstenen in zijn hoofd abrupt gestopt waren.