De Cock en de wortel van het kwaad
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #68
- Год: 2007
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-2251-4
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en de wortel van het kwaad». Краткое содержание книги:
“Een tijd niet gezien,” kirde hij. Zijn spichtige muizensmoeltje glom van genegenheid.
“Ik dacht dal je mijn etablissement was vergeten. Dat je de weg naar Lowietje niet meer kon vinden.”
De Cock kneep zijn ogen even dicht.
“Blindelings,” lachte hij.
“Ik ga gewoon op de geur af, de prikkelende geur van cognac.”
Hij schuifelde naar het einde van de bar, waar een plekje vrij was, en hees zijn zware lichaam naast Vledder op een kruk. Grijnzend maakte hij met zijn hand een drinkbeweging.
“Heb je nog?”
Smalle Lowietje trok een verongelijkt gezicht.
“Wat dacht je?”
Hij dook aalglad onder de tapkast en kwam onmiddellijk weer boven met een fles pure cognac Napoleon. Hij hield de fles triomfantelijk omhoog en tikte met een kromme vinger op het vergulde etiket.
“Zolang ik dit etablissement beheer,” sprak hij gedecideerd, “zal zo’n fles altijd voor jou klaarstaan.”
De Cock krabde zich achter in de nek.
“Lowietje,” grinnikte hij.
“Je maakt mij verlegen. Zo veel aanhankelijkheid kan de ziel van een oude rechercheur niet verwerken.”
De tengere caféhouder schonk in.
“Dat het je wel moge bekomen,” sprak hij gedragen. Met een ernstig gezicht bracht hij zijn rechterhand naar zijn borst.
“Dit verlangen komt uit het diepst van mijn hart.”
De Cock glimlachte.
“Dat geloof ik, Lowie.”
Het gedrag van Smalle Lowietje was niet zo vreemd. De tengere caféhouder beschouwde de oude rechercheur als zijn persoonlijke vriend. En dat was wederzijds. Hoewel Lowietje in zijn jonge jaren alles had gedaan wat het strenge Wetboek van Strafrecht en God in Zijn onmetelijke wijsheid hadden verboden, hield De Cock van Lowietje.
De grijze speurder nam het bolle glas op, schommelde het zachtjes in de hand en snoof. Op zijn brede gezicht vol groeven verscheen een glans van opperste verrukking. Omzichtig nam hij een slokje en liet het vocht genietend langs zijn dorstige keel glijden.
“Weet je, Lowie,” sprak hij peinzend, “als alle mensen hun tijd alleen maar zouden verdoen met het vredig nuttigen van een glas goede cognac…misschien waren ze dan minder haatdragend, minder moordzuchtig.”
De tengere caféhouder staarde hem aan.
“Dat is een mooie gedachte,” sprak hij dromerig.
“Een heel mooie gedachte.”
De Cock nam het glas van zijn mond, omklemde het met zijn handen en zette het zachtjes voor zich op de bar. Het was een teder, bijna devoot gebaar. De grijze speurder hield van cognac en genoot intens van de schaarse momenten die de misdaad hem vergunde in het schemerig intieme lokaaltje van Lowietje door te brengen.
“Schenk nog eens in,” gebood hij zacht.
“En misschien heb je wat hartigs voor die hongerige man naast me.”
Lowietje gehoorzaamde met de haast en de toewijding van een geboren kastelein.
Hij streek enige malen met zijn kleine handjes langs zijn morsige vest en op zijn spichtige muizensmoeltje verscheen een uitdrukking van verwarring.
“Wat mij opeens opvalt: wat zijn jullie dit keer laat…Zo laat heb ik jullie hier nog nooit gezien. Het is al ver over twaalf. Nog even en ik sluit de tent.”
De Cock schudde zijn hoofd.
“Blijf nog even open, Lowie. Vledder en ik zijn aan een afzakkertje toe. Gewoon om bij te komen. We hebben een verschrikkelijke dag achter de rug.”
Lowietje keek van De Cock naar Vledder en terug.
“Een verschrikkelijke dag?” herhaalde hij vragend. De Cock zuchtte omstandig.
“Twee moorden. Twee gruwelijke moorden op dezelfde plek en op dezelfde manier gepleegd.”
Smalle Lowietje reageerde verrast.
“Op één dag?”
De Cock knikte.
“We komen net van de tweede moord terug. We hebben onze oude Golf op de houten steiger achter het bureau gezet en zijn onmiddellijk naar jou gestapt…om te vluchten…om voor een luttel halfuurtje in jouw etablissement onder het genot van een goede cognac alle misère en misdaad om ons heen te vergeten.”
Smalle Lowietje boog zich naar hem toe.
“Waar?”
“Wat bedoel je?”
“Waar zijn die moorden gepleegd?”
De Cock voelde er feitelijk weinig voor om bijzonderheden te geven. Hij duimde over zijn schouder.
“In de binnenstad.”
Lowietje grijnsde.
“Dat snap ik,” grinnikte hij.
“Natuurlijk in de binnenstad. Je werkt niet voor niets aan de Warmoesstraat. Maar waar ergens in de binnenstad?”
Vledder nuttigde dankbaar de snacks die voor hem op de tapkast stonden.
De Cock zweeg en nam nog een slok van zijn cognac.
“Er bestaat een instelling,” begon hij terughoudend tegen Lowie, “die sponsors zoekt en geld inzamelt voor goede doelen. De Stichting Gouden Harten.”
Er gleed een schaduw over het gezicht van Smalle Lowietje.
“Aan de Brouwersgracht.”
De Cock keek hem verrast aan.
“Ken jij die stichting?” vroeg hij verwonderd. De caféhouder schudde zijn hoofd.
“Ik ben er nooit geweest.”
Hij grijnsde breed.
“Ik heb nu eenmaal weinig vertrouwen in al die zogenaamde instellingen voor goede doelen. Je weet niet waar je geld blijft, wat ze ermee doen.”
De Cock glimlachte.
“Daarmoet je op vertrouwen.”
Smalle Lowietje trok zijn tengere schouders op.
“Dat vertrouwen heb ik niet.”
Hij zweeg even.
“Nou ja, ik heb daar op de Brouwersgracht ook helemaal niets te zoeken.”
De Cock beluisterde de toon van die laatste woorden.
“Wie…eh,” vroeg hij dwingend, “wie heeft er dan wel iets te zoeken?”
Lowietje wuifde met zijn hand. Toen boog hij zich voorover.
“Die tent op de Brouwersgracht is een verkapte hoerenkast.”
De Cock schoof in verrassing zijn glas iets van zich af.
“Een wat?”
“Een verkapte hoerenkast.”
“Dat geloof ik niet.”
Lowietje maakte een verontschuldigend gebaar.
“Daar zitten geen hoeren…geen echte hoeren bedoel ik, zoals hier op de Wallen, maar ten behoeve van een verstokte pedofiel hebben ze daar altijd wel een paar gewillige knaapjes in voorraad.”
De Cock keek hem ongelovig aan.
“Daar aan de Brouwersgracht?”
Zijn stem beefde van ongeloof.
“Ja, aan de Brouwersgracht.”
De Cock draaide zijn hoofd naar Vledder en weer terug naar Lowietje.
“Vledder en ik zijn er vandaag twee keer geweest. We hebben dat pand uitputtend bekeken. Het lijkt mij geen plek, geen ambiance om…eh, gezellig ontucht te bedrijven.”
Smalle Lowietje maakte een grimas.
“Ontucht…wat is nu ontucht?” riep hij wuivend.
“Dat woord ken ik niet.”
De Cock reageerde fel.
“Je weet best wat ik bedoel.”
Lowietje spreidde zijn handen.
“Ik weet niet waar de afwerking gebeurt. Waar de pedofielen hun knaapjes ter beschikking krijgen. Maar ik weet vrijwel zeker dat de contacten met de pedofielen in dat pand aan de Brouwersgracht worden gelegd.”
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi. Hij boog zich over de bar naar hem toe.
“Dit is belangrijk, Lowie,” sprak hij ernstig.
“In verband met ons onderzoek…heel belangrijk. Hoe kom jij aan die informatie?”
De tengere caféhouder gebaarde om zich heen.
“Er druppelen hier soms de vreemdste klanten binnen…ook pedofielen. Dat is onvermijdelijk. Mijn etablissement staat open voor iedereen.”
Hij zuchtte diep.
“Er wordt bij mij aan de bar door al mijn klantjes heel wat gesmoesd, gezwamd en geleuterd. Ik heb door de jaren heen een getraind gehoor gekregen. Ik bedoel, ik hoef niet naar iemand te kijken om te horen wat hij of zij zegt. Ik versta het toch wel.”