Kruistocht in spijkerbroek
- Автор: Бекман Tea
- Год: 1973
- Язык: голландский
- Год: Lemniscaat
- Жанр: Альтернативная история
Электронная книга - «Kruistocht in spijkerbroek». Краткое содержание книги:
Bisschop Adrianus bezocht hen, zag hun ellende en bood hen een droger verblijf aan, in de ruïne van een oude abdij, op ongeveer een half uur gaans van de stadspoorten. Daar zouden ze zich kunnen installeren tot de weersomstandigheden beter werden.
Tweehonderd door verkoudheid, bronchitis of tuberculose aangetaste kinderen werden opgenomen in kloosters om de stad. Ruim achthonderd betrokken de half in puin gestorte abdij en maakten het zich zo gerieflijk mogelijk. Tussen twee buien door trokken de kinderen eropuit om hout te verzamelen. Ze timmerden ruwe tafels en banken. Ze kregen stro om bedden te maken. Ze leefden als zigeuners — want van verder trekken was voorlopig geen sprake meer.
Ze hadden het gevoel of ze het einde van de wereld hadden bereikt.
Wat kwam er na Brindisi? Niets meer. Een armelijk, onvruchtbaar stuk land, vrijwel ontvolkt. De oude heerweg hield op bij de stad. Slechts modderpaden leidden nog verder naar het zuiden, naar het uiterste puntje van het grote schiereiland. Als ze van Brindisi niet konden oversteken naar het Heilige Land, dan konden ze het nergens meer. Maar bisschop Adrianus had het hoofd geschud en gepreveld: ‘Ga onder geen voorwaarde in op de beloften van de kapiteins, lieve kinderen. Het zijn bijna allemaal zeeschuimers. Aan zulk gespuis kun je je beter niet toevertrouwen.’
Natuurlijk waren er vele kinderen die de raadgeving in de wind sloegen en zich voor de schepen lieten aanmonsteren. Van hen werd nooit meer iets vernomen. Anderen zochten werk in de stad. Maar wat moesten de zevenhonderd die in de abdij achterbleven, beginnen?
Niets.
De tocht was ten einde. Brindisi bleek de eindhalte te zijn.
Eindelijk hield de regen op en brak de zon door. Onmiddellijk stroomden honderden kinderen het binnenplein van de abdij op om hun kleren te drogen en weer eens goed warm te worden. Dolf en Leonardo namen plaats op een met mos begroeide stenen bank, recht tegenover de verwoeste kapel.
‘Ik heb iets vreemds gevonden,’ zei Leonardo plotseling.
‘O ja?’
Dolf was verstrooid. Hij piekerde over de toekomst. Dat ze ooit uit Brindisi weg zouden komen, geloofde hij niet. En blijven was al even onmogelijk.
‘Kijk,’ zei Leonardo.
Uit zijn zak haalde hij een kleine, witmetalen doos. ‘Weet jij wat dat voor een ding is?’
Dolf staarde naar het voorwerp of de ogen uit zijn hoofd moesten rollen.
‘Dat is… dat is…,’ stamelde hij, ‘dat is aluminium!’
‘Hoe noem je dat?’
‘Aluminium, een zeer licht metaal. Hoe kom je daaraan?’
‘Dat zei ik toch: gevonden.’
‘Waar?’
‘In Bari, voor de trappen van de Sint-Nicolaasbasiliek. Het lag zomaar op straat. Ik vond het zo’n merkwaardig ding dat ik het meenam. Later dacht ik er niet meer aan. Hoe zei je ook weer dat het metaal heette?’
‘Aluminium. Mag ik het eens bekijken?’
Dolfs hart roffelde. Kenden ze in de dertiende eeuw licht metaal? Hij dacht van niet. Leonardo kende het in elk geval niet.
Voorzichtig, alsof hij bang was zich te branden, vatte Dolf het doosje aan en bekeek het. Het deksel zat er stevig ingeperst. Met zijn mes peuterde hij het open.
‘Maak het niet stuk,’ riep Leonardo verschrikt.
‘Er zit iets in.’
‘Waarachtig, een boodschap!’ riep de student verbaasd. ‘Maar wat een dun perkament!’
‘Het is papier,’ fluisterde Dolf, wit tot aan zijn lippen.
‘Ik begrijp er niets van. Zijn dat letters? Ik kan ze niet lezen. Jij?’ Dolf zei niets meer. Hij was zo van streek dat er een waas voor zijn ogen kwam en hij niets van de getypte woorden kon ontcijferen. Maar één ding was hem duidelijk: dit was een boodschap uit de toekomst. Eindelijk las hij:
Beste Dolf, als je dit vindt, schrijf dan iets op hetzelfde papier, stop het weer in het doosje en leg het neer op precies dezelfde plaats waar je het hebt gevonden. Verander niets aan de hierop vermelde cijfercode! Vierentwintig uur na aankomst wordt het doosje teruggeflitst. We willen weten waar je bent.