Het Oog van de Wereld
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #1
- Год: 2009
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Het Oog van de Wereld». Краткое содержание книги:
Dat was er een, dacht Rhand, die helemaal geen korte metten met iemand zou maken, die helemaal niets zou doen. Mut zou het zeggen, aan de eerste de beste die hem zou vragen wanneer zij waren vertrokken en nog meer. Hij zou alles vertellen wat hij over hun doen en laten kon bedenken. Even verder in de straat keek hij om. Iemand stond hen na te kijken, met hoog opgestoken lantaarn. Hij hoerde het gezicht niet te zien om te weten dat het Mut was.
De straten van Baerlon waren op dit uur van de nacht verlaten; slechts hier en daar ontsnapte wat flauw licht aan stevig gesloten luiken. Het licht van de afnemende maan scheen nu eens sterker en dan weer zwakker door de wolken die voorbij waaiden. Nu en dan blafte een hond als ze langs een steeg kwamen, maar geen geluid verstoorde de nacht dan de hoeven van hun paarden en de wind die over de daken gierde. De ruiters waren zelfs nog stiller. Ze zaten in hun mantels gedoken en gingen op in hun eigen gedachten.
Als gewoonlijk reed de zwaardhand voorop, met Moiraine en Egwene daar vlak achter. Nynaeve bleef vlak bij het meisje en de anderen vormden dicht bij elkaar de achterhoede. Lan hield de gang er redelijk in.
Rhand keek oplettend de straten rond en hij zag dat zijn vrienden hetzelfde deden. Bewegende maanschaduwen deden hem denken aan de schaduwen aan het einde van de keukengang, toen die zich naar de Schim leken uit te strekken. Als er zo nu en dan in de verte iets te horen was, zoals een vallende ton of een blaffende hond, keek iedereen die kant op. Terwijl ze straat na straat doorreden, dreven ze langzaam hun paarden nog dichter naar Lans zwarte hengst en Moiraines witte merrie toe.
Bij de Caemlinpoort stapte Lan af en bonsde met zijn vuisten op de deur van een vierkant stenen gebouwtje tegen de stadswal. Een slaperige stadswacht verscheen terwijl hij zijn ogen uitwreef. Op Lans woorden verdween zijn slaperigheid en staarde hij langs de zwaardhand naar de anderen.
‘Wilt u vertrekken?’ riep hij uit. ‘Nu? Midden in de nacht? Jullie zijn gek!’
‘Is er soms een bevel van de landvoogd dat ons vertrek verbiedt,’ zei Moiraine. Ze was eveneens afgestegen, zodat ze niet tegen het licht afstak dat door de open deur op straat scheen.
‘Niet precies, vrouwe.’ De stadswacht tuurde fronsend in haar richting om haar gezicht te onderscheiden. ‘Maar de poorten blijven van zonsondergang tot zonsopgang dicht. Alleen bij daglicht mag iemand naar binnen. Dat is de opdracht. Trouwens, er zijn wolven buiten en die hebben de laatste dagen weer een tiental koeien gedood. Kunnen net zo goed een mens doden.’
‘Niemand mag naar binnen, maar er is niets tegen vertrek,’ zei Moiraine, alsof daarmee de zaak geregeld was. ‘Ziet u wel. We vragen u dus niet om ongehoorzaam te zijn aan de landvoogd.’
Lan drukte iets in de hand van de stadswacht. ‘Voor uw moeite,’ mompelde hij.
‘Tja,’ zei de stadswacht langzaam. Hij keek even naar zijn hand waarin goud glinsterde voor hij de munt haastig in zijn zak stak. ‘Ik neem aan dat vertrek niet werd bedoeld. Momentje.’ Hij stak zijn hoofd naar binnen. ‘Arin! Dar! Kom hier en help me de poort te openen. Er zijn mensen die weg willen. Geen gezeur. Kom hier en help mee.’
Twee stadswachten kwamen naar buiten en stonden slaperig verbaasd te staren naar de groep van acht die naar buiten wilde. Terwijl de eerste stadswacht ze aanspoorde, schuifelden ze naar het grote rad dat de dikke balk voor de poorten optilde, waarna ze de poorten begonnen open te schuiven.
Palrad en krukas maakten een snel ratelend geluid, maar de goed ingevette poorten zwaaiden stil naar buiten. Voor ze echter voor een kwart openstonden, klonk een kille stem uit de duisternis.
‘Wat is dit? Is er niet een bevel dat de poorten tot zonsopgang dicht moeten blijven?’
Vijf witgemantelde mannen liepen het licht van het wachthuisje in. Hun kappen waren naar voren getrokken en verborgen hun gezicht, maar iedere man liet zijn hand op zijn zwaard rusten en de gouden zon op hun linkerborst vormde een duidelijke aanwijzing wie ze waren. Mart mompelde zachtjes iets voor zich uit. De stadswachten hielden op met hun werk en keken elkaar schichtig aan.
‘Dit is jullie zaak niet,’ zei de eerste stadswacht manhaftig. Vijf witte kappen draaiden zich naar hem toe en hij besloot zachter: ‘De Kinderen hebben hier geen rechten. De landvoogd...’
‘De Kinderen van het Licht,’ zei de Witmantel die het eerst had gesproken op zachte toon, ‘hebben alle rechten waar mensen in het Licht lopen. Slechts waar de Schaduw van de Duistere heerst, worden de Kinderen afgewezen, niet?’ Zijn kap zwaaide van de stadswacht naar Lan en schonk de zwaardhand opeens een behoedzamere, tweede blik.
De zwaardhand had zich nog niet bewogen en leek volkomen op zijn gemak. Maar weinig mensen konden zo zorgeloos naar de Kinderen kijken. Lans steenharde blik kon even goed op een schoenpoetser zijn gericht. Toen de Witmantel verder praatte, klonk zijn stem achterdochtig.
‘Wat voor soort mensen wil in deze tijden de stadswal verruilen voor het duister van buiten? Terwijl er wolven door het donker sluipen en het handwerk van de Heerser van de Nacht boven de stad vliegt?’ Hij keek naar de gevlochten leren band om Lans hoofd, die zijn haren uit zijn gezicht hield. ‘Een noorderling, nietwaar?’
Rhand kromp op zijn zadel in elkaar. Een Draghkar. Dat moest het wel zijn, tenzij de man elk onbekend ding het handwerk van de Duistere noemde. Na de Schim in De Bok en Leeuw had hij een Draghkar kunnen verwachten, maar daar dacht hij momenteel nauwelijks aan. Hij meende de stem van de Witmantel te herkennen.
‘Reizigers,’ antwoordde Lan kalm. ‘Niet van belang voor u of de uwen.’
‘Iedereen is van belang voor de Kinderen van het Licht.’
Lan schudde lichtjes zijn hoofd. ‘Wilt u echt nog meer last krijgen met de landvoogd? Hij heeft het aantal Kinderen in de stad beperkt, u zelfs laten volgen. Wat zal hij doen als hij ontdekt dat u eerlijke burgers aan zijn poorten lastigvalt?’ Hij wendde zich tot de stadswacht. ‘Waarom zijn jullie gestopt?’ Ze aarzelden, legden de handen weer op de slinger en stopten weer toen de Witmantel sprak.
‘De landvoogd weet niet wat er onder zijn neus gebeurt. Er is kwaad dat hij niet ziet, niet ruikt. Maar de Kinderen van het Licht zien.’ De stadswachten keken elkaar aan; hun vingers kromden en strekten zich alsof ze betreurden dat ze hun speren in het wachthuisje hadden laten staan. ‘De Kinderen van het Licht ruiken het kwaad.’ De ogen van de Witmantel richtten zich op de mensen te paard. ‘We ruiken het en roeien het uit. Waar het ook wordt aangetroffen.’
Rhand probeerde zich nog kleiner te maken, maar die beweging trok de aandacht van de man.
‘Wat hebben we hier? Iemand die niet gezien wil worden? Wat heb je... Ha!’ De man schoof de kap van zijn witte mantel terug en Rhand keek in het gezicht dat hij had verwacht. Bornhald knikte, zichtbaar tevreden. ‘Wachter, ik heb je zeker gered van een grote ramp. Dit zijn Duistervrienden die je bijna aan het Licht had helpen ontsnappen. Je behoort ter bestraffing aan de landvoogd gerapporteerd te worden, of misschien word je overgedragen aan de Ondervragers om je ware bedoelingen uit te zoeken.’ Hij zweeg even en proefde de vrees van de stadswacht; het leek hem niet te deren. ‘Dat zou je niet willen, toch? In plaats daarvan zal ik deze boosdoeners naar ons kampement brengen, zodat ze in het Licht ondervraagd kunnen worden – in plaats van jou, nietwaar?’
‘Ga jij mij naar je kamp brengen, Witmantel?’ Opeens klonk uit alle richtingen tegelijk Moiraines stem. Ze had zich bij de komst van de Kinderen in de nachtelijke schaduw teruggetrokken en schaduwen vlochten zich om haar heen. ‘Ga jij mij ondervragen?’ Duisternis wervelde om haar heen toen ze naar voren stapte; ze leek er groter door. ‘Ga jij mij tegenhouden?’
Ze deed nog een stap en Rhand snakte naar adem. Ze was groter; haar hoofd was op gelijke hoogte als het zijne, terwijl hij op Wolk zat. Schaduwen zweefden als donderwolken rond haar gezicht.