De Cock en moord in brons
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #29
- Год: 1999
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0310-7
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en moord in brons». Краткое содержание книги:
‘Criminaliteit is in ons brave landje de enige bedrijfstak met een geringe werkloosheid.’
Smalle Lowietje grinnikte. Hij wuifde naar De Cock. ‘Dat mis ik nu zo… die pittige uitspraken van je. Hetzelfde recept?’ Zonder op antwoord te wachten dook hij aalglad onder de tapkast en kwam tevoorschijn met een fles fijne Franse cognac Napoleon, die hij met een kreetje van verrukking op de bar plaatste. Hij vatte drie diepbolle glazen en schonk klokkend in. De Cock keek toe. Hij hield van de manier waarop Lowietje de fraaie fles hanteerde. Het was een ceremonieel, bijna devoot gebaar.
Ze namen beiden het glas op, keken elkaar in de ogen… de oude rechercheur… de wat louche caféhouder… en lachten. ‘Op de misdaad.’
Het was hun gebruikelijke toast.
De Cock warmde het glas in de palm van zijn hand, snoof de prikkelende geur en liet de fluweelzachte nectar door zijn keel glijden.
De grijze speurder genoot van deze schaarse momenten die de actieve misdaad hem gunde. Het verzoende hem een beetje met zijn woelig ambtelijk leven, volgepropt met moord, doodslag en bedrog.
Hij zette zijn glas neer en blikte omhoog naar Lowietje. ‘Denk je dat een rechercheur van politie in de hemel komt?’ vroeg hij somber.
Over het muizensmoeltje van de Smalle gleed een grijns. ‘Sommigen… niet allemaal.’
De Cock lachte.
‘Schenk nog eens in.’
Smalle Lowietje gehoorzaamde met de welwillendheid van een kastelein.
De Cock nam het glas op. Maar na enkele seconden zette hij het weer terug op de bar. Op zijn breed gezicht kwam een peinzende uitdrukking. Vertrouwelijk boog hij zich voorover. ‘Heb jij in deze tent wel eens van het volk van de Klokbekers gehoord?’‘Het volk van de Klokbekers?’
‘Ja.’
‘Je bedoelt de klok-beker-mensen… die luitjes, die elk jaar naar Lunteren trekken?’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Naar Lunteren?’
De tengere caféhouder knikte.
‘Daar houden ze hun jaarlijkse bijeenkomsten. In Amsterdam hebben ze ook een lokaal. In de buurt van de Muiderpoort. Ik dacht eerst dat het zoiets was als de Kerk van Satan, hier op de gracht. Maar bij die mensen gaat het niet om seks.’
‘Waar dan wel om?’
Smalle Lowietje trok dwarse denkrimpels in zijn voorhoofd. ‘Het is een… eh, een soort genootschap,’ formuleerde hij voorzichtig. ‘Een verbond. Ze zijn erg streng onder elkaar. Als iemand niet precies doet wat hij volgens de leden van het genootschap zou moeten doen, dan spreken ze gezamenlijk een vonnis over hem uit.’
De mond van De Cock viel open.
‘Een wat?’
Smalle Lowietje keek hem verwonderd aan.
‘Von-nis… ken jij dat woord niet?’
3
De beide rechercheurs verlieten het etablissement van Smalle Lowietje en slenterden over de Achterburgwal. Het was er beduidend drukker dan een uur tevoren. De regen was opgehouden, druipte nog van de bomen aan de wallenkant, en de seksbusiness was weer in vol bedrijf. Hoertjes in velerlei fatsoenen lonkten in het barmhartige rode licht van hun etalages naar het leger van behoeftigen, dat sjokkend aan hen voorbijtrok. Het viel De Cock op dat de vrouwen steeds jonger werden. Meisjes nog. Ook was het verloop erg groot. Vroeger kende hij vrijwel elke hoer van de Wallen, met naam en toenaam, wist hoe ze in de prostitutie waren geduikeld. Nu zag hij steeds nieuwe gezichten.
Het stemde hem wat droevig. Vroeger omschreef men de prostitutie als ‘betaalde liefde’. Maar dat was lang geleden. Van enige liefde was nu geen sprake meer. De menselijke aspecten waren uit het hoerenbedrijf verdwenen. Het was ontzield tot een ‘betaald gebruik’. Vooral de drugs, de vele heroïnehoertjes hadden de prostitutie verhard.
Ook Vledder leek wat bedrukt. Op zijn jong gezicht lag een zorgelijke trek. Hij keek opzij naar De Cock, die met zijn oude hoedje ver naar achteren geschoven, filosoferend het wereldje om zich heen bezag.
‘Het zal toch niet waar zijn?’
De oude rechercheur leek in zijn overpeinzingen gestoord. ‘Wat zeg je?’ vroeg hij afwezig.
‘Het zal toch niet waar zijn?’
‘Wat?’
‘Van dat vonnis.’
De Cock trok zijn schouders iets op.
‘Wat Smalle Lowietje ons vertelde sluit wel aan bij het verhaal van de mooie Adelheid van Kleef.’ Hij grinnikte vrolijk. ‘En ik kan mij levendig voorstellen dat jij dat niet prettig vindt.’‘Omdat ik haar niet geloof?’
‘Precies. Het gaat om haar geloofwaardigheid. We zullen nu toch ernstig rekening moeten houden met de mogelijkheid dat haar wat vreemde verhaal toch op waarheid berust.’ Vledder zwaaide heftig met zijn beide armen.
‘Maar het is toch onbestaanbaar… een genootschap dat vonnissen uitspreekt.’
De Cock gebaarde nonchalant voor zich uit.
‘De maffia,’ sprak hij achteloos, ‘de maffia doet dat al jaar en dag.’ Vledder schudde zijn hoofd. De houding van de oude rechercheur prikkelde hem. ‘Dit is geen maffia,’ riep hij geërgerd, ‘geen criminele organisatie… maar een simpel genootschap, waarvan de leden om een of andere duistere reden jaarlijks naar Lunteren trekken.’‘En?’
‘Het is niet vergelijkbaar.’
De Cock stak afwerend zijn hand op.
‘Oké,’ sprak hij berustend, ‘geen maffia… maar een simpel genootschap.’ Hij zweeg even en ademde diep. ‘Het recht van V&V, van Vereniging en Vergadering is een grondrecht, vastgelegd in de Grondwet. Daar mogen wij niet aan tornen. Mensen mogen zich verenigen… bij elkaar komen. Er zijn in ons lieve landje zoveel clubjes, genootschappen en verenigingen met uiteenlopende doelstellingen, dat daar best een genootschap bij zal zijn dat een eigen arbitrage kent.’
Vledder bleef van verbijstering staan.
‘Hoe noem je dat?’ Zijn stem trilde van ongeloof. ‘Arbitrage?’ De Cock liep rustig knikkend verder.
‘Waar mensen bij elkaar komen ontstaan onenigheden, botsen de meningen, vormen zich twisten, kortom… zijn er geschillen. Dat is onvermijdelijk. Om die geschillen op te lossen, zal men in de boezem van de vereniging of het genootschap iets moeten doen. Wel, dan benoemt men een arbitragecommissie.’‘Maar die spreken toch geen vonnissen uit?’
De Cock zuchtte.
‘Vonnis is inderdaad een wat beladen woord. Maar als men de uitspraak van een arbitragecommissie zo wil noemen, dan heb ik daar vrede mee.’
Vledder bleef opnieuw staan.
‘Jij hebt vrede met een doodvonnis?’ reageerde hij onthutst. De Cock sloot even zijn ogen.
‘Zo’n vonnis mag,’ sprak hij traag. ‘Het brengt mij niet in verlegenheid.’ Zijn gezicht verstarde. ‘Tot het wordt uitgevoerd… zie je… dan is het pas moord.’
Toen de beide rechercheurs de hal van het politiebureau binnenkwamen, wenkte Jan Kusters hen vanachter de balie met een kromme vinger. De wachtcommandant deed geheimzinnig. Ze liepen op hem toe.
‘Wat is er?’ vroeg De Cock.
Jan Kusters wees omhoog.
‘Er zit boven een man op jullie te wachten.’
‘A l la ng?’
Jan Kusters knikte.
‘Jullie waren nog maar net de deur uit, toen hij voor de balie verscheen. Een keurige heer in een donkere, antracietkleurige jas, waaronder een witzijden sjaal. Hij sprak wat geaffecteerd en vroeg of bij ons de vermissing van ene Siegfried van Xanten was gemeld.’ Hij gebaarde achter zich naar het telexapparaat. ‘Ik had net het bericht gelezen dat Vledder had weggeslagen en ik zei: “Ja, er loopt inderdaad een verzoek tot opsporing.”’‘En toen?’
‘Toen werd hij kwaad, liep rood aan en zei dat hij onmiddellijk de recherche wilde spreken. Die zijn op onderzoek, zei ik.’ De Cock grijnsde.
‘Een diepgaand onderzoek naar de voortreffelijke cognac van Smalle Lowietje.’
De wachtcommandant lachte niet.
‘Je mag mij wel eens het telefoonnummer geven van dat cafeetje, waar jij altijd komt,’ sprak hij snauwerig. ‘Dan kan ik je tenminste bereiken.’