Het Oog van de Wereld
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #1
- Год: 2009
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Het Oog van de Wereld». Краткое содержание книги:
‘O. Nou, misschien kan ik Marin ompraten.’ Maar Tham klonk niet erg hoopvol. Hij keek Rhand scherp aan. ‘Je hebt nog geen antwoord gegeven op mijn vraag, dus neem ik aan dat je al heel gauw moet vertrekken. Morgenochtend? Of vannacht?’
‘Vannacht,’ zei Rhand zacht en Tham knikte bedroefd.
‘Ja. Nou ja, als het moet gebeuren, kunnen we het maar beter niet uitstellen. Maar ik moet nog zien wat ze met “weken” bedoelt.’ Hij plukte met meer ergernis dan kracht aan de deken. ‘Misschien kom ik je over een paar dagen wel achterna. Haal ik je onderweg in. We zullen eens zien of Marin me in bed kan houden als ik eruit wil.’
Er werd op de deur geklopt en Lan stak zijn hoofd naar binnen. ‘Neem snel afscheid, schaapherder, en kom mee. Er komen moeilijkheden aan.’
‘Moeilijkheden?’ vroeg Rhand en de zwaardhand gromde ongeduldig.
‘Maak voort!’
Haastig pakte Rhand zijn mantel op. Hij begon de zwaardgordel los te gespen, maar Tham hield hem tegen.
‘Houd het. Je zult het waarschijnlijk harder nodig hebben dan ik. Ik hoop dat we – als het Licht het wil – het geen van beiden hoeven gebruiken. Wees voorzichtig, jongen. Hoor je?’
Rhand negeerde het aanhoudende gegrom van Lan en hoog zich voorover om Tham re omhelzen. ‘Ik kom terug. Dat beloof ik je.’
‘Natuurlijk kom je terug,’ lachte Tham. Hij beantwoordde de omhelzing zwakjes en klopte Rhand op zijn rug. ‘Dat weet ik toch. En na je terugkomst heb ik dubbel zoveel schapen die je mag verzorgen. Vooruit, weg, voor die man zich wat aandoet.’
Rhand probeerde het afscheid uit te stellen, probeerde de woorden te vinden voor de vraag die hij niet wilde stellen, maar Lan kwam de kamer binnen, greep hem bij de arm en trok hem de gang op. De zwaardhand droeg een matgrijze tuniek van overlappende metalen ringetjes. Zijn stem klonk hees van ergernis.
‘We moeten ons haasten. Begrijp je het woord “moeilijkheden” niet?’
Op de gang stond Mart te wachten, in een mantel en jas, met zijn boog in zijn hand. Bij zijn middel hing een pijlkoker. Hij stond bezorgd op en neer te wippen en zijn ogen, waarin ongeduld en vrees elkaar afwisselden, schoten telkens naar de trap. ‘Dit lijkt niet erg op de verhalen, hè Rhand?’ vroeg hij hees.
‘Wat voor moeilijkheden?’ wilde Rhand weten, maar Lan holde voor hem uit en gaf geen antwoord. De zwaardhand sprong met twee treden tegelijk de trap af. Mart rende achter hem aan en gebaarde Rhand hen snel te volgen.
Terwijl hij zijn mantel aanschoot, haalde hij ze beneden in. Slechts een zwak licht vulde de gelagkamer. De helft van de kaarsen was opgebrand en de meeste andere sputterden. Behalve zij drieën was het vertrek leeg. Mart stond naast een van de voorste ramen en gluurde naar buiten alsof hij niet gezien wilde worden. Lan hield de deur op een kiertje open en tuurde over het erf.
Rhand vroeg zich af waar ze naar stonden te kijken en voegde zich bij hen. De zwaardhand mompelde dat ze op moesten passen, maar hij trok de deur een beetje verder open, zodat ook Rhand naar buiten kon kijken.
Aanvankelijk wist hij niet zeker wat hij daar zag. Een grote groep mannen van het dorp, ongeveer dertig, stond naast de uitgebrande marskramerwagen. Het nachtelijk duister trok zich terug voor de fakkels die sommigen droegen. Moiraine stond tegenover hen, met haar rug naar de herberg en steunde met schijnbare kalmte op haar wandelstaf. Hari Kopin stond voor de menigte, met zijn broer Darl en Bili Kongar. Ook Gen Buin was er, maar hij voelde zich duidelijk niet op zijn gemak. Rhand zag verbaasd dat Hari zijn vuist naar Moiraine schudde.
‘Vertrek uit Emondsveld!’ riep de boer met een zuur gezicht. Een paar stemmen in de menigte bauwden hem aarzelend na, maar niemand drong naar voren. Ze durfden nog wel te midden van een massa mensen een Aes Sedai uit te dagen, maar niemand wilde er alleen voor staan. Niet bij een Aes Sedai die alle reden had zich beledigd te voelen.
‘Jullie hebben die monsters hier gebracht!’ brulde Darl. Hij zwaaide met een fakkel boven zijn hoofd en onder aanvoering van zijn neef Bili klonk er geschreeuw als ‘Jullie brachten ze hierheen’ en ‘Het is jullie schuld’.
Hari porde Cen Buin en de oude rietdekker kneep zijn lippen op elkaar en keek hem dreigend van opzij aan. ‘Die dingen... die Trolloks kwamen pas toen u hier was,’ stotterde Cen, amper luid genoeg om gehoord te worden. Hij keek bedrukt van links naar rechts alsof hij ergens anders wilde zijn en een uitweg zocht. ‘U bent een Aes Sedai. Wij willen jullie soort niet in Tweewater. Aes Sedai brengen altijd moeilijkheden. Als u blijft, bezorgt u ons er alleen maar meer.’ Niemand reageerde op zijn woorden en Hari werd nijdig. Opeens griste hij de fakkel van Darl weg en zwaaide er dreigend mee in Moiraines richting. ‘D’ruit!’ schreeuwde hij. ‘Of we branden jullie eruit.’
Er viel een doodse stilte, afgezien van het schuifelen van enkele voeten toen mannen zich terugtrokken. Het volk van Tweewater zou terugvechten hij een aanval, maar geweld was heel ongewoon en dreigende mensen waren hen vreemd, ook al werd er wel eens een vuist geheven. Cen Buin, Bili Kongar en de Kopins stonden opeens alleen voor de groep. Bili keek ook of hij weg wilde kruipen.
Hari leek verontrust door het gebrek aan steun, maar hij herstelde zich snel. ‘D’ruit!’ schreeuwde hij opnieuw en Darl deed hem na, waarna Bili zwakjes volgde. Hari keek de anderen boos aan. De meeste mensen ontweken zijn blik.
Plotseling kwamen Bran Alveren en Haral Lohan uit de schaduw te voorschijn en bleven tussen de Aes Sedai en de menigte staan. In één hand zwaaide de dorpsmeester losjes met de grote houten hamer waarmee hij de tappen in de vaten sloeg. ‘Stelde iemand voor mijn herberg in brand te steken?’ vroeg hij zachtjes.
De twee Kopins deden een stap naar achter en Cen Buin schoof zijdelings van hen vandaan. Bili Kongar dook weg in de menigte. ‘Dat niet,’ zei Darl vlug. ‘Dat hebben we nooit gezegd, Bran... eh, dorpsmeester.’
Bran knikte. ‘Heb ik dan goed gehoord dat je gasten in mijn herberg bedreigt?’
‘Ze is een Aes Sedai,’ begon Hari kwaad, maar hij slikte de rest in toen Haral Lohan bewoog.
De smid rekte zich slechts uit, stak zijn dikke armen boven zijn hoofd en balde zijn enorme vuisten tot zijn knokkels kraakten, maar Hari keek de man aan alsof een van zijn vuisten onder zijn neus werd gehouden. Haral sloeg zijn armen over elkaar. ‘Neem me niet kwalijk, Hari. Ik wilde je niet onderbreken. Wat wou je zeggen?’
Maar Hari leek met zijn ingezakte schouders in zijn eigen lijf te verdwijnen en had niets meer te zeggen.
‘Ik verbaas me over jullie,’ rommelde Bran. ‘Peet Alcaar, het been van je zoon was gisteravond gebroken, maar vandaag zag ik hem alweer rondstappen – door haar hulp. Ewout Kanwin, jij lag op je buik met een jaap in je rug alsof je als een vis ontgraat ging worden, tot zij haar handen op je legde. Nu zie je eruit alsof het een maand geleden is gebeurd en, tenzij ik het verkeerd zie, zonder zichtbaar litteken. En jij, Cen.’ De rietdekker wilde al in de menigte verdwijnen, maar bleef onder Brans blik bedremmeld staan, ik zou geschokt zijn als ik hier iemand van de dorpsraad bij zag staan. En van allemaal sta juist jij hier. Je arm zou nog nutteloos langs je zij hangen, bont en blauw en een en al brandwonden, als zij er niet was geweest. Dankbaarheid is je kennelijk vreemd, maar ken je dan geen schaamte?’
Cen hief zijn rechterhand half omhoog en keek toen boos naar iets anders, ‘ik kan niet ontkennen wat ze heeft gedaan,’ mompelde hij en hij klonk inderdaad beschaamd. ‘Ze heeft mij en anderen geholpen,’ zei hij bijna smekend, ‘maar ze is een Aes Sedai, Bran. Als die Trolloks niet vanwege haar kwamen, waarom kwamen ze dan? In Tweewater willen we niets met Aes Sedai te maken hebben. Laten ze hun moeilijkheden uit onze streek weghouden.’
Enkele mannen, veilig achter in de groep, schreeuwden: ‘Wij willen geen Aes Sedai-problemen!’ ‘Stuur haar weg!’ ‘Jaag haar eruit!’ ‘Ze zijn toch vanwege haar gekomen?’
De dorpsmeester keek woest, maar voordat hij iets kon zeggen, liet Moiraine opeens haar met ranken besneden staf boven haar hoofd draaien. Ze liet hem met beide handen rondtollen. Rhands zucht herhaalde zich in die van de dorpelingen, want aan beide uiteinden van de staf vonkten sissende witte vlammen die ondanks het draaien van de staf als speerpunten naar buiten staken. Zelfs Bran en Haral schoven van haar weg. Ze strekte met een ruk haar armen recht vooruit, de staf evenwijdig aan de grond, maar het bleke vuur spoot er nog uit, feller dan de fakkels. De mannen schoven weg en hielden hun handen op om hun ogen te beschermen tegen het intense licht.