De Torens van Middernacht
- Автор: Джордан Роберт, Сандерсон Брендон
- Серия: Het Rad des Tijds #13
- Год: 2011
- Язык: голландский
- Переводчик: Lia Belt
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Torens van Middernacht». Краткое содержание книги:
Geweldig, dacht Lan. Bandieten, die de nachtelijke weg in de gaten hielden, uitkijkend naar vermoeide reizigers. Nou, drie mannen zouden niet al te veel gevaar moeten opleveren. Ze reden op een draf achter Lan aan. Ze zouden pas aanvallen als ze verder weg waren bij de herberg. Lan legde zijn zwaard wat losser in de schede. ‘Heer,’ zei Buien op een dringende fluistertoon, kijkend over zijn schouder. ‘Twee van die mannen dragen de hadori.’ Lan draaide zich om, waardoor zijn mantel achter hem opwapperde. De drie mannen naderden en hielden niet in. Ze gingen om hem en Buien heen.
Lan keek hen na. ‘Andère?’ riep hij. ‘Waar denk je dat je mee bezig bent?’
Een van de drie – een slanke, gevaarlijk ogende man – keek achterom, zijn lange haren uit zijn gezicht gehouden door de hadori. Lan had Andère al jaren niet meer gezien. Zo te zien had hij eindelijk zijn Kandoraanse uniform opgegeven; hij droeg een diepzwarte mantel met leren jachtkleding eronder.
‘Ach, Lan,’ zei Andère, terwijl de drie mannen tot stilstand kwamen. ‘Ik had je helemaal niet gezien.’
‘Dat geloof ik meteen,’ zei Lan vlak. ‘En jij, Nazar. Je hebt je hadori weggelegd toen je nog een jongen was. En nu heb je hem weer om?’
‘Ik kan doen wat ik wil,’ zei Nazar. Hij begon oud te worden – hij moest al in de zeventig zijn – maar hij droeg een zwaard aan zijn zadel. Zijn haar was grijs geworden.
De derde man, Rakim, was geen Malkieri. Hij had de schuinstaande ogen van een Saldeaan, en hij haalde zijn schouders op naar Lan en keek een beetje beschaamd.
Lan drukte zijn vingers tegen zijn voorhoofd en sloot zijn ogen terwijl de drie mannen doorreden. Wat voor spelletje speelden ze? Maakt niet uit, dacht Lan, en hij deed zijn ogen open. Buien wilde iets zeggen, maar Lan snoerde hem met een woeste blik de mond. Hij ging aan de zuidkant de weg af en reed een smal, uitgesleten pad op.
Niet lang daarna hoorde hij achter zich gedempte hoefslagen. Lan draaide zich met een ruk om en zag de drie mannen achter hem rijden. Hij hield Mandarb in en klemde zijn kaken op elkaar. ‘Ik hef de Gouden Kraanvogel niet!’
‘Dat hebben we ook niet gezegd,’ zei Nazar. De drie reden weer om hem heen en vervolgden hun weg.
Lan spoorde Mandarb aan en reed naar hen toe.
‘Hou dan op me te volgen.’
‘Volgens mij reden we vóór je,’ zei Andère.
‘Jullie gingen na mij deze kant op,’ beschuldigde Lan hem. ‘De wegen zijn niet van jou, Lan Mandragoran,’ zei Andère. Hij keek Lan aan, met zijn gezicht beschaduwd in de nacht. ‘Ik weet niet of je het gemerkt hebt, maar ik ben niet langer de jongen die de Held van Salmarna zo lang geleden berispte. Ik ben soldaat geworden, en soldaten zijn nodig. Dus ik rij deze kant op als ik dat wil.’
‘Ik bevéél je om te keren en terug te gaan,’ zei Lan. ‘Zoek een andere weg naar het oosten.’
Rakim lachte, en zijn stem klonk na al die jaren nog steeds hees. ‘Je bent mijn kapitein niet meer, Lan. Waarom zou ik je bevelen gehoorzamen?’ De anderen grinnikten.
‘Een koning zouden we natuurlijk wel gehoorzamen,’ zei Nazar. ‘Ja,’ viel Andère hem bij. ‘Als hij ons bevelen gaf, dan misschien wel. Maar ik zie hier geen koning. Of ik moet me vergissen.’
‘Er kan geen koning zijn van een gevallen volk,’ zei Lan. ‘Geen koning zonder koninkrijk.’
‘En toch rijd je uit,’ zei Nazar, die een klapje met zijn teugels gaf. ‘Je rijdt je dood tegemoet in een land waarvan je bewéért dat het geen koninkrijk is.’
‘Het is mijn lotsbestemming.’
De drie haalden hun schouders op en reden weer voor hem uit. ‘Doe niet zo stom,’ zei Lan zacht terwijl hij Mandarb inhield. ‘Dit pad leidt naar de dood.’
‘De dood is lichter dan een veertje, Lan Mandragoran,’ riep Rakim over zijn schouder. ‘Als we alleen maar naar de dood rijden, dan wordt dit een gemakkelijkere weg dan ik had gedacht!’ Lan knarste met zijn tanden, maar wat kon hij doen? Ze alle drie bewusteloos slaan en langs de weg laten liggen? Hij spoorde Mandarb maar weer aan.
De twee waren vijf geworden.
Galad vervolgde zijn ochtendmaal en merkte op dat Kind Byar was binnengekomen om hem te spreken. Het was een eenvoudig maaclass="underline" havermout met een handvol rozijnen erdoorheen geroerd. Een eenvoudig maal voor elke soldaat voorkwam bij hen allemaal afgunst. Sommige Kapiteinheer-gebieders hadden veel beter gegeten dan hun manschappen. Dat ging er bij Galad niet in. Niet terwijl zoveel mensen in de wereld verhongerden.
Kind Byar wachtte bij de flappen van Galads tent tot hij werd opgemerkt. De magere man met zijn ingevallen wangen droeg zijn witte mantel en een tabberd over een maliënkolder. Uiteindelijk legde Galad zijn lepel neer en knikte naar Byar. De soldaat liep naar de tafel toe en wachtte, nog altijd in de houding. Er stonden geen mooie meubelstukken in Galads tent. Zijn zwaard – Valda’s zwaard – lag op de onversierde tafel achter zijn houten kom, een stukje uit de schede getrokken. De reigers op de kling piepten onder de schede uit, en het gepoetste staal weerspiegelde Byars gestalte.
‘Zeg het maar,’ zei Galad.
‘Ik heb weer nieuws over het leger, Kapiteinheer-gebieder,’ zei Byar.
‘Ze zijn in de buurt van de plek waar de gevangenen zeiden dat ze zouden zijn, op een paar dagen rijden hiervandaan.’
Galad knikte. ‘Voeren ze de vlag van Geldan?’
‘En de vlag van Mayene.’ Die vonk van ijver brandde weer in Byars ogen. ‘En de wolvenkop, hoewel ze die volgens de verslagen gisteren aan het einde van de dag weer hebben weggehaald. Guldenoog is daar zeker. Onze verkenners zijn ervan overtuigd.’
‘Heeft hij echt Bornhalds vader vermoord?’
‘Ja, Kapiteinheer-gebieder. Ik ben bekend met dat schepsel. Hij en zijn soldaten komen uit een plaats die Tweewater heet.’
‘Tweewater?’ vroeg Galad. ‘Het is merkwaardig hoe vaak ik tegenwoordig over die plek hoor. Is dat niet ook waar Altor vandaan komt?’
‘Dat zeggen ze, ja,’ antwoordde Byar.
Galad wreef over zijn kin. ‘Ze telen daar goede tobak, Kind Byar, maar ik had niet gehoord dat ze er ook legers telen.’
‘Het is een duistere plek, Kapiteinheer-gebieder. Kind Bornhald en ik zijn er vorig jaar een tijdje geweest; het krioelt er van de Duistervrienden.’
Galad zuchtte. ‘Je klinkt als een Ondervrager.’
‘Heer,’ vervolgde Byar ernstig, ‘geloof me alstublieft. Dit zijn niet zomaar aannames. Dit is anders.’
Galad fronste zijn voorhoofd. Toen gebaarde hij naar de andere kruk bij de tafel. Byar nam plaats.
‘Verklaar je nader,’ zei Galad. ‘En vertel me alles wat je weet over die Perijn Guldenoog.’
Perijn kon zich nog een tijd herinneren dat een eenvoudig ochtendmaal van brood en kaas hem tevreden had gesteld. Dat was niet langer het geval. Misschien kwam het door zijn omgang met de wolven, of misschien was zijn smaak in de loop der tijd veranderd. Tegenwoordig hunkerde hij naar vlees, vooral ’s morgens. Hij kon het niet altijd krijgen, en dat vond hij best. Maar doorgaans hoefde hij er niet om te vragen.
Zo was het vandaag ook. Hij was opgestaan, had zijn gezicht gewassen en zag een bediende binnenkomen met een groot stuk ham, dampend en mals. Geen bonen, geen groenten, geen vleessappen. Alleen maar ham, ingewreven met zout en gebraden boven een vuur, met een paar gekookte eieren erbij. De bediende zette het voedsel op tafel en trok zich terug.
Perijn droogde zijn handen af, liep over het kleed in de tent en snoof de geur van de ham op. Een deel van hem vond dat hij het moest afslaan, maar dat kon hij niet. Niet nu het hier voor hem stond. Hij ging zitten, pakte vork en mes en viel erop aan. ‘Ik snap nog steeds niet hoe je dat ’s morgens weg kunt krijgen,’ merkte Faile op. Ze kwam de wasruimte van hun tent uit en droogde haar handen aan een doek. Hun grote tent was met gordijnen in verschillende ruimtes verdeeld. Ze droeg een van haar onopvallende grijze gewaden. Dat was volmaakt, want het leidde niet af van haar schoonheid. Ze droeg er een stevige zwarte riem omheen; ze had al haar gouden riemen weggedaan, hoe mooi ook. Hij had geopperd dat hij er een kon zoeken die haar beter beviel, maar daar had ze misselijk bij gekeken. ‘Het is eten,’ zei Perijn.