De tomben van Atuan [Tombes of Atuan - nl]
- Автор: Гуин Урсула К. Ле
- Серия: Aardzee #2
- Год: 1974
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- ISBN: 9027407762
- Переводчик: Frits Oomes
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De tomben van Atuan [Tombes of Atuan - nl]». Краткое содержание книги:
‘Als ik de dienst der Naamlozen verloochen, zullen zij mij doden. Als ik deze plaats verlaat, zal ik sterven.’
‘Niet jij, Arha zal sterven.’
‘Ik kan niet…’
‘Om herboren te worden, moet je sterven, Tenar. Het is niet zo moeilijk als het er van gene zijde uitziet.’
‘Wij hebben de Ring van Erreth-Akbe.’
‘Ze zullen ons niet laten gaan. Nooit’
‘Misschien niet. Toch is het de moeite van een poging waard. Jij hebt kennis en ik vaardigheid, en samen hebben wij.. .’Hij hield in.
‘Wij hebben de Ring van Erret-Akbe.’
‘Ja, dat ook. Maar ik dacht nog aan iets anders dat ons bindt. Noem het maar vertrouwen.... Dat is een van de namen ervoor. Het is iets erg belangrijks. Hoewel ieder van ons op zichzelf zwak is, zijn we daardoor sterk, sterker dan de Machten van het Duister.’Zijn ogen stonden helder en glanzend in zijn geschonden gezicht. ‘Luister, Tenar,’ zei hij. ‘Ik kwam hierheen als een dief, een vijand die je bedreigde; en jij was me genadig en had vertrouwen in me. En ik had vertrouwen in je vanaf het eerste moment dat ik je gezicht zag, dat ene ogenblik in de grot onder de Tomben, een straal van schoonheid in de duisternis. Jij hebt blijk gegeven van je vertrouwen in mij. Ik heb dat nog niet beantwoord. Ik zal je geven wat ik je geven kan. Mijn ware naam is Ged. En dit geef ik aan jou in bewaring.’
Hij was opgestaan en reikte haar een halvemaanvormig stuk zilver toe, met gaten en gekerfde tekens. ‘Laat de ring weer gevoegd worden,’ zei hij.
Zij nam het uit zijn hand. Zij nam de zilveren ketting waaraan het andere deel hing, van haar hals en haalde het eraf. Zij legde de twee stukken in de palm van haar hand zodat de gebroken uiteinden tegen elkaar lagen, en het leek of de Ring weer heel was. Zij hief het hoofd niet op. ‘Ik ga met je mee,’ zei ze.
De toorn van het duister
Toen ze dat zei, legde de man die Ged heette, zijn hand over de hare waarin de talisman lag. Verrast keek zij op en zag zijn lachend gezicht, stralend van leven en zegepraal. Zij raakte in verwarring en kreeg angst voor hem.
‘Je hebt ons beiden verlost,’ zei hij. ‘Uit eigen kracht alleen kan niemand zijn vrijheid winnen. Kom, laten we geen tijd verspillen zolang we die nog hebben. Maak je hand weer open, even maar.’ Zij had haar vingers over de stukken zilver gesloten, maar op zijn verzoek liet zij ze hem weer zien op haar open handpalm, de gebroken einden tegen elkaar. Hij nam ze haar niet af, maar legde zijn vingers erop. Hij sprak een paar woorden uit en plotseling parelde er zweet op uit zijn voorhoofd. Zij voelde een vreemde tinteling over haar hand gaan alsof er een klein dier had liggen slapen en zich nu bewoog. Ged zuchtte; zijn lichaam ontspande zich en hij wreef over zijn voorhoofd. ‘Kijk,’ zei hij en hij nam de Ring van Erreth-Akbe en schoof hem over de vingers van haar rechterhand en strak om de breedte van haar hand omhoog naar de pols. ‘Kijk,’ zei hij met een blik van voldoening. ‘Hij past. Het moet de armband van een vrouw geweest zijn, of van een kind.’
‘Zal hij heel blijven?’ mompelde zij’ onrustig nu zij de zilveren ring koud en teer over haar slanke arm voelde glijden. ‘Dat zal hij. Ik kon niet zomaar een spreuk van voeging op de Ring van Erreth-Akbe leggen, zoals een dorpsheks als zij een ketel herstelt. Ik moest het met een Weef spreuk doen en hem weer tot één geheel maken. Het is nu als was hij nooit gebroken. Tenar, we moeten gaan. Ik neem de zak en de fles. Trek jij je mantel aan. Is er nog iets?’
Toen zij aan het slot morrelde om de deur te openen, zei hij: ‘Ik wou dat ik mijn staf hier had,’ en zij antwoordde, nog steeds fluisterend: ‘Hij staat net buiten de deur. Ik had hem meegebracht.’
‘Waarom heb je hem meegebracht?’ vroeg hij nieuwsgierig. ‘Ik dacht erover… je naar de deur te brengen. Je te laten ontsnappen.’
‘Dat was een keuze die je niet kon doen. Je kon mij tot slaaf maken en zelf een slavin blijven, of me bevrijden en zelf in vrijheid met me meegaan. Kom, kleintje, vat moed en draai de sleutel om.’
Zij draaide de sleutel met de draak op de baard om in het slot en opende de deur naar de lage, donkere gang. Zij verliet de Schatkamer der Tomben met om haar arm de Ring van Erreth-Akbe, en de man volgde haar.
Door de rots van wanden, vloer en zoldering voer een zachte trilling, nauwelijks een geluid. Het was als donder in de verte, als viel er op grote afstand een enorme steen naar beneden. Het haar op haar hoofd rees recht overeind en zonder stil te staan om na te denken blies ze de kaars in de tinnen lantaren uit. Achter zich hoorde ze de man bewegen; van vlakbij zodat zijn adem door haar haar streek, hoorde ze zijn kalme stem: ‘Laat de lantaren maar hier. Ik kan licht maken, als het nodig is. Hoe laat is het daarbuiten?’
‘Toen ik hier kwam was het lang na middernacht.’
‘Dan moeten we voortmaken.’
Maar hij bewoog zich niet. Ze besefte dat zij hem de weg moest wijzen. Alleen zij wist hoe je uit het Labyrint moest komen en hij stond op haar te wachten. Ze ging op weg, voorovergebogen want de gang was hier erg laag, maar toch met rasse schreden. Uit onzichtbare zijgangen woei een kille adem en een scherpe, klamme geur, de zielloze geur van de ontzaglijke holten onder hen. Toen de gang wat hoger werd en zij er rechtop kon staan, verlangzaamde zij haar tred en telde haar schreden omdat zij nu de valkuil naderden. Gespannen haar bewegingen volgend kwam hij lichtvoetig vlak achter haar aan. Op het moment dat zij bleef staan, bleef hij eveneens staan.
‘Hier is de valkuil,’ fluisterde ze. ‘Ik kan de richel niet vinden. Nee, hier is het. Wees voorzichtig, ik denk dat de stenen zijn losgeraakt....Nee,nee, wacht... ze zitten los’. Toen de stenen onder haar voeten op en neer wipten, schuifelde ze zijwaarts terug naar de vaste grond. De man greep haar bij de arm en ondersteunde haar. Haar hart bonkte. ‘De richel is niet veilig; de stenen zijn losgeraakt.’
‘Ik zal wat licht maken en er eens naar kijken. Misschien kan ik ze met het juiste woord vastzetten. Het komt allemaal wel goed, kleintje.’
Ze bedacht hoe vreemd het was dat hij haar net zo aansprak als Manan altijd had gedaan. En toen hij aan het uiteinde van zijn staf een zwakke gloed ontstak, een gloed als van rottend hout of van een ster achter de nevels, en naar voren stapte over het enge pad langs de zwarte afgrond, zag zij in het donker verder achter hem een dreigende massa opdoemen en wist dat het Manan was. Maar haar stem werd afgeknepen in haar keel als met een strop, en zij kon geen geluid uitbrengen.
Toen Manan de hand uitstak om hem van zijn wankel steunpunt in de valkuil naast hem te doen neerstorten, keek Ged op, zag hem en met een kreet van verrassing of woede sloeg hij naar hem met zijn staf. Zijn kreet deed het licht opvlammen, wit en verblindend, recht in het gezicht van de eunuch. Manan hief een van zijn grote handen op om zijn ogen af te schermen, reikte wanhopig naar Ged om zich aan hem vast te grijpen, miste en viel omlaag.
Hij uitte geen kreet tijdens zijn val. Er steeg geen geluid op uit de zwarte valkuil, geen geluid van een lichaam dat op de bodem neersloeg, geen geluid van zijn dood, helemaal niets. Hachelijk in evenwicht op de richel en verstard neergeknield aan de rand bewogen noch Ged, noch Tenar, luisterden, hoorden niets. Het licht was een grauwe glimp, nauwelijks zichtbaar.
‘Kom,’ zei Ged en stak de hand uit; zij greep hem en in drie forse stappen bracht hij haar over de richel. Hij doofde het licht. Zij ging hem nu weer vooruit om de weg te wijzen. Zij was volkomen versuft en dacht nergens meer aan. Pas enige tijd later dacht ze: is het rechts of links?