De komst van de Schaduw
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #4
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De komst van de Schaduw». Краткое содержание книги:
‘Nog niet,’ beaamde Rhuarc.
‘Ik zou... het op prijs stellen als je me mee laat rijden.’ Afgezien van die kleine hapering klonk Moiraine even kalm als anders. Een koele kalmte kenmerkte haar tijdloze gelaatstrekken, maar haar donkere ogen keken Rhand aan alsof ze hem met haar blik over wilde halen. De lange lichte haren van Amys’ sjaal zwierden rond toen ze ferm het hoofd schudde. ‘Dat is niet aan hem, Aes Sedai. Dit is een zaak van stamhoofden, mannenzaken. Als we jou nu in Alcair Dal toelaten, zal een of ander stamhoofd ook zijn neus in een ontmoeting van Wijzen of dakvrouwen willen steken. Zij vinden dat we ons te veel met hun zaken bemoeien en zij proberen zich vaak met die van ons bezig te houden.’ Ze glimlachte even naar Rhuarc, dat hij daar niet bij hoorde, maar uit het effen gezicht van het stamhoofd maakte Rhand op dat hij er anders over dacht.
Melaine greep haar sjaal onder de kin vast en staarde strak naar Rhand. Misschien was ze het niet eens met Moiraine, maar ze vertrouwde niet wat hij ging doen. Hij had na Koudrotsveste amper geslapen. Als ze zijn dromen hadden bespied, hadden ze slechts nachtmerries gezien. ‘Wees voorzichtig, Rhand Altor,’ zei Bair alsof ze zijn gedachten had gelezen. ‘Een vermoeid man maakt fouten. Vandaag kun je je geen fouten veroorloven.’ Ze liet haar sjaal op haar schouders zakken en haar ijle stem kreeg een bijna boze klank. ‘Wij kunnen ons geen fouten veroorloven. De Aiel kunnen het zich niet veroorloven.’ De aankomst van nog meer ruiters op de heuveltop trok weer alle ogen. Tussen de paviljoens vormde zich een waakzame menigte, de mannen in cadin’sor en langharige vrouwen in rok, hemd en sjaal. Hun aandacht werd getrokken door de bestofte witte wagen van Kadere. De zware marskramer zat in een roomkleurige jas op de bok; Isendre zat naast hem, geheel in witte zijde, en hield een witzijden zonnescherm omhoog. Keilies wagen volgde, met Natael aan de teugels, daarna met piepende droge assen de huifkarren en ten slotte de drie grote waterwagens als enorme vaten op wielen. Kadere en Isendre, Natael in zijn speelmanmantel en Keilles omvangrijke gestalte in sneeuwwitte kleding met een witte sjaal aan haar ivoorblanke haarspelden. Rhand gaf Jeade’en een klopje op zijn gebogen nek. Mannen en vrouwen van de vrijmarkt verschenen om de naderende wagens te begroeten. De Shaido wachtten af. Nu heel gauw.
Egwene stuurde haar grijze merrie naast Jeade’en. De grijsbruine hengst probeerde aan Mist te snuffelen, die haar tanden wild ontblootte. ‘Je hebt me na Koudrots geen enkele keer de kans gegeven om bij te praten, Rhand.’ Hij zei niets. Ze was een Aes Sedai nu en niet alleen doordat ze zich een zuster noemde. Hij vroeg zich af of zij ook in zijn dromen had rondgeloerd. Haar gezicht stond strak rond vermoeide donkere ogen. ‘Doe het niet allemaal alleen, Rhand. Je vecht niet alleen. Anderen voeren ook jouw strijd.’
Fronsend probeerde hij haar niet aan te kijken. Zijn eerste gedachte gold Perijn, maar hij zag niet hoe ze kon weten waar Perijn heen was gegaan. ‘Wat bedoel je?’ zei hij eindelijk.
‘Ik vecht voor jou,’ zei Moiraine voor Egwene iets had kunnen zeggen, ‘net als Egwene.’ De twee vrouwen wisselden een snelle blik met elkaar. ‘Mensen die het niet weten, vechten voor jou, meer dan jij hen kent. Jij beseft niet wat het betekent dat jij de vorm van het Eeuwweb dwingt, nietwaar? De rimpelingen van je daden, de rimpelingen van je bestaan spreiden zich over het Patroon uit en veranderen het weefsel van levensdraden van mensen die jij nooit zult kennen. De strijd is niet alleen jouw strijd. Toch sta je in het hart van dit Patroonweb. Als jij faalt en valt, falen allen, vallen allen. Laat je dan van Lan vergezellen als ik niet met je mee kan naar Alcair Dal. Een tweede paar ogen om je in de rug te beschermen.’ De zwaardhand draaide zich in z’n zadel om en keek haar fronsend aan. Nu de Shaido zich hadden gesluierd om te doden, was hij er niet al te happig op haar achter te laten. Rhand dacht niet dat hij die blik tussen de twee Aes Sedai had mogen opvangen. Ze wilden dus iets geheimhouden. Egwene had Aes Sedai-ogen, donker en onleesbaar. Aviendha en de andere Speervrouwen stonden weer om hem heen. ‘Laat Lan bij jou blijven, Moiraine. De Far Dareis Mai draagt mijn eer.’
Moiraines mond verstrakte, maar het was blijkbaar het juiste woord voor de Speervrouwen. Adelin en de anderen grijnsden breed. Onder hen groepten de Aiel rond de voerlieden samen toen ze de muildieren uitspanden. Natael stond opgewonden met de ene vrouw te praten, Kadere met de andere, of ze eindelijk vrede met elkaar konden sluiten. De twee vrouwen waren de hele tocht giftig tegen elkaar geweest. Als het mannen waren geweest, waren ze volgens Rhand allang op de vuist gegaan.
‘Wees op je hoede, Egwene,’ zei Rhand. ‘Jullie allemaal, wees op je hoede.’
‘Zelfs de Shaido zullen een Aes Sedai niet lastig vallen,’ vertelde Amys hem, ‘en Bair, Melaine of mij evenmin. Sommige dingen zal zelfs een Shaido niet doen.’
‘Wees alleen goed op je hoede.’ Hij had het niet zo scherp willen zeggen. Zelfs Rhuarc keek hem met grote ogen aan. Ze begrepen het niet en hij durfde het hun niet te vertellen. Nog niet. Wie zou als eerste in hinderlaag liggen? Zowel zij als hijzelf liepen gevaar. ‘En ik, Rhand?’ zei Mart opeens terwijl hij onbewust een gouden munt tussen zijn vingers liet draaien. ‘Enig bezwaar dat ik meerijd?’
‘Wil je dat? Ik dacht dat je bij de marskramers wilde blijven.’ Mart keek fronsend naar de wagens en naar de rij Shaidokrijgers voor de rotskloof. ‘Ik denk niet dat het zo makkelijk zal zijn hier weg te gaan als je gedood gaat worden. Bloedvuur, als je me niet op de ene manier in een kookpot weet te krijgen, dan is... dovienya,’ mompelde hij – Rhand had het hem al eerder horen zeggen en Lan had hem verteld dat het geluk betekende in de Oude Spraak – en gooide de goudmark omhoog. Toen hij probeerde hem op te vangen, sprong de munt van zijn vingertoppen weg en viel op de grond. Op de een of andere onmogelijke manier kwam de munt op zijn kant neer, rolde de heuvel af, sprong over de kloven in de droge bodem, glinsterend in het zonlicht, helemaal omlaag tot aan de wagens, waar hij eindelijk tot rust kwam. ‘Bloedvuur, Rhand,’ gromde hij. ik wou maar dat je dat niet deed.’
Isendre pakte de munt op en voelde eraan, de helling opkijkend. De anderen keken ook, Kadere, Keille en Natael. ‘Je kunt meekomen,’ zei Rhand. ‘Rhuarc, moeten we niet gaan?’ Het stamhoofd keek om. ‘Ja, zo ongeveer...’ Achter hem begonnen pijpers een traag danslied te spelen. ‘... nú!’
Zang voegde zich bij de pijpen. Jongens zongen niet meer bij de Aiel als ze man werden, alleen bij bepaalde gelegenheden. Aielmannen zongen strijdzangen en klaagliederen voor de doden, nadat zij de speer hadden aangenomen. Af en toe waren de stemmen van de Speervrouwen in het lied hoorbaar, maar de lage mannenstemmen overheersten.
Een halve span links en rechts van hen verschenen de Taardad in twee brede colonnes, rennend op de maat van hun zang, de speren gereed, de gezichten gesluierd, schijnbaar eindeloze colonnes die op de bergen afstormden.
In de kampementen van de stammen en op de vrijmarkt staarden Aiel verbijsterd toe, zwijgend, meende Rhand, aan hun houding te zien. Enkele voerlieden stonden met open mond te kijken; anderen hadden hun dieren in de steek gelaten en waren onder de wagens gedoken. Keille, Isendre, Kadere en Natael hielden Rhand in het oog.
‘Zullen we gaan?’ Hij wachtte niet op Rhuarcs knikje om Jeade’en aan te sporen de heuvel af te rijden. Adelin en de andere Speervrouwen omringden hem, Mart aarzelde even voor hij Pips aanspoorde, maar Rhuarc en de andere sibbehoofden, ieder met zijn eigen gevolg van tien, liepen gelijk op met Rhands paard. Rhand keek halverweg de markttenten eenmaal om naar de heuveltop. Moiraine en Egwene te paard, naast Lan. Aviendha naast de drie Wijzen. Allen keken naar hem. Hij was bijna de tijd vergeten dat mensen niet naar hem keken. Toen hij de rand van de markt bereikte, kwam een afvaardiging naar voren. Zo’n tien of twaalf vrouwen in rok en hemd en veel zilver, goud en ivoor en evenveel mannen in het grijsbruin van de cadin’sor, allen ongewapend, afgezien van een riemmes, vaak nog kleiner dan het grote zware mes van Rhuarc. Ze stelden zich zo op dat Rhand en de anderen moesten stoppen en ze leken de gesluierde Taardad te negeren die ten oosten en westen voorbij stroomden.