Heer van het licht [Lord of Light - nl]
- Автор: Желязны Роджер Джозеф
- Год: 1972
- Язык: голландский
- Год: Het Spectrum
- Переводчик: J. F. Vos
- Жанр: Научная фантастика
Электронная книга - «Heer van het licht [Lord of Light - nl]». Краткое содержание книги:
De snelheid waarmee hij voorbijvloog was zo groot, dat hij binnen enkele ogenblikken verdwenen was.
‘Zijn berijder is afgestegen en achtergebleven,’ suggereerde Soegata. De Boeddha liep het purperen woud in.
Hij kwam te voet vanachter de heuvels van steen.
Hij kwam bij een rotsspleet en vervolgde zijn weg, zijn rode leren laarzen maakten geen geluid op het rotsachtige pad.
Voor hem klonk het geluid van stromend water, waar een stroompje zijn weg kruiste. Hij sloeg zijn bloedrode mantel terug over zijn schouder toen hij een bocht in het pad nader de, de rode greep van zijn kromme sabel schitterde in zijn rode schede.
Hij liep om een rotsblok heen en bleef staan.
Voor hem stond iemand te wachten, naast de boomstam die over het water lag.
Een ogenblik vernauwden zijn ogen zich, toen deed hij weer een stap naar voren.
De man die daar stond, was tenger. Hij droeg de donkere kleding van een pelgrim, met daarover heen een leren harnas waaraan een kort, gebogen lemmet van fonkelend staal hing. Het hoofd van de man was glad geschoren op een kleine lok wit haar na. Zijn wenkbrauwen boven de zwarte ogen waren wit en zijn huid was bleek; zijn oren waren puntig.
De reiziger hief zijn hand op en sprak de man aan. ‘Goede middag, pelgrim.’
‘De man antwoordde niet, maar deed een stap naar voren om hem de weg te versperren. Hij ging voor de boomstam staan die over de stroom lag.
‘Neem me niet kwalijk, waarde pelgrim, maar ik sta op het punt hier over te gaan en gij staat mij in de weg,’ zei hij. ‘Gij hebt het mis, Heer Yama, wanneer gij denkt dat gij hier over kunt,’ antwoordde de ander.
De Man in het Rood glimlachte en toonde een lange rij gelijkmatige witte tanden. ‘Het is altijd prettig herkend te worden,’ merkte hij op, ‘zelfs door iemand die op ander gebied onjuiste inlichtingen verstrekt.’
‘Ik scherm niet met woorden,’ zei de man in het zwart. ‘Oh nee?’ De ander trok zijn wenkbrauwen overdreven vragend op. ‘Waar schermt gij dan wel mee, Heer? Toch niet met dat kromme stuk metaal, dat gij draagt?’
‘Jawel.’
‘Ik hield het aanvankelijk voor een soort barbaarse gebedsstaf. Ik heb gehoord dat dit een gebied is vol vreemde erediensten en primitieve sekten. Een ogenblik dacht ik dat gij een aanhanger waart van zo’n bijgelovige sekte. Maar als het, zoals gij zegt, inderdaad een wapen is, dan neem ik aan dat gij ermee kunt omgaan?’
‘Enigszins,’ antwoordde de man in het zwart. ‘Goed,’ zei Yama, ‘want ik houd er niet van een man te moeten doden die niet weet wat hij doet. Ik voel me echter verplicht u uit te leggen dat u, wanneer gij voor de Hoogste Rechter staat, zelfmoord ten laste gelegd zal worden.’ De ander glimlachte flauwtjes.
‘Zodra gij gereed zijt, dodengod, zal ik het uw geest gemakkelijk maken, zijn vleselijk omhulsel te verlaten.’
‘Nog éen zo’n opmerking,’ zei Yama, ‘en ik maak snel een eind aan dit gesprek. Noem mij een naam om de priesters te kunnen zeggen voor wie ze de plechtigheden moeten houden.’
‘Kort geleden heb ik afstand gedaan van mijn laatste naam,’ antwoordde de ander, ‘en daarom moet Kali’s gemaal zijn dood aanvaarden uit handen van een naamloze.’
‘Rild, je bent een dwaas,’ zei Yama en hij trok zijn zwaard. De man in het zwart trok het zijne.
‘En het is niet meer dan juist dat je zonder naam je verdoemenis tegemoet gaat. Je hebt je godin bedrogen.’
‘Het leven is vol bedrog,’ antwoordde de ander voordat hij toesloeg. ‘Door u nu op deze wijze te bestrijden, bedrieg ik ook de lering van mijn nieuwe meester. Maar ik moet de ingevingen van mijn hart volgen. Noch mijn oude, noch mijn nieuwe naam past daarom bij mij en zij zijn ook niet verdiend — noem mij dus niet bij name!’
Toen werd zijn zwaard als vuur dat overal fel uitsloeg, knetterde en loeide.
Yama deinsde voor deze aanval terug, gaf langzaam terrein prijs en bewoog slechts zijn pols bij het pareren van de slagen die op hem gericht waren.
Toen hij tien passen achteruit was gegaan, bleef hij staan en ging niet verder achteruit. Zijn afwerende bewegingen werden iets ruimer, maar zijn uitvallen kwamen onverhoeds en werden afgewisseld met schijnbewegingen en onverwachte aanvallen.
Zij kruisten het zwaard tot hun zweet met stralen op de grond stroomde; en toen begon Yama langzaam op te dringen en dwong hij zijn tegenstander tot terugtrekken. Stap voor stap herwon hij de tien passen die hij had prijsgegeven.
Toen zij weer op de plek stonden waar de eerste slag gevallen was, gaf Yama boven het gekletter van het staal toe: ‘Je hebt je lessen goed geleerd, Rild! Zelfs beter dan ik gedacht had! Gefeliciteerd!’
Terwijl hij dat zei, maakte zijn tegenstander een dubbele schijnbeweging en scoorde een lichte touche die zijn schouder trof, waarbij bloed te voorschijn kwam dat onmiddellijk ineenvloeide met de kleur van zijn kleding. Daarop sprong Yama naar voren, doorbrak de verdediging van de ander en bracht hem een slag toe tegen de zijkant van zijn hals, die hem had kunnen onthoofden. De man in het zwart herstelde zich, schudde zijn hoofd, pareerde een nieuwe aanval en deed een uitval die op zijn beurt weer gepareerd werd.
‘Dus het doodsbad beschermt je nek,’ zei Yama. ‘Dan zal ik ergens anders wel een plek vinden waar ik doorheen kan komen,’ en zijn zwaard zong een snelle zang, toen hij een aanval onder de gordel probeerde.
Yama haalde nu alles uit zijn zwaard, gesteund door de oefening van eeuwen en de meesters van die eeuwen. Toch ving de ander zijn aanvallen op, pareerde naar alle zijden, trok zich steeds meer terug, maar slaagde erin hem van zich af te houden en ondernam steeds weer tegenaanvallen. Toen stond hij met zijn rug naar de stroom en kon niet verder terug. Yama hield iets in en merkte op: ‘Een halve eeuw geleden was je korte tijd mijn leerling en ik zei toen tot mezelf: ‘Deze man heeft het in zich een meester te worden. Ik had het niet bij het verkeerde eind, Rild. Je bent waarschijnlijk de grootste zwaardvechter uit alle eeuwen die ik me herinneren kan. Ik kan je bijna je afvalligheid vergeven als ik je vaardigheid zie. Het is inderdaad jammer…’
Hij richtte een schijnaanval op de borst, maar omging op het laatste ogenblik de afweerbeweging, zodat hij met de scherpte van zijn zwaard de pols van de ander raakte. De man in het zwart sprong achteruit, pareerde heftig en deed een uitval naar Yama’s hoofd, en stond toen in positie bij het begin van de boomstam die over de kloof lag waar heel in de diepte het water stroomde.
‘Je hand ook al, Rild! De godin was inderdaad kwistig met haar bescherming. Probeer dit eens!’
Het staal gierde toen hij doel trof en met een haal de biceps van de ander openreet.
‘Aha! Die plek heeft ze overgeslagen!’ schreeuwde hij. ‘Laten we het nog eens proberen!’
Hun zwaarden kletterden op elkaar, gingen uiteen, maakten schijnbewegingen, aanvallen, pareerden, riposteerden. Yama zette zijn verdediging tegen een geweldige aanval in een plotselinge aanval om en zijn langere zwaard deed opnieuw bloed vloeien uit de bovenarm van zijn tegenstander. De man in het zwart stapte op de boomstam en deed een venijnige aanval op het hoofd, die door Yama werd afgeslagen. Yama viel nog heviger aan, dwong hem achteruit op de boomstam te springen en gaf er toen een trap tegen. De ander sprong achteruit en kwam op de andere oever terecht. Zodra zijn voeten de grond raakten, trapte hij eveneens, waardoor de boomstam in beweging kwam. Hij rolde weg voordat Yama erop kon springen, maakte zich los van de oevers, sloeg naar beneden in de stroom, bleef een ogen blik dobberen en dreef toen weg in westelijke richting.
‘Het is maar een sprong van een meter of twee, Yama! Kom er maar overheen!’ schreeuwde de ander.
De dodengod glimlachte. ‘Kom maar snel op adem’, zei hij, ‘zolang je nog kunt. Adem is de minst gewaardeerde gave van de goden. Niemand zingt daar liederen over, prijst de goede lucht, door koning en bedelaar ingeademd, door meester en door hond. Maar owee, als je geen adem meer hebt! Waardeer iedere ademtocht, Rild, alsof het je laatste was, want die laatste ademtocht nadert!’