Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Het Oog van de Wereld
Het Oog van de Wereld - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Het Oog van de Wereld

Электронная книга - «Het Oog van de Wereld». Краткое содержание книги:

Het Oog van de Wereld
1 ... 211 212 213 214 215 216 217 218 219 ... 223
Перейти на страницу:

Het land werd steeds steiler, maar hij klauterde verder, trok zichzelf op door zich aan de struiken vast te grijpen. Stenen, zand en bladeren gleden onder zijn voeten langs de helling omlaag, tot hij ten slotte op handen en knieën verder moest kruipen omdat de helling te steil was. Voor hem, boven hem, werd het wat vlakker. Hijgend krabbelde hij de laatste paar passen omhoog, stond op en bleef staan, terwijl hij woest wilde schreeuwen.

Tien pas verder viel de heuvelhelling scherp omlaag. Hij wist wat hij zou zien voor hij er was, maar toch deed hij die passen, elke volgende stap moeizamer dan de vorige, in de hoop dat er een of ander pad zou zijn, een geitenspoor, wat dan ook. Bij de rand keek hij neer op een loodrechte helling van zo’n honderd voet, een rotsmuur die even glad was als geschaafd hout.

Er moet toch een pad zijn. Ik ga terug en zoek een omweg. Teruggaan en...

Toen hij zich omdraaide, zag hij Aginor, die net de heuvelrand bereikte. De Verzaker beklom de heuvel zonder problemen, liep de steile helling op alsof het vlakke grond was. In dat strakke perkamenten gezicht vlamden diepverzonken ogen. Op de een of andere manier leek hij minder vergaan dan eerst, vleziger, alsof Aginor zich aan iets tegoed had gedaan. De ogen waren strak op hem gericht, maar toen Aginor sprak, leek het of hij in zichzelf praatte.

‘Ba’alzamon geeft beloningen waar geen sterveling van kan dromen, aan degene die jou naar Shayol Ghul zal voeren. Maar mijn dromen hebben altijd verder gereikt dan die van andere mensen en sterfelijkheid heb ik eeuwen en eeuwen geleden al achter me gelaten. Maakt het verschil of je de Grote Heer van het Duister levend of dood dient? Voor de groei van de Schaduw, niets. Waarom zou ik de macht met je delen? Waarom zou ik voor jou mijn knie moeten buigen? Ik, die tegenover Lews Therin Telamon heb gestaan in de Zaal der Dienaren. Ik, die mijn macht heb aangewend tegen de Heer van de Morgen en hem slag na slag evenaarde. Ik vind van niet.’

Rhands mond werd zo droog als stof; zijn tong voelde even verschrompeld als Aginor. De rand van de afgrond knarste onder zijn hielen, stenen vielen omlaag. Hij durfde niet om te kijken, maar hij hoorde de stenen tegen de steile muur kaatsen en terugkaatsen, net zoals zijn lichaam zou doen als hij zich nog een duim verder bewoog. Hij besefte dat hij voor de Verzaker was teruggeweken. Zijn huid rilde zo hevig dat hij die zou zien bewegen als hij zijn ogen van de Verzaker durfde af te wenden. Er moet een manier zijn om aan hem te ontsnappen, om van hem weg te komen! Die moet er zijn! Een of andere manier!

Opeens voelde hij iets, zag iets, hoewel hij wist dat zijn ogen het niet zagen. Een gloeiend touw liep weg van Aginor, achter hem, wit als zonlicht achter de witste wolk, dikker dan een smidsarm, lichter dan lucht. Het verbond de Verzaker met iets ver voorbij alle kennis, iets wat Rhand bijna kon raken. Het touw klopte en met iedere klop werd Aginor sterker, werd hij meer echt vlees, een man zo groot en sterk als hijzelf, een man taaier dan de zwaardhand en dodelijker dan de Verwording. Vergeleken met dat glanzende koord leek de Verzaker vrijwel niets. Het koord was alles. Het zoemde. Het zong. Het riep Rhands diepste ik. Een lichte vingerdikke streng steeg ervan op, zweefde en raakte hem, waarna hij naar adem snakte. Licht vulde hem en hitte die had moeten branden, verwarmde slechts en leek de kilte van het graf uit zijn botten te verjagen. De streng werd dikker. Ik moet zien weg te komen.

‘Nee!’ schreeuwde Aginor. ‘Jij zult het niet krijgen! Het is van mij!’

Rhand bewoog niet, de Verzaker evenmin, maar toch vochten ze even fel alsof ze op de grond lagen te worstelen. Zweet parelde op Aginors gezicht, dat niet meer gerimpeld, niet langer oud was, maar het gezicht was van een sterke man in de bloei van zijn leven. Rhand klopte met de hartslag van het koord, als de hartslag van de wereld.

Het vervulde zijn wezen. Licht vulde zijn geest, tot er slechts een klein hoekje voor hemzelf overbleef. Hij wikkelde die plek in de leegte en verschool zich in die leegte. Weg!

‘Van mij!’ riep Aginor. ‘Van mij!’

De warmte in Rhand nam toe; de warmte van de zon, de straling van de zon barstte los, de gruwelijke straling van licht, van het Licht.

Weg!

‘Van mij!’ Vlammen spoten uit Aginors mond, braken als speren van vuur uit zijn ogen en hij krijste.

Weg!

Rhand stond niet meer op de heuveltop. Hij sidderde van het Licht dat hem vervulde. Zijn geest wilde niet werken; licht en hitte verblindden hem. Het Licht. Midden in de leegte verblindde het Licht zijn geest, sloeg hem met ontzag, met stomheid.

Hij stond in een brede bergpas, omringd door kartelige zwarte bergspitsen als de tanden van de Duistere. Het was echt: hij was daar. Hij voelde de rots onder zijn laarzen, de ijzige wind op zijn gezicht. Hij stond midden in een veldslag, of eigenlijk de afloop van een slag. Geharnaste mannen op gepantserde paarden droegen bestoft glanzend staal; ze kerfden en staken naar grauwende Trolloks die piekbijlen en zeisachtige zwaarden hanteerden. Sommige mannen vochten te voet, hun paarden waren gedood, terwijl geharnaste paarden met lege zadels tussen de vechtenden door galoppeerden. Tussen dit alles bewogen Schimmen, hun nachtzwarte mantels doodstil, hoe hard hun rossen ook galoppeerden. Waar hun lichtdodende zwaarden zwaaiden, stierven mannen. Donderende geluiden troffen Rhand.

Het gekletter van staal op staal, het hijgen en kreunen van mannen en Trolloks die elkaar bevochten, het schreeuwen van mannen en Trolloks die stierven. Boven de chaos zwaaiden banieren in de van stof vergrijsde lucht. De Zwarte Havik van Fal Dara, het Witte Hart van Shienar, andere vaandels. En Trollokbanieren. Alleen in die kleine ruimte om hem heen zag hij al de gehoornde schedel van de Dha’vol, de bloedrode drietand van de Ko’bal en de ijzeren vuist van de Dhai’mon.

Toch waren het slechts de laatste schermutselingen, een onderbreking waarin zowel mensen als Trolloks zich terugtrokken om zich te hergroeperen. Niemand leek Rhand te zien toen ze de laatste slagen uitwisselden en zich galopperend of half rennend naar de toegangen van de pas terugtrokken.

Rhand merkte dat hij keek naar het begin van de bergpas, waar de mensen zich opnieuw opstelden onder de wapperende vanen aan glimmende lanspunten. Gewonde mannen zaten ineengekrompen in hun zadel.

Ruiterloze paarden steigerden en galoppeerden rond. Het was duidelijk dat ze een volgend treffen niet zouden overleven; ze maakten zich klaar voor een laatste aanval. Sommigen zagen hem nu; mannen gingen in hun stijgbeugels staan om hem aan te wijzen. Hun geroep drong als ijl gefluit tot hem door.

Wankelend keerde hij zich om. De strijdmacht van de Duistere vulde het andere eind van de bergpas. Hun opgeheven zwarte pieken en speerpunten groeiden tegen de berghellingen op, die nog zwarter waren door de enorme massa Trolloks die het leger van Shienar in aantal verre overtrof. Honderden Schimmen reden voor het front van de horde heen en weer, de wrede snuiten van Trolloks wendden zich bevreesd af als ze langsreden, enorme lijven persten zich achteruit om ruimte te scheppen. Aan de hemel cirkelden Draghkar met leren vleugels, ze krijsten uitdagend in de wind. De Myrddraal zagen hem nu ook, wezen op hem en Draghkar wentelden rond en doken neer.

Twee. Drie. Zes, die zich met schril gekrijs op hem neerstortten.

Hij staarde naar ze. Hitte vulde hem, de brandende hitte van de aangeraakte zon. Hij kon de Draghkar duidelijk zien, met hun zielloze ogen in bleke mensengezichten aan gevleugelde lijven waar niets menselijks aan viel te herkennen. Verschrikkelijke hitte. Krakende hitte.

Uit de heldere hemel sloeg de bliksem neer, iedere flits knalde scherp en schroeide zijn ogen, iedere flits trof een gevleugelde zwarte vorm. Jachtkreten werden doodskreten en verkoolde klompen vielen neer en lieten de hemel leeg achter.

De hitte. De verschrikkelijke hitte van het Licht.

1 ... 211 212 213 214 215 216 217 218 219 ... 223
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)