De Torens van Middernacht
- Автор: Джордан Роберт, Сандерсон Брендон
- Серия: Het Rad des Tijds #13
- Год: 2011
- Язык: голландский
- Переводчик: Lia Belt
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Torens van Middernacht». Краткое содержание книги:
‘Dit is ongelooflijk!’ zei Beslan. ‘Hoogste, met dit vermogen...’ Zijn status maakte hem een van de weinigen die rechtstreeks het woord tot haar mocht richten.
‘De Keizerin wil weten,’ Sprak Selucia, kijkend naar Fortuona’s vingers, ‘of de gevangen marath’damane over het wapen hebben gesproken.’
‘Zeg tegen de hoogste Keizerin – moge ze eeuwig leven – dat ze dat niet hebben gedaan,’ antwoordde Melitene op ongeruste toon. ‘En, als ik zo vrij mag zijn, ik denk niet dat ze liegen. Het schijnt dat de ontploffing buiten de stad een ongeluk was; het gevolg van een onbekende ter’angreaal die onverstandig werd gebruikt. Misschien is er geen wapen.’
Dat was mogelijk. Fortuona was al gaan twijfelen aan de redelijkheid van die geruchten. De explosie was gebeurd voordat Fortuona in Ebo Dar was aangekomen, en de bijzonderheden waren verwarrend. Misschien was dit allemaal een list geweest van Suroth of haar vijanden.
‘Kapitein-generaal,’ Sprak Selucia. ‘De Hoogste wil weten wat u zou doen met een aanwinst zoals dit vermogen om te Reizen.’
‘Dat hangt ervan af,’ zei Galgan, wrijvend over zijn kin. ‘Wat is het bereik ervan? Hoe groot kan ze zo’n doorgang maken? Kunnen alle damane dit? Zijn er beperkingen voor waar een gat kan worden gemaakt? Als het de Hoogste behaagt, wil ik graag de damane spreken om die antwoorden te verkrijgen.’
‘Dat behaagt de Keizerin,’ Sprak Selucia.
‘Dit is verontrustend,’ zei Beslan. ‘Ze zouden achter onze strijdgelederen kunnen aanvallen. Ze zouden een doorgang kunnen openen naar de slaapvertrekken van de Keizerin, moge ze eeuwig leven. Hiermee... zal alles wat we over oorlog voeren weten veranderen.’ De leden van de Doodswachtgarde schuifelden met hun voeten; een teken van groot onbehagen. Alleen Furyk Karede bewoog zich niet. Zijn gezicht werd zo mogelijk nog harder. Fortuona wist dat hij weldra zou opperen dat ze weer een andere plek koos voor haar slaapvertrekken.
Fortuona dacht even na, starend naar de scheur in de lucht. Die scheur in de werkelijkheid zelf. Toen, tegen het gebruik in, stond ze op. Gelukkig was Beslan erbij, iemand die ze rechtstreeks kon aanspreken; zodat ook de anderen haar bevelen hoorden. ‘Volgens de verslagen,’ verklaarde Fortuona, ‘zijn er nog steeds honderden marath’damane op de plek die ze de Witte Toren noemen. Zij zijn de sleutel tot het heroveren van Seanchan, de sleutel tot de macht over dit land, en de sleutel tot onze voorbereiding op de Laatste Slag. De Herrezen Draak zal de Kristallen Troon dienen. Er is ons een middel aan de hand gedaan om toe te slaan. Laat gezegd zijn tegen de kapitein-generaal dat hij zijn beste soldaten moet verzamelen. Ik wil dat elke damane die we beheersen naar de stad wordt teruggehaald. We zullen hen opleiden in deze methode van Reizen. En dan vertrekken we, in groten getale, naar de Witte Toren. De vorige keer hebben we ze een speldenprik bezorgd. Nu zullen we ze het volle gewicht van ons zwaard laten kennen. Alle marath’damane moeten worden beteugeld.’
Ze ging weer zitten. Er was een stilte gevallen. Het gebeurde maar zelden dat de Keizerin dergelijke aankondigingen persoonlijk deed. Maar dit was een tijd voor doortastendheid.
‘Zorg dat hierover niets uitlekt,’ zei Selucia op strenge toon tegen haar. Ze sprak nu in haar rol als Waarheidsspreker. Ja, er zou iemand anders moeten worden aangesteld als Fortuona’s Stem. ‘Het zou dom zijn om de vijand te laten weten dat we dat Reizen nu hebben.’
Fortuona haalde diep adem. Ja, dat was waar. Ze zou ervoor zorgen dat iedereen in deze kamer aan geheimhouding gehouden werd. Maar als de Witte Toren eenmaal was veroverd, zouden mensen praten over haar verklaring en zouden ze de voortekenen van haar overwinning aan de hemel en de wereld om hen heen zien. We moeten snel toeslaan, gebaarde Selucia. Ja, gebaarde Fortuona terug.
Na onze vorige aanval zullen ze zich wel bewapend hebben. Onze volgende zet zal dus doorslaggevend moeten zijn, gebaarde Selucia. Maar denk je eens in. Duizenden soldaten die de Witte Toren inkomen via een verborgen ruimte in de kelder. Toeslaan met de kracht van duizend hamers op duizend aambeelden!
Fortuona knikte.
De Witte Toren was gedoemd.
‘Ik weet niet of er nog veel te zeggen valt, Perijn,’ zei Thom, achteroverleunend in zijn stoel terwijl tobaksrook uit zijn langstelige pijp opkrulde. Het was een warme avond en ze hadden geen vuur in de haard aangestoken. Er brandden alleen een paar kaarsen op de tafel waar ook brood, enkele stukken kaas en een kan bier op stonden. Perijn pufte aan zijn eigen pijp. Hij, Thom en Mart waren de enigen in de kamer. Gaul en Gradi wachtten buiten in de gelagkamer. Mart had Perijn vervloekt omdat hij die twee had meegebracht; een Aiel en een Asha’man vielen nogal op. Maar Perijn voelde zich bij die mannen veiliger dan met een hele groep soldaten. Hij had zijn verhaal eerst aan Mart en Thom verteld. Over Malden, de Profeet, Alliandre en Galad. Toen hadden ze hem op de hoogte gebracht van hun belevenissen. Perijn was stomverbaasd over hoeveel ze alle drie hadden meegemaakt sinds hun afscheid. ‘Keizerin van de Seanchanen, hè?’ vroeg Perijn, kijkend naar de rook die opkringelde in de schemerige kamer. ‘Dochter van de Negen Manen,’ zei Mart. ‘Dat is iets anders.’
‘En je bent getrouwd.’ Perijn grijnsde. ‘Martrim Cauton. Getrouwd.’
‘Dat had je er niet bij hoeven vertellen, weet je,’ zei Mart tegen Thom. ‘O, ik verzeker je dat ik dat niet kon weglaten.’
‘Voor een speelman laat je wel de meeste heldhaftige dingen weg die ik doe,’ zei Mart. ‘Maar je hebt in ieder geval mijn hoed genoemd.’
Perijn glimlachte tevreden. Hij had niet beseft hoezeer hij het had gemist om een avondje met zijn vrienden te kletsen. Er hing een houten uithangbord buiten, druipend van het regenwater. Er stonden gezichten op, met vreemde hoeden en overdreven breed lachende monden. De Jolige Meute. Waarschijnlijk zat er een verhaal achter die naam.
Ze zaten gedrieën in een afzonderlijke eetkamer, waar Mart voor had betaald. Ze hadden drie grote haardstoelen vanuit de gelagkamer naar binnen gesleept. Die pasten niet bij de tafel, maar ze waren behaaglijk. Mart leunde achterover en legde zijn voeten op tafel. Hij pakte een homp schapenkaas, beet er een stuk af en legde de rest op zijn stoelleuning.
‘Weet je, Mart,’ zei Perijn, ‘je vrouw zal waarschijnlijk van je verwachten dat je tafelmanieren leert.’
‘O, die heb ik wel geleerd,’ antwoordde Mart. ik ben ze alleen weer vergeten.’
‘Ik zou haar graag eens ontmoeten,’ zei Perijn. ‘Ze is heel bijzonder,’ antwoordde Thom.
‘Bijzonder,’ zei Mart. ‘Ja.’ Hij keek mijmerend. ‘Maar goed, je hebt nu alles gehoord, Perijn. Die verrekte Bruine heeft ons hierheen gebracht, maar ik heb haar al twee weken niet meer gezien.’
‘Mag ik dat briefje zien?’ vroeg Perijn.
Mart klopte op een paar zakken en haalde toen een klein stukje wit papier tevoorschijn, opgevouwen en verzegeld met rode was. Hij gooide het op tafel. De hoeken waren verbogen, het papier vuil, maar het was niet geopend. Martrim Cauton was een man van zijn woord, als je hem althans zover kreeg dat hij een belofte deed. Perijn pakte het briefje op. Het rook vagelijk naar reukwater. Hij draaide het om en hield het omhoog tegen het kaarslicht. ‘Zinloos,’ zei Mart.
Perijn gromde. ‘Nou, wat denk je dat erin staat?’
‘Weet ik veel,’ zei Mart. ‘Gestoorde Aes Sedai. Ik bedoel, ze zijn allemaal vreemd, maar Verin is helemaal van haar rotsblok gevallen. Jij hebt zeker ook niks van haar gehoord?’