De komst van de Schaduw
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #4
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De komst van de Schaduw». Краткое содержание книги:
‘Voldoende,’ zei Perijn kort. Naar hem komen kijken. Wat ben ik, een speelman? ‘Hoe staat het met Luc? Ik wil hem niet hier hebben, maar is hij in het dorp?’ ik ben bang van niet.’ De tweede jongeman, Elam Datrijn, streek langs zijn lange neus. Hij droeg een zwaard aan zijn riem, wat totaal niet paste bij zijn wollen boerenjas en spuuglok. Het gevest toonde nieuwe banden onbewerkt leer en de leren schede was vlekkerig met kale plekken. ‘Heer Luc is op pad om de Hoorn van Valere te zoeken, denk ik. Of misschien Trolloks.’
Dav en Elam waren vrienden van Perijn, of waren dat geweest, zijn maatjes tijdens de jacht en het vissen. Ze waren bijna even oud, maar hun opgewonden grijns liet ze jonger lijken. Zowel Mart als Rhand zag er minstens vijf jaar ouder uit. Misschien hij nu ook wel. ‘Ik hoop dat hij gauw terugkomt,’ vervolgde Elam. ‘Hij heeft me geleerd hoe je een zwaard moet gebruiken. Wist je dat hij een Jager op de Hoorn is? En een koning als hij er aanspraak op wil maken. Van Andor, hoorde ik.’
‘Andor heeft een koningin,’ mompelde Perijn verstrooid en zag Failes ogen op hem rusten. ‘Nooit een koning.’
‘Dus hij is er niet,’ zei ze. Gaul bewoog zich even. Zijn ijskoude blauwe ogen maakten duidelijk dat hij bereid was meteen op jacht te gaan naar Luc. Het zou Perijn niet hebben verbaasd als Bain en Chiad ter plekke hun gezichten hadden gesluierd.
‘Nee,’ zei Verin vaag, met duidelijk meer aandacht voor haar aantekeningen dan voor wat ze zei. ‘Hij is best wel hulpvaardig, maar als hij er is, weet hij wel vaak problemen te scheppen. Vóór iemand gisteren doorhad wat hij van plan was, leidde hij een afvaardiging naar een groep Witmantels en zei hij dat Emondsveld voor hen verboden gebied was. Hij heeft hun blijkbaar gezegd geen stap binnen tien span van het dorp te zetten. Ik kan niet goedkeuren wat Witmantels doen, maar ik neem aan dat ze het niet vriendelijk vonden. Het is onverstandig ze tegen je in het harnas te jagen als het niet nodig is.’ Fronsend naar haar aantekeningen kijkend, wreef ze over haar neus, blijkbaar niet beseffend dat ze een zwarte vlek maakte. Perijn kon het niet schelen of de Witmantels iets wilden slikken of niet. ‘Gisteren,’ zuchtte hij. Als Luc gisteren naar het dorp was teruggekomen, had hij waarschijnlijk niets te maken gehad met het feit dat de Trolloks op een heel andere plek waren opgedoken. Hoe meer Perijn dacht aan de hinderlaag en hoe die zich tegen hen had gekeerd, hoe meer hij overtuigd was dat de Trolloks hen hadden verwacht. En hoe meer hij Luc er de schuld van wilde geven. ‘Willen maakt geen kaas van steen,’ mompelde hij. ‘Maar hij ruikt voor mij nog steeds naar kaas.’
Dav keek Elam vol twijfel aan. Perijn nam aan dat ze vonden dat hij onzin uitsloeg.
‘De groep bestond voornamelijk uit Kopins,’ zei een derde jongeman met een verrassend lage stem. ‘Darl, Hari, Dag en Ewal. En Wit Kongar. Daise schold hem de huid vol.’
‘Ik heb gehoord dat ze de Witmantels best mogen.’ Perijn meende iets bekends te horen aan de zware stem. Hij was zo’n twee of drie jaar jonger dan Elam en Dav, maar een duim groter, en hij had een smal gezicht met brede schouders.
‘Inderdaad.’ De jongeman lachte. ‘Je kent ze. Haast als vanzelf komen ze in aanraking met dingen die voor anderen alleen maar last betekenen. Nadat heer Luc dat alles had verteld, stemden ze er volkomen mee in dat heel snel tegen de Witmantels in Wachtheuvel moest worden gezegd dat ze uit Tweewater hadden te vertrekken. Ze zijn er in ieder geval voor dat iemand anders de stoute schoenen aantrekt. Ik denk dat ze zich achter de rug van de anderen willen verschuilen.’ Als dat gezicht wat dikker was en hij een halve voet kleiner... ‘Ewin Fingar!’ riep Perijn uit. Het was onmogelijk. Ewin was een piepend stuk verdriet dat zich altijd probeerde op te dringen wanneer de grotere jongens bij elkaar waren. Deze kerel zou even groot worden als hij, misschien zelfs wel langer, voor hij uitgegroeid was. ‘Ben je het echt?’
Ewin knikte met een brede grijns. ‘We hebben allemaal van je gehoord, Perijn,’ zei hij met zijn verrassende bas. ‘Tegen Trolloks gevochten en allerlei soorten avonturen beleefd, daarbuiten in de wereld, dat zeggen ze tenminste. Ik mag je toch nog wel Perijn noemen, hè?’
‘Licht, natuurlijk,’ blafte Perijn. Hij was dat gedoe met Guldenoog spuugzat.
‘Ik wou dat ik vorig jaar was meegegaan.’ Dav wreef zich gretig in de handen. ‘En dan thuiskomen met Aes Sedai en zwaardhanden en een Ogier.’ Het klonk net of hij het over oorlogsbuit had. ik weid koeien en melk ze, breng ze naar het weiland, melk ze. En verder wieden en houthakken. Jij bent een bofkont.’
‘Vertel eens, hoe was het?’ liet Elam zich ademloos horen. ‘Alanna Sedai heeft gezegd dat je helemaal in de Grote Verwording bent geweest en ik heb gehoord dat je Caemlin hebt gezien en Tyr en zo. Hoe is het in een stad? Zijn ze echt tien keer zo groot als Emondsveld? Heb je een heus paleis gezien? Zijn er Duistervrienden in de steden? Stikt het in de Verwording echt van Trolloks en Schimmen en zwaardhanden?’
‘Kreeg je dat litteken door een Trollok?’ Ondanks zijn zware stem piepte Ewin bijna van opwinding. ‘Ik wou dat ik een litteken had. Heb je een koningin ontmoet? Of een koning? Ik denk dat ik liever een koningin zou willen zien, maar een koning zou wel groots zijn. Waar lijkt de Witte Toren op? Is het zo groot als een paleis?’ Faile glimlachte vermaakt, maar Perijn zat met zijn ogen te knipperen bij die regen van vragen. Waren ze de Trolloks van Winternacht of die op het land vergeten? Elam hield zijn zwaard vast, alsof hij meteen naar de Verwording wilde stormen, Dav stond met glanzende ogen op zijn laarzen heen en weer te wippen en Ewin leek bereid Perijn meteen bij de kraag te vatten. Avontuur? Het waren idioten. Maar er lagen nog zware tijden voor hen; zwaarder, was hij bang, dan Tweewater ooit had meegemaakt. Het kon geen kwaad als ze nog wat langer konden dromen voor ze de waarheid kenden.
Zijn zij brandde, maar hij probeerde antwoorden te geven. Ze leken teleurgesteld dat hij nog nooit de Witte Toren, een koning of een koningin had gezien. Hij bedacht dat Berelain best kon doorgaan voor een koningin, maar met Faile naast hem was hij niet van plan haar naam te noemen. Voor enkele andere dingen schrok hij ook terug. Voor Falme, het Oog van de Wereld, de Verzakers, Callandor. Dat waren gevaarlijke onderwerpen die onvermijdelijk naar de Herrezen Draak zouden leiden. Maar hij kon ze wat over Caemlin vertellen, over Tyr, de Grenslanden en de Verwording. Het was gek wat ze wilden aannemen en wat niet. Het bedorven landschap van de Verwording, dat leek weg te rotten terwijl je erbij stond, vraten ze bijna. Evenals de Shienaranen met hun knotjes en de stedding van de Ogier, waar een Aes Sedai niet kon geleiden en Schimmen bijna niet durfden te komen. Maar dat de Steen van Tyr zo groot was en de steden zo uitgestrekt... Over de avonturen die hij volgens hen had beleefd, zei hij enkeclass="underline" ‘Ik heb voornamelijk geprobeerd te voorkomen dat ze me het hoofd insloegen. Dat zijn avonturen in wezen, plus dat je een plekje wilt vinden om te slapen en iets om te eten. Je hebt vaak honger als je op avontuur gaat en je slaapt vaak in de kou of in de regen, of in allebei tegelijk.’ Dat vonden ze niet zo leuk en ze leken dat evenmin te geloven als het feit dat de Steen zo groot was als een kleine berg. Hij herinnerde zichzelf eraan dat hij net zo weinig van de wereld had geweten voor hij uit Emondsveld was vertrokken. Maar dat hielp niet erg. Hij had toch nooit van die grote vraagogen opgezet? Of wel? De gelagkamer leek benauwd en warm. Hij zou graag zijn jas willen uittrekken maar elke beweging leek hem te veel inspanning te kosten. ‘En hoe is het met Rhand en Mart?’ wilde Ewin weten. ‘Als het allemaal honger lijden en natte kleren van de regen is, waarom zijn zij dan niet thuisgekomen?’
Tham en Abel waren binnengekomen. Tham met een zwaard aan een riem om zijn jas en beide mannen droegen een voetboog. Het was vreemd dat het zwaard ondanks Thams boerenjas zo goed bij hem leek te horen. Perijn vertelde hun zoveel mogelijk hetzelfde verhaal. Dat Mart aan het dobbelen was, de taveernes afliep en leuke meisjes achternazat en dat Rhand in een mooie jas een knap blond meisje aan zijn arm had. Hij maakte van Elayne maar een vrouwe, omdat ze volgens hem nooit zouden geloven dat ze de erfdochter van Andor was. Hij bleek gelijk te hebben, want zelfs dat van die vrouwe geloofden ze al niet. Al met al was het blijkbaar heel bevredigend, het soort dingen dat ze wilden horen, en hun ongeloof verdween ietwat toen Elam erop wees dat Faile een vrouwe was die toch ook bij Perijn hoorde. Het bracht een grijns teweeg op Perijns gezicht en hij vroeg zich af wat ze zouden zeggen als hij hun vertelde dat ze de nicht was van een koningin.