De Cock en de ganzen van de dood
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #20
- Год: 2009
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978 90 261 2512 6
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en de ganzen van de dood». Краткое содержание книги:
De Cock hield het briefje omhoog.
‘En toen dit op de deur heeft geprikt om zich nog een paar uur nachtrust te gunnen.’
‘Inderdaad.’
De rechercheur wees naar het onbeslapen bed.
‘Daar is dan niet veel van terechtgekomen.’ Hij keek op. ‘Enig idee waar hij vannacht kan zijn geweest?’
‘Nee.’
‘Heeft hij iets gezegd?’
Ivo van Blijendijk schudde zijn hoofd.
‘Ik had weinig contact met Izaak… nooit gehad trouwens. Onze karakters verschilden te veel. Als jongen zochten we al ieder onze eigen weg… hadden we onze eigen vrienden en relaties. Later dreven we nog verder uit elkaar. Ik verhuisde naar Antwerpen en Izaak kocht een bescheiden onderkomen in Ouderkerk aan de Amstel.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Zijn daar ook niet de dreigbrieven gepost?’
Ivo van Blijendijk trok zijn mond scheef. Zijn glimlach had een satanisch trekje.
‘Een merkwaardige coïncidentie.’
‘Vindt u niet?’
Neef Ivo maakte een wrevelig gebaartje.
‘Ik wil het aandeel van de tuinman niet opnieuw ter discussie stellen.’
De Cock wond zich op.
‘Welk aandeel? Waarin?’
Zijn stem klonk hard.
Ivo van Blijendijk wreef zijn vette handjes over elkaar. ‘De dreigbrieven. Zijn vijandig gedrag ten opzichte van tante Isolde. Wij hebben daarover in familiekring uitgebreid gesproken.’ Hij maakte een besluitend gebaartje. ‘Voor ons eindigde die discussie bij zijn dood.’
De Cock schudde fel zijn hoofd.
‘Voor mij niet. Voor mij is die discussie eerst recht begonnen. In mijn hart heb ik het onblusbare gevoel dat de oude man zonder enige noodzaak werd vermoord.’ Hij grinnikte smalend. ‘Als er al zoiets als een noodzaak tot moord bestaat.’
Ivo van Blijendijk trok achteloos zijn schouders op. ‘Ach,’ sprak hij neerbuigend, ‘de tuinman was oud en lastig, en in feite allang overbodig.’
Er trilde zoveel onverschilligheid in de stem, dat er iets in De Cock knapte. Hij liep langs de stoel op Ivo van Blijendijk toe. Traag. Dreigend. Zijn bovenlijf iets naar voren. Plotseling voelde hij zo’n hevige afkeer jegens de glibberige, handenwrijvende man voor zich, dat hem de lust bekroop om hem op zijn vette gezicht te ranselen. Hij stak de wijsvinger van zijn rechterhand omhoog.
‘Als een van jullie hier… uit welk dwaas gevoel van rechtvaardigheid dan ook… de oude tuinman heeft omgebracht, dan…’
De Cock stokte, voelde hoe de woede hem ging beheersen. Hij liet zijn beide handen langs zijn lichaam zakken en drukte de nagels van zijn vingers diep in de handpalmen.
Op het glimmende gezicht van Ivo van Blijendijk klom een grijns. Hij gebaarde naar het bloederige hoofd van de verslagen Izaak.
‘En rechercheur… uit welk dwaas gevoel van rechtvaardigheid gebeurde dit?’
11
De twee stoïcijnse broeders van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst legden het lijk van Izaak van Blijendijk op de brancard, sloegen een laken over hem heen en klapten het canvas terug. Daarna sjorden ze de riemen vast en droegen hem wiegend weg.
De Cock keek hen na. Hij bespeurde bij zichzelf een zekere beroering. Voor het eerst. Het onherroepelijke karakter van het heengaan van Izaak van Blijendijk boeide hem op dat moment buitengewoon.
Vledder liep met de broeders mee om de deuren in het huis open te houden. De leden van de familie Van Blijendijk waren onzichtbaar. Ze hadden zich met een hautain acterende Ivo teruggetrokken in de sobere salon.
Bram van Wielingen, de fotograaf, was al met zijn koffertje verdwenen. Hij was door de centrale post aan het hoofdbureau van politie opgeroepen om te gaan naar het Amsterdam-Rijnkanaal bij Diemen, waar in een doorschijnende plastic zak het afgehouwen hoofd van een vrouw was gevonden. Alleen Frans Kreuger, de oude dactyloscoop, was nog in de kamer. Hij kwastte met aluminiumpoeder ongeïnteresseerd aan de deurstijlen. Na een poosje schoof hij zijn bril omhoog tot op zijn golvend grijze haar en keek naar De Cock.
‘Bij dit soort moorden,’ sprak hij mistroostig, ‘vind je nooit iets.
Alleen maar vegen en greepjes van de bewoners.’ Hij wees naar de armstoel, waarin de dode Izaak had gezeten. ‘Hebben we van hem al vingerafdrukken?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik denk niet dat hij in onze politieadministratie voorkomt. Hij was, hoe zal ik dat zeggen… een min of meer nette man.’ Frans Kreuger keek hem ernstig aan.
‘Dat min of meer geldt voor ons allen.’
De Cock ging er niet op in. Hij voelde niets voor een discussie met de godsdienstige, vlot formulerende dactyloscoop.
Vledder kwam opgewonden binnen. Hij liep op Frans Kreuger toe. ‘Heb je spullen bij je voor voetafdrukken?’ vroeg hij gehaast.
De dactyloscoop knikte traag.
‘Heb je wat?’
De jonge rechercheur wendde zich tot De Cock.
‘Omdat Bram zo snel weg moest, ben ik alleen maar even gaan kijken. Er zijn duidelijke voetafdrukken in de tuin. In de brede border langs het huis.’ Hij wees naar de openslaande deuren. ‘Ze gaan van hier naar een paar kamers verder.’
‘Welke kamer?’
Vledder wees vaag om zich heen.
‘De slaapkamer van tante Isolde.’
De Cock streek nadenkend met zijn pink over de rug van zijn neus. Rond zijn mond speelde een glimlach. ‘Dan heeft die kleine Penny haar oom Izaak gisterenavond dus wel goed gezien.’ Hij keek op. ‘Gaan de voetstappen niet verder?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ze eindigen onder het raam van de slaapkamer van tante Isolde. Daar staan ze wat door en over elkaar. Soms zijn de neuzen wat dieper ingedrukt… alsof iemand op zijn tenen heeft gestaan.’
De Cock knikte instemmend.
‘En dan?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Waar blijven de afdrukken?’
‘Ze lopen terug.’
‘Naar deze kamer?’
‘Precies. De kluiten aarde kleven nog aan de afdrukken op het kleine tegelterras voor de openslaande deuren van deze kamer.’
‘Een stok?’
Vledder maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Er groeien nogal wat oude struiken en heesters in de border. Misschien staat of ligt die stok daar wel ergens. Ik heb feitelijk alleen maar op de voetafdrukken gelet.’
‘Sporen van braak?’
Vledder schudde resoluut zijn hoofd.
‘Nergens. Ik ben alles uitvoerig nagegaan. Alle ramen en deuren van dit huis… zelfs op de bovenverdieping… zijn puntgaaf. Geen moeten of krassen. En de beveiliging is overal heel redelijk… dievenklauwen, kettingen en grendels.’ Hij zweeg even en keek De Cock peinzend aan. ‘Geen kans voor Igor Stablinsky,’ zei hij langzaam.
De Cock staarde voor zich uit.
‘Tenzij… tenzij iemand hem heeft binnengelaten.’
Ze zaten allen bijeen in de sober gemeubileerde salon met het uitzicht over het weiland. Isolde van Blijendijk in het midden, stijf rechtop in haar zetel als een troon. Rechts van haar stond neef Ivo. Zijn vette linkerhand steunde op een uitstekende knop van de rugleuning.
De Cock slenterde traag naderbij.
Links, op een brede houten bank met geborduurde kussens, zat nicht Irmgard. Achter de bank stonden haar drie kinderen in het gelid.
De opstelling was dezelfde als een dag geleden. Alleen neef Izaak ontbrak.
In het voorbijgaan blikte hij naar Penny. De kleine meid droeg weer het roodfluwelen jurkje met een pelerientje. Ze knipoogde.
De Cock negeerde het. Voor de troon van tante Isolde bleef hij staan en boog stijfjes.
‘Ik… eh, ik condoleer u,’ sprak hij vormelijk, ‘met het plotseling verscheiden van uw neef Izaak. Het moet voor u, na het verlies van de u zo toegewijde tuinman, een zware slag zijn.’
Mevrouw Van Blijendijk trok haar mond strak.
‘De tuinman was mijn bediende… een ondergeschikte.’ Ze sprak scherp. ‘Neef Izaak was een gewaardeerd lid van mijn familie.’