Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 14 15 16 17 18 19 20 21 22 ... 178
Перейти на страницу:

Op het laatste moment draaide de Trollok zich om en flitste de goedendag naar Perijn. Hij wierp zich plat op de grond en gilde toen het staal over zijn rug groefde. Wanhopig schoot zijn hand uit, greep een geitenhoef en gaf er uit alle macht een ruk aan. De poten van de Trollok werden weggetrokken en hij viel met een klap neer, maar toen hij langs de helling omlaag rolde, greep hij Perijn beet met handen die tweemaal zo groot waren als die van een mens. Hij trok Perijn mee in zijn val. Zijn stank drong in Perijns neus: de stank van een geit en zuur mannenzweet. Enorme armen persten zich om hem heen en drukten alle lucht weg; zijn ribben kraakten of ze gingen breken. Bij de val was de Trollok zijn bijl kwijtgeraakt, maar stompe geitentanden zonken in Perijns schouder en machtige kaken beten toe. Hij kreunde toen de pijn door zijn linkerarm omlaag schoot. Zijn longen zwoegden en aan de rand van zijn gezichtsveld kroop het zwart omhoog, maar vaag besefte hij dat hij zijn eigen bijl nog steeds vasthield. Hij hield hem als een hamer vlak bij het blad vast, met de punt naar voren. Met een gebrul dat de laatste lucht uit zijn longen dreef, ramde hij die punt diep in de slaap van de Trollok. Die schokte geluidloos, de benen en armen zwaaiden wild heen en weer en wierpen hem weg. Instinctief omklemde zijn hand de bijl nog steviger. Toen de Trollok verder langs de helling omlaag rolde, nog steeds met wild schokkend lijf, trok Perijn de bijl vrij.

Heel even bleef Perijn naar adem snakkend liggen. De wond op zijn rug brandde en hij voelde zijn vochtige bloed. Zijn schouder protesteerde toen hij zich opduwde. ‘Leya?’

Ze was er nog, ineengedoken aan de voorkant van de hut, niet meer dan tien pas hoger de helling op. En op haar gezicht lag een blik die hij nauwelijks durfde te beantwoorden.

‘Waag het niet medelijden met me te hebben,’ grauwde hij. ‘Waag het niet...’

De sprong van de Myrddraal vanaf het hutdak leek te lang te duren, terwijl de dode zwarte mantel tijdens de val even stil hing alsof de Halfman roerloos op de grond stond. De oogloze blik was strak op Perijn gericht. Hij rook naar de dood.

Kou sijpelde door Perijns armen en benen toen de Myrddraal hem aanstaarde. Zijn borst voelde aan als een klomp ijs. ‘Leya,’ fluisterde hij. Her was het enige dat hem tegenhield weg te vluchten. ‘Leya, alsjeblieft, verstop je. Alsjeblieft.’

De Halfman kwam op hem af, traag, vol vertrouwen dat de vrees hem in de ban hield. Hij bewoog als een slang en trok een zwaard zo zwart dat alleen de brandende bomen het zichtbaar maakten. ‘Hak één been van de driepoot af,’ zei hij zachtjes, ‘en alles valt.’ Zijn stem klonk als droog rottend leer dat verkruimelde.

Opeens wierp Leya zich naar voren en probeerde haar armen om de knieën van de Myrddraal te slaan. Hij zwaaide zijn zwarte zwaard bijna terloops naar achteren en keek zelfs niet om toen ze in elkaar zakte.

Tranen schoten Perijn in de ogen. Ik had haar moeten helpen... haar moeten redden. Ik had iets moeten doen... iets! Maar zolang de Myrddraal zijn oogloze blik op hem richtte, kostte zelfs denken moeite. We komen broeder. We komen, Jonge Stier.

De woorden in zijn geest beierden in zijn hoofd als klokgelui; de galm huiverde door hem heen. Mét de woorden stroomden wolven, ontelbaar veel, zijn geest in, terwijl hij zich er tevens bewust van was dat ze het komvormige dal instroomden. Bergwolven, half zo groot als een mens, allemaal wit en grijs, die uit de nacht kwamen aanrennen. Hij was zich bewust van de verbazing van de tweepoten, terwijl ze met grote sprongen de Ontaarden aanvielen. Hij werd één met de wolven en herinnerde zich amper dat hij mens was. Zijn ogen slorpten alle licht op en glansden goudgeel. En de Halfman bleef staan, alsof hij plotseling onzeker was.

‘Schim,’ zei Perijn schor, maar toen schoot de andere naam hem te binnen, de wolfsnaam. Trolloks waren de Ontaarden, gemaakt tijdens de Oorlog van de Schaduw uit een vermenging van mens en dier. Zij waren al erg genoeg, maar de Myrddraal... ‘Nooitgeborene!’ spoog Jonge Stier. Zijn lip werd opgetrokken in een snauw en hij stormde op de Myrddraal af.

Die bewoog als een adder, dreigend en dodelijk, het zwarte zwaard snel als de bliksem, maar hij was Jonge Stier. Zo hadden de wolven hem genoemd. Jonge Stier, met hoorns van staal die hij met zijn handen stuurde. Hij was een wolf en elke wolf zou honderd doden willen sterven om een Nooitgeborene te zien vallen. De Schim deinsde achteruit en het stekende zwaard probeerde nu zijn slagen af te weren. Dijspier en keel, zo doodden wolven. Jonge Stier wierp zich opeens opzij en viel op een knie neer, terwijl hij de bijl achter de knie van de Halfman langs haalde. Die krijste – een raspend geluid dat elke andere keer zijn haren te berge zou doen rijzen – en viel neer, waarbij hij zich op één hand opving. De Halfman, de Nooitgeborene, hield zijn zwaard echter nog stevig vast, maar voor hij weer op kon staan, sloeg de bijl van Jonge Stier opnieuw toe. Met half doorgesneden keel klapte het hoofd van de Myrddraal achterover en bleef op zijn rug bengelen, maar terwijl hij nog steeds op een hand steunde, zwaaide de Nooitgeborene wild met zijn zwaard in het rond. Het duurde altijd lang voor een Nooitgeborene stierf.

Zowel door de ogen van de andere wolven als met zijn eigen ogen zag Jonge Stier Trolloks die op de grond neerstortten, krijsend, niet aangeraakt door een wolf of een mens. Die moesten verbonden zijn geweest met deze Myrddraal en zouden sterven als hij stierf – als ze daarvoor al niet waren gedood. De drang om de helling af te rennen en zich bij zijn broeders te voegen, samen de Ontaarden te doden, samen op de laatste Nooitgeborene te jagen, was sterk, maar een diep begraven deel dat nog mens was, herinnerde zich iets. Leya. Hij liet zijn bijl vallen en draaide haar teder om. Haar gezicht zat onder het bloed en haar ogen staarden star en dood naar hem op. Beschuldigend, vond hij. ‘Ik heb het geprobeerd,’ zei hij tegen haar. ‘Ik heb geprobeerd je te redden.’ Haar blik veranderde niet. ‘Wat had ik anders kunnen doen? Hij zou je hebben gedood als ik hem niet eerst had gedood!’

Kom, Jonge Stier. Kom de Ontaarden doden.

Wolf rolde over hem heen, omhulde hem. Hij vleide Leya neer en nam zijn bijl op, het blad glom vochtig. Zijn ogen glansden terwijl hij de rotshelling afschoot. Hij was Jonge Stier.

De bomen die verspreid rond het dal stonden, brandden als fakkels; een hoge spar barstte in vlammen uit toen Jonge Stier zich in de strijd mengde. De nachtlucht flitste felblauw, als bliksem tussen de wolken, terwijl Lan een andere Myrddraal bevocht. Oeroud Aes Sedaistaal sloeg op zwart staal dat vervaardigd was in Thakan’dar, in de schaduw van Shayol Ghul. Loial liet een vechtstaf zo groot als een hekpaal ronddraaien en haalde zo elke Trollok in de buurt onderuit. Mannen vochten wanhopig in de flakkerende schaduwen, maar Jonge Stier merkte als van verre op dat te veel Shienaraanse tweepoten geveld lagen.

Zijn broeders en zusters vochten in kleine groepjes van twee of drie, ontweken zeisvormige zwaarden en piekbijlen, sprongen naar voren met blikkerende tanden, klaar om beenspieren open te scheuren, sprongen omhoog om halzen open te rijten als hun prooi viel. Ze vochten niet voor eer, zochten geen glorie, gunden niemand genade. Ze kwamen voor de dood, niet voor de strijd. Jonge Stier sloot zich bij een kleine groep aan, zijn bijl verving tanden.

Hij dacht niet langer aan de grotere strijd. Er bestond slechts de Trollok die hij en de wolven – zijn broeders – afzonderden en velden. Daarna kwam de volgende, en de volgende, en de volgende, tot er geen meer restte. Geen hier, geen elders. Hij voelde de aandrang om de bijl opzij te gooien en zijn tanden te gebruiken. Op handen en voeten te rennen zoals zijn broeders. Door de hoge bergpassen te rennen. Tot aan de buik in poedersneeuw een hert te achtervolgen. Te rennen in de koude wind die door zijn vacht waaide. Hij huilde met zijn broeders en Trolloks jankten van angst voor zijn gele ogen, zelfs meer dan ze voor de andere wolven deden.

1 ... 14 15 16 17 18 19 20 21 22 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)