Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Machten van Aardzee [Wizard of Earthsea - nl]
Machten van Aardzee [Wizard of Earthsea - nl] - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Machten van Aardzee [Wizard of Earthsea - nl]

Электронная книга - «Machten van Aardzee [Wizard of Earthsea - nl]». Краткое содержание книги:

De magisch begaafde jonge Sperwer laat zich in met duistere machten. Zijn jacht op het schaduwbeest voert hem door onbekende streken van Aardzee.
1 ... 13 14 15 16 17 18 19 20 21 ... 46
Перейти на страницу:

Een ogenblik bleef het stil.

Toen zei Gensher: ‘Ik weet wat je gedaan hebt, maar niet wie je bent. Ik kan je eerbewijs niet aanvaarden.’

Ged stond op en zocht met de hand steun bij de stam van de jonge boom naast de fontein. Het kostte hem nog steeds moeite de woorden te vinden: ‘Moet ik van Roke weggaan, Heer?’

‘Wil je van Roke weggaan?’

‘Neen.’

‘Wat verlang je dan?’

‘Te blijven. Leren. Het kwaad ongedaan te maken...’

‘Daartoe was zelfs Nemmerle niet in staat. Nee, ik zal je niet toestaan Roke te verlaten. Je wordt door niets beschermd dan door de macht van de Magisters en de afweer die rond dit eiland gelegd is en de schepsels van het kwade tegenhoudt. Als je van hier zou weggaan, zou het ding dat je bevrijd hebt, je onmiddellijk vinden, je binnendringen en je in bezit nemen. En dan ben je geen mens meer, maar een gebbeth, een speeltuig, willoos overgeleverd aan de kwade schaduw die je tot het zonlicht hebt toegelaten. Je moet hier blijven totdat je krachtig en wijsgenoeg bent om haar uit eigen kracht af te weren — als je daar ooit in zult slagen. Ook nu al wacht zij op je. Vast en zeker wacht zij op je. Heb je haar sinds die nacht nog gezien?’

‘In mijn dromen, Heer.’ Hij zweeg en ging toen verder met schaamte en smart in zijn stem: ‘Heer Gensher, ik weet niet wat het was — dat ding dat door de spreuk naar buiten kwam en zich aan mij vastklauwde.’

‘Ik evenmin. Het heeft geen naam. Je hebt een grote macht in je en je hebt die macht verkeerd gebruikt dooreen spreuk te weven die je niet onder bedwang kon houden, omdat je niet wist hoe die spreuk het evenwicht verstoorde tussen licht en donker, leven en dood, goed en kwaad. En je werd ertoe aangezet door trots en haat. Is het vreemd dat er vernietiging uit voortkwam? Je hebt een geest uit het dodenrijk opgeroepen, maar in haar gezelschap kwam een der Machten mee van het niet-leven. Ongeroepen kwam zij van een plaats waar geen namen zijn. Afkomstig uit het kwade, wil zij door jou kwaad bewerken. De macht die jij bezat om haar op te roepen, verleent haar macht over jou en bindt je aan haar. Is het de schaduw van je ijdelheid, de schaduw van je onwetendheid, de schaduw van je lichaam? Heeft een schaduw een naam?’

Ged hoorde toe, ziek en uitgeteerd. Tenslotte zei hij: ‘Ik ware beter gestorven.’

‘Wie ben jij om dat te beoordelen, jij voor wie Nemmerle zijn leven heeft gegeven? Hier ben je veilig. Hier kun je leven en je opleiding voortzetten. Men zegt dat je een goede leerling was. Ga door en doe je werk. Doe het goed. Dat is alles wat je kunt doen.’

Zo sprak Gensher en was langs de weg der magiërs plotseling verdwenen. De fontein sprong omhoog naar het zonlicht en Ged keek er een tijdje naar en luisterde, denkend aan Nemmerle, naar zijn stem. Ooit had hij zich in die hof een woord gevoeld dat door het zonlicht was uitgesproken. Nu had ook de duisternis gesproken: een woord dat niet teruggenomen kon worden. Hij verliet de hof en ging naar zijn vroegere kamer in de Zuidelijke Toren die men voor hem had vrijgehouden. Eenzaam zat hij daar. Als de gong ter maaltijd riep, ging hij, maar hij sprak nauwelijks met de andere knapen aan de Lange Tafel en keerde niemand zijn gelaat toe, zelfs niet aan hen die hem vriendelijk groetten. Ze lieten hem na een dag of twee allen alleen, en alleen zijn wilde hij, want hij vreesde het kwaad dat hij onwetend zou stichten of zeggen.

Vetch en Jasper waren er niet en hij vroeg niet naar hen. De jongens wier heer en hoofd hij geweest was, waren hem nu alle ver vooruit, want hij had maanden verloren en kreeg die lente en zomer onderricht met knapen die jonger waren dan hijzelf. Onder hen blonk hij niet uit, want van iedere spreuk, zelfs van de meest eenvoudige waantover, kwamen de woorden slechts stamelend van zijn lippen en liet de vaardigheid van zijn handen hem in de steek.

In de herfst moest hij weer naar de Eenzame Toren om er onderricht te worden door de Magister der Namen. Vroeger was hem dit een onaangename opgave geweest, nu evenwel een genoegen, want hij verlangde naar zwijgen en lange studie waarbij geen spreuken werden geweven en waarbij de macht die naar hij wist nog steeds in hem was, nooit tot handelen zou worden opgeroepen.

De avond voor hij de Toren verliet, kwam er een bezoeker in zijn kamer, een man gekleed in een bruine reismantel en met een eikehouten ijzerbeslagen staf. Ged stond op bij het zien van de staf van een wijze. ‘Sperwer.’

Op de klank van die woorden sloeg Ged de ogen op. Daar stond Vetch, stevig en vierkant als vroeger; ouder geworden in zijn donker grof gelaat, maar in zijn glimlach onveranderd. Op zijn schouder hurkte een klein dier met bruingestreepte vacht en glanzende ogen.

‘Terwijl jij ziek was, is hij bij mij gebleven en nu spijt het me dat ik afscheid van hem moet nemen en nog meer dat ik afscheid van jou moet nemen, Sperwer. Maar ik ga naar huis. Kom, Hoeg, ga naar je echte meester.’ Vetch streelde de otak en zette hem neer op de vloer. Het diertje ging op Geds strozak zitten en begon zijn pels te wassen met een tong, bruin en droog als een herfstblad. Vetch lachte, maar Ged kon zich zelfs geen glimlach afdwingen. Hij boog voorover om zijn gezicht te bedekken en streelde de otak.

‘Ik had niet gedacht dat je nog naar me toe zou komen, Vetch,’ zei hij.

Hij bedoelde het niet als een verwijt, maar Vetch antwoordde: ‘Ik kon niet naar je toe komen. De Magister der Kruiden verbood het me en sinds deze winter verbleef ik bij de Magister in de Hout en was zelf opgesloten. Ik kwam eerst vrij toen ik mijn staf had verdiend. Luister. Wanneer ook jij vrij bent, kom dan naar het Oostruim waar ik op je wachten zal. In de stadjes daar is het leven genoeglijk en wijzen vinden er goed onthaal.’

‘Vrij..,’ mompelde Ged en vertrok zijn gezicht in een poging tot glimlachen.

Vetch keek hem aan met een blik die anders was dan vroeger, met niet minder genegenheid, maar misschien met meer wijsheid. Hij zei vriendelijk: ‘Je bent toch niet gebonden om voor immer op Roke te blijven?’

‘Ach... Ik heb gedacht dat ik wellicht zal kunnen werken met de Magister in de Toren en een van hen worden die in de boeken en de sterren naar verloren namen speuren; ik... ik zou dan niets schadelijks doen, zij het ook niet veel goeds.’

‘Misschien,’ zei Vetch. ‘Ik ben geen ziener, maar ik zie voor jou geen kamers liggen of boeken, maar verre zeeën en het vuur van draken en de torens van steden en meer van dat alles wat de havik ziet als hij vliegt in hoge verten.’

‘En achter me… Wat zie je achter me?’ vroeg Ged en terwijl hij dit zei, stond hij op en het dwaallicht aan de zoldering tussen hen rekte zijn schaduw uit tegen de vloer en de muur. Dan keerde hij het gelaat af en zei stamelend: ‘Maar zeg me waarheen jij gaat, wat jij gaat doen.’

‘Ik ga naar huis, naar mijn broers en mijn zuster over wie je me hebt horen spreken. Toen ik wegging was zij nog een klein kind en het is vreemd te bedenken dat zij nu spoedig haar naam zal krijgen. En dan zal ik me ergens op de kleine eilanden een plaats als tovenaar zoeken. Ik zou graag nog bij je blijven en langer met je praten, maar dat kan niet want vanavond vertrekt mijn schip en het tij is reeds gekeerd. Als je weg je ooit naar het oosten voert, Sperwer, kom dan naar mij. En als je me ooit nodig hebt, roep me dan, roep mij bij mijn naam: Estarriol. Toen hief Ged zijn geschonden gelaat op en keek zijn vriend in de ogen.

‘Estarriol,’ zei hij, ‘ik heet Ged.’

Toen zeiden zij elkaar vaarwel met kalme stem en Vetch draaide zich om, liep door de lange stenen gang en verliet Roke. Ged bleef roerloos staan, als iemand die groot nieuws heeft ontvangen en om het te kunnen bevatten zijn geest moet verruimen. Het was een groot geschenk dat Vetch hem had gegeven, de kennis van zijn ware naam.

Iemands ware naam is aan niemand bekend, behalve aan hemzelf en aan hem van wie hij hem heeft ontvangen. Hij zal hem wellicht op den duur aan zijn broeder vertellen, of aan zijn vrouw of aan zijn vriend, maar ook deze zullen hem nooit gebruiken waar een derde hem zou kunnen horen. In tegenwoordigheid van anderen zullen zij hem net als die anderen met zijn roepnaam aanspreken, zijn bijnaam, een naam als Sperwer, Vetch of Ogion wat ‘pijnappel’ betekent. En als gewone mensen hun ware naam reeds voor iedereen verborgen houden behalve voor de weinigen die zij liefhebben en volkomen vertrouwen, hoeveel meer moet dan de wijze dit doen, die geducht als hij is, ook anderen meer te duchten heeft. Wie iemands naam kent, houdt het leven van die mens in zijn handen. En zo had Vetch aan Ged die het vertrouwen in zichzelf had verloren, het geschenk gegeven dat alleen een vriend geven kan, het teken van zijn ongeschokt en onschokbaar vertrouwen.

1 ... 13 14 15 16 17 18 19 20 21 ... 46
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)