Het Oog van de Wereld
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #1
- Год: 2009
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Het Oog van de Wereld». Краткое содержание книги:
Egwene maakte een geluid. Byar staarde Perijn aan, die strak terugkeek, bijna bang om met zijn ogen te knipperen. ‘Ik begrijp het niet,’ zei hij langzaam.
‘Er valt niets te begrijpen,’ antwoordde Byar. ‘Niets dan nutteloze bespiegelingen. Als jullie ontsnapten, zouden we geen tijd hebben om jullie op te sporen. We hebben geen uur te verliezen, als we Caemlin op tijd willen bereiken. Als je je boeien op een scherpe rots zou kapotschaven en in de nacht verdween, zou het probleem van de kapiteinheer opgelost zijn.’ Hij bleef Perijn strak aankijken, stak zijn hand onder zijn mantel en gooide iets op de grond.
Als vanzelf volgden Perijns ogen. Toen hij besefte wat het was, snakte hij naar adem. Een stuk rots. Een gekloofde rots met een scherpe rand.
‘Enkel nutteloze bespiegelingen,’ zei Byar. ‘Jullie bewakers houden zich vannacht ook met bespiegelingen bezig.’
Perijns mond was plotseling droog. Denk erover na! Licht helpe me, denk erover na en maak geen enkele fout!
Zou het waar zijn? Was de noodzaak om snel naar Caemlin te rijden groot genoeg voor de Witmantels om dit toe te laten? Dat ze mensen lieten ontsnappen die ze ervan verdachten Duistervrienden te zijn? Het had geen zin daar verder over na te denken; hij wist gewoon niet genoeg over hen. Byar was de enige Witmantel die met hen sprak, afgezien van kapiteinheer Bornhald, en beiden waren niet echt scheutig met inlichtingen. Maar van de andere kant bekeken: als Byar wilde dat ze ontsnapten, waarom sneed hij dan niet gewoon hun boeien door? Wilde Byar hen laten ontsnappen? Byar, die er tot in zijn merg van overtuigd was dat ze Duistervrienden waren? Byar, die Duistervrienden erger haatte dan de Duistere zelf? Byar, die elke gelegenheid aangreep om hem pijn te doen omdat hij twee Witmantels had gedood? Byar zou willen dat ze ontsnapten?
Als hij eerder had gemeend dat zijn gedachten door hem heen tuimelden, dan stortten ze nu als een lawine op hem neer. Ondanks de kou stroomde het zweet in stroompjes over zijn gezicht. Hij keek even naar de wachten. Het waren slechts bleekgrijze schaduwen, maar ze maakten op hem de indruk dat ze waakzaam waren, wachtten. Als hij en Egwene bij een ontsnapping werden gedood en hun touwen waren doorgesneden op een rots die daar toevallig had gelegen... De keuze waarvoor de kapiteinheer zich geplaatst zag, zou zijn opgelost, zeker. En Byar had dan wat hij wilde: beide Duistervrienden dood.
De magere man pakte zijn helm op die naast de lantaarn stond en maakte aanstalten om overeind te komen.
‘Wacht!’ zei Perijn schor. Zijn gedachten tuimelden rond en rond toen hij vergeefs een uitweg zocht. ‘Wacht, ik wil praten. Ik...’
Hulp komt!
De gedachte kwam plotseling in zijn geest op, een heldere lichtflits te midden van de wanorde, zo schokkend dat hij een moment lang al het andere vergat, zelfs waar hij was. Vlek leefde. Elyas zei hij in gedachten tegen de wolf, zonder woorden vragend of de man nog in leven was. Een beeld kwam terug. Elyas lag op een bed van dennentakken naast een klein vuur in een grot en verzorgde een wond in zijn zij. Het duurde maar een oogwenk. Hij keek met open mond naar Byar en zijn gezicht plooide zich tot een dwaze grijns. Elyas leefde. Vlek leefde. Er kwam hulp.
Byar versrijfde, stond nog half gebukt en keek hem aan. ‘Er is een gedachte bij je opgekomen, Perijn van Tweewater, en ik wil weten wat het is.’
Heel even dacht Perijn dat hij de gedachte van Vlek bedoelde. Paniek schoot over zijn gezicht, gevolgd door opluchting. Byar kon dat onmogelijk weten.
Byar volgde de reeks uitdrukkingen op zijn gezicht en voor het eerst gingen de ogen van de Witmantel naar de steen die hij op de grond had gegooid.
Hij overwoog het opnieuw, besefte Perijn. Als hij over die steen van mening veranderde, zou hij dan de kans willen lopen dat zij erover zouden praten? Touwen konden worden doorgeschaafd nadat de mensen die ze droegen waren gedood, zelfs als dat de kans op ontdekking groter maakte. Hij keek in Byars ogen – in de schaduw van die oogholten leek het alsof de man hem aanstaarde vanuit donkere grotten – en hij zag dat hij besloten had hen te doden.
Byar deed zijn mond open en terwijl Perijn op het vonnis wachtte, gebeurde alles zo snel dat hij het niet kon volgen. Opeens verdween een van de bewakers. Het ene moment waren er twee vage schaduwen, het volgende moment slokte de nacht er een op. De tweede schildwacht draaide zich om, wilde roepen, maar voor hij ook maar iets kon zeggen, klonk er een stevige klap en viel hij neer als een gevelde boom.
Byar draaide zich om als een adder die toeslaat en de bijl wervelde zo snel in zijn hand dat hij zoemde. Perijns mond ging open voor een schreeuw, maar zijn keel werd van schrik dichtgeknepen. Even vergat hij dat Byar hen wilde doden. De Witmantel was een mens en de nacht was tot leven gekomen om hen allen op te slokken.
Toen veranderde de duisternis in Lan, met een wervelende mantel die alle tinten grijs en zwart aannam terwijl hij bewoog. De bijl in Byars hand schoot uit als een bliksemflits... en Lan leek terloops opzij te buigen, waardoor het blad zo dicht langs hem schoot dat hij de wind moest hebben gevoeld. Byars ogen werden groot toen de kracht van zijn slag hem uit zijn evenwicht bracht, waarna de zwaardhand snel met handen en voeten toesloeg, zo snel dat Perijn niet zeker was wat hij net had gezien. Wat hij met zekerheid zag, was dat Byar als een ledenpop in elkaar zakte. Voor de Witmantel op de grond dreunde, zat de zwaardhand al op zijn knieën om de lantaarn uit te blazen.
In de plotseling teruggekeerde duisternis keek Perijn niets ziend rond. Lan leek weer te zijn verdwenen.
‘Ben jij...’ Egwene snikte verstikt. ‘We dachten dat jullie dood waren. We dachten dat jullie allemaal dood waren.’
‘Nog niet.’ In het zachte gefluister van de zwaardhand klonk een vleugje vermaak.
Handen raakten Perijn aan en vonden zijn boeien. Een mes sneed met een snelle ruk de touwen door en hij was vrij. Pijnlijke spieren lieten zich voelen toen hij ging zitten. Hij wreef over zijn polsen en tuurde naar de grijze vorm van Byar.
‘Heb je... Is hij...’
‘Nee,’ antwoordde Lans stem uit de duisternis, ‘Ik dood niet tenzij ik het wil. Maar hij zal voorlopig niemand lastigvallen. Houd op met vragen en pak een stel mantels. Veel tijd hebben we niet.’
Perijn kroop naar Byar toe. Het kostte veel moeite de man aan te raken en toen hij voelde hoe de borst van de Witmantel op en neer ging, trok hij haast zijn handen terug. Hij kreeg kippenvel toen hij zich dwong de witte mantel los te maken en weg te trekken. Ondanks hetgeen Lan had gezegd, kon hij zich voorstellen dat de man opeens zou opspringen. Haastig tastte hij rond tot hij zijn bijl voelde en kroop toen naar de andere schildwacht. Hij vond het aanvankelijk vreemd dat het hem nu niet hinderde deze bewusteloze man aan te raken, maar hij begreep het snel. Alle Witmantels haatten hem, maar dat was een menselijk gevoel. Byar voelde helemaal niets, behalve dat Perijn moest sterven; er lag geen haat in, helemaal geen gevoel.
Hij propte beide mantels onder zijn arm, draaide zich om – en paniek greep hem naar de keel. In het donker had hij opeens geen gevoel voor richting meer en wist hij niet hóe hij naar Lan en de anderen moest terugkeren. Zijn voeren kleefden aan de grond, bang te bewegen. Zonder zijn witte mantel werd zelfs de slappe gestalte van Byar door de nacht verborgen. Hij kon zich nergens op richten; elke kant kon hem direct het kamp invoeren.
‘Hier.’
Hij struikelde in de richting van waaruit Lans gefluister kwam tot handen hem tegenhielden. Egwene was een vage schaduw en Lans gezicht was een vlek; de rest van de zwaardhand leek er helemaal niet te zijn. Hij kon voelen dat ze hem aankeken en hij vroeg zich af of hij het moest uitleggen.
‘Doe de mantel om,’ zei Lan zacht. ‘Snel. Rol je eigen mantel op. Maak geen geluid, jullie zijn nog niet in veiligheid.’
Haastig gaf Perijn een van de mantels aan Egwene, opgelucht dat hij niet over zijn angst hoefde te vertellen. Hij rolde zijn eigen mantel tot een bundel, om mee te nemen, en zwaaide de witte mantel om zijn schouders. Hij voelde zijn huid kriebelen toen hij de mantel voelde, een angstige steek tussen zijn schouderbladen. Had hij Byars mantel om? Hij dacht dat hij de geur van de magere man haast kon ruiken.